Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26030
2026-09-08
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.22995
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geloofwaardigheid; ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19846 Rechtbank Den Haag 28-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2021:1754 Raad van State 04-08-2021
- ECLI:EU:C:2012:744
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.991 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22995
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft op de zitting toegelicht dat voorafgaand aan het nemen van het besluit een lhbti-coördinator is geraadpleegd, zodat de afwijzing van de asielaanvraag in lijn met het beleid van de minister tot stand is gekomen. Verder heeft de minister de gestelde homoseksuele gerichtheid terecht ongeloofwaardig geacht en om die reden terecht geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Gambia geen reëel risico op ernstige schade loopt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 17 september 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 april 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.22996, op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting laten weten dat zij niet aan de zitting zouden deelnemen.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere procedures
3. Eiser heeft op 5 december 2018 zijn eerste asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag met het besluit van 1 februari 2019 niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. De zittingsplaats Roermond van deze rechtbank heeft het beroep van eiser tegen dit besluit op 25 februari 2019 ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser is na de kennelijk ongegrond verklaring van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 4 maart 2019 vast komen te staan.
3.1.
Vervolgens heeft eiser op 29 april 2021 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is wel inhoudelijk beoordeeld. De minister heeft deze asielaanvraag met het besluit van 23 maart 2022 echter afgewezen, omdat ongeloofwaardig was dat eiser homoseksueel is. Eiser heeft namelijk wisselend verklaard over de leeftijd waarop hij zich realiseerde homoseksueel te zijn, kon niet voldoende inzicht geven in de ontwikkeling van zijn gevoelens voor mannen in de Gambiaanse samenleving en wat dit voor hem heeft betekend. Daar stond tegenover dat eiser kennis had van de situatie van lhbti’ers in Gambia en Nederland en dat eiser bijeenkomsten van het COC en Pride heeft bezocht, maar dat was onvoldoende om eisers homoseksuele gerichtheid desondanks geloofwaardig te achten. De zittingsplaats Zwolle van deze rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit op 2 september 2022 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het door eiser ingediende hoger beroep op 27 oktober 2022 kennelijk ongegrond verklaard, waarna de afwijzing van deze asielaanvraag is komen vast te staan.
3.2.
Eiser heeft hierna, op 27 oktober 2022, een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 11 oktober 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe (relevante) elementen of bevindingen aan deze asielaanvraag ten grondslag had gelegd. De zittingsplaats Den Haag van deze rechtbank heeft het beroep van eiser tegen dit besluit op 28 november 2024 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het door eiser ingediende hoger beroep op 29 januari 2025 kennelijk ongegrond verklaard, waarna de niet-ontvankelijkverklaring van deze asielaanvraag is komen vast te staan.
Huidige procedure
4. Eiser heeft aan zijn huidige (derde) asielaanvraag – net als aan zijn eerdere twee asielaanvragen – ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Eiser stelt ten opzichte van de eerdere procedures een ontwikkeling in zijn identiteit (identiteitsgroei) te hebben doorgemaakt, omdat hij nu een relatie met [persoon] heeft, deelneemt aan bijeenkomsten en activiteiten voor lhbti’ers en horecagelegenheden voor lhbti’ers bezoekt.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
homoseksuele gerichtheid;
5.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De gestelde homoseksuele gerichtheid vindt de minister echter ongeloofwaardig. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Dat is volgens de minister niet het geval. Omdat het om een opvolgende aanvraag gaat, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Heeft de minister voorafgaand aan het nemen van het besluit een lhbti-coördinator geraadpleegd?
6. Eiser betoogt dat in elke zaak waarin een lhbti-motief speelt een lhbti-coördinator moet worden geraadpleegd. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt dat dit is gebeurd, zodat volgens eiser sprake is van een motiveringsgebrek.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op de zitting desgevraagd laten weten dat uit zijn interne onderliggende stukken voor de besluitvorming (de minuut) blijkt dat voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit een lhbti-coördinator is geraadpleegd. De rechtbank heeft geen reden om aan deze mededeling te twijfelen. De minister heeft verder terecht opgemerkt dat uit de WI 2019/17 niet blijkt dat in het besluit vermeld moet worden dat een lhbti-coördinator is geraadpleegd en eiser heeft niet gesteld, en de rechtbank is ook niet gebleken, dat de minister gehouden was om in het bestreden besluit te vermelden dat een lhbti-coördinator was geraadpleegd. Gelet hierop bestaat onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld of het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.
Heeft de minister de gestelde homoseksualiteit (het tweede asielmotief) terecht ongeloofwaardig geacht?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn gestelde homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig vindt.
7.1.
Omdat dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Integrale beoordeling en samenwerkingsplicht
8. Eiser betoogt allereerst dat de minister een onvoldoende integrale beoordeling heeft gemaakt. Eiser erkent dat hij over bepaalde thema’s mogelijk ontoereikend heeft verklaard zonder dat hiervoor een rechtvaardiging bestaat. Dit kan er volgens eiser echter niet toe leiden dat zijn seksuele gerichtheid daarom zonder meer in zijn geheel ongeloofwaardig is. De minister heeft volgens eiser namelijk onvoldoende waarde gehecht aan het objectief bewijsmateriaal dat hij heeft overgelegd en dat zijn homoseksuele gerichtheid onderbouwt. Op dit materiaal is te zien dat eiser in de Amsterdamse homodiscotheek Prik was. Het is niet waarschijnlijk dat een heteroseksuele man uit Gambia een homobar in Amsterdam zou bezoeken. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe hij deze omstandigheden heeft afgewogen tegen de verklaringen van eiser. Eiser betoogt verder dat de minister in strijd heeft gehandeld met de samenwerkingsplicht. De samenwerkingsplicht van de minister geldt namelijk ook bij opvolgende aanvragen, waardoor de minister actief had moeten samenwerken met eiser om alle relevante informatie te verzamelen. Die plicht geldt in het bijzonder als de minister van mening is dat wat eiser heeft aangevoerd niet volledig is.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de beoordeling in het bestreden besluit voldoende integraal is en dat de overgelegde stukken de seksuele gerichtheid niet onderbouwen. Uit de overgelegde brief van het COC volgt enkel dat eiser de maandelijkse ‘migrant meeting’ bezoekt, maar deze brief gaat niet in op eiser als persoon. De schriftelijke verklaring van eiser en zijn partner, waaruit de ontmoeting en zijn relatie met [persoon] blijkt, is tegenstrijdig met de verklaringen van eiser. Deze verklaring vormt daarom geen onderbouwing die de minister tot een andere conclusie had moeten brengen. De foto’s van eiser met onbekende mensen en een bonnetje waarop staat dat bij discotheek Prik een cola is gekocht, zeggen ook niets over eisers seksuele gerichtheid en geven geen inzicht in eisers persoonlijke beleving ten aanzien van zijn relatie en zijn seksuele gerichtheid. Ook het betoog van eiser dat de minister niet aan de samenwerkingsplicht heeft voldaan, slaagt niet. Het ligt op de weg van eiser om zijn asielrelaas te staven. Op de minister rust vervolgens de plicht om deze relevante elementen in samenwerking met eiser te beoordelen, maar deze zogenoemde samenwerkingsplicht strekt niet zo ver dat de minister (ook) moet motiveren met welke documenten eiser zijn asielrelaas nog nader zou kunnen of moeten aanvullen om zo in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning.
Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (voorwaarde c)
9. Eiser betoogt verder dat zijn verklaringen over [persoon] niet summier, oppervlakkig en tegenstrijdig zijn. In de eerste plaats stelt eiser dat de verklaringen over de eerste ontmoeting met [persoon] niet tegenstrijdig zijn. Eiser heeft verklaard dat hij [persoon] heeft ontmoet in 2019, en bedoelde vervolgens te verklaren dat de eerste romantische ontmoeting plaatsvond in 2022. Hierna begon hun vriendschap een romantisch karakter te krijgen. Verder voert eiser aan dat zijn verklaringen niet in strijd zijn met de overgelegde verklaringen wijst eiser erop dat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht dat zijn verklaringen tijdens het nader gehoor diepgaand en persoonlijk gekleurd zijn, en dat deze blijk geven van oprechte betrokkenheid.
9.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de verklaringen van eiser over [persoon] summier, oppervlakkig en tegenstrijdig zijn. Eiser heeft in de eerste plaats tegenstrijdig verklaard over zijn eerste ontmoeting met [persoon] . Uit eisers verklaringen volgt dat hij [persoon] heeft ontmoet in 2019 in een park in Assen. In de verklaring die door eiser en [persoon] ondertekend is, staat echter dat eiser [persoon] voor het eerst heeft ontmoet in 2022 in het asielzoekerscentrum in Assen en dat zij in 2022 een relatie hebben gekregen. Dit is niet met elkaar in lijn. De minister heeft verder gemotiveerd op welke punten eiser tekort is geschoten in zijn verklaringen, en eiser heeft dat inhoudelijk verder niet betwist. De enkele opmerking van eiser dat zijn verklaringen diepgaand en persoonlijk gekleurd zijn en dat deze blijk geven van een oprechte betrokkenheid, neemt die tekortkomingen niet weg.
Loopt eiser bij terugkeer naar Gambia een reëel risico op ernstige schade?
10. Eiser betoogt dat, omdat zijn homoseksualiteit geloofwaardig is, hij bij terugkeer een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van ernstige schade.
10.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister heeft zich, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat eisers homoseksualiteit nog altijd ongeloofwaardig is. Het valt daarom niet in te zien waarom eiser bij terugkeer naar Gambia om die reden heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rb. Den Haag (zp Roermond) 25 februari 2019, zaaknummer NL19.2430 (niet gepubliceerd).
Rb. Den Haag (zp Zwolle) 2 september 2022, zaaknummer NL22.6913 (niet gepubliceerd).
Rb. Den Haag 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19846.
Dat is mogelijk op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.
Eiser verwijst hiervoor naar paragraaf 5 van de Werkinstructie (WI) 2019/17.
Eiser wijst op ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754.
Arrest van het Hof van 22 november 2012, C-277/11, in de zaak M.M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2012:744.
Dat staat in artikel 31, tweede en derde lid, van de Vw 2000.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22995
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft op de zitting toegelicht dat voorafgaand aan het nemen van het besluit een lhbti-coördinator is geraadpleegd, zodat de afwijzing van de asielaanvraag in lijn met het beleid van de minister tot stand is gekomen. Verder heeft de minister de gestelde homoseksuele gerichtheid terecht ongeloofwaardig geacht en om die reden terecht geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Gambia geen reëel risico op ernstige schade loopt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 17 september 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 april 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.22996, op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting laten weten dat zij niet aan de zitting zouden deelnemen.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere procedures
3. Eiser heeft op 5 december 2018 zijn eerste asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag met het besluit van 1 februari 2019 niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. De zittingsplaats Roermond van deze rechtbank heeft het beroep van eiser tegen dit besluit op 25 februari 2019 ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser is na de kennelijk ongegrond verklaring van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 4 maart 2019 vast komen te staan.
3.1.
Vervolgens heeft eiser op 29 april 2021 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is wel inhoudelijk beoordeeld. De minister heeft deze asielaanvraag met het besluit van 23 maart 2022 echter afgewezen, omdat ongeloofwaardig was dat eiser homoseksueel is. Eiser heeft namelijk wisselend verklaard over de leeftijd waarop hij zich realiseerde homoseksueel te zijn, kon niet voldoende inzicht geven in de ontwikkeling van zijn gevoelens voor mannen in de Gambiaanse samenleving en wat dit voor hem heeft betekend. Daar stond tegenover dat eiser kennis had van de situatie van lhbti’ers in Gambia en Nederland en dat eiser bijeenkomsten van het COC en Pride heeft bezocht, maar dat was onvoldoende om eisers homoseksuele gerichtheid desondanks geloofwaardig te achten. De zittingsplaats Zwolle van deze rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit op 2 september 2022 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het door eiser ingediende hoger beroep op 27 oktober 2022 kennelijk ongegrond verklaard, waarna de afwijzing van deze asielaanvraag is komen vast te staan.
3.2.
Eiser heeft hierna, op 27 oktober 2022, een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 11 oktober 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe (relevante) elementen of bevindingen aan deze asielaanvraag ten grondslag had gelegd. De zittingsplaats Den Haag van deze rechtbank heeft het beroep van eiser tegen dit besluit op 28 november 2024 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het door eiser ingediende hoger beroep op 29 januari 2025 kennelijk ongegrond verklaard, waarna de niet-ontvankelijkverklaring van deze asielaanvraag is komen vast te staan.
Huidige procedure
4. Eiser heeft aan zijn huidige (derde) asielaanvraag – net als aan zijn eerdere twee asielaanvragen – ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Eiser stelt ten opzichte van de eerdere procedures een ontwikkeling in zijn identiteit (identiteitsgroei) te hebben doorgemaakt, omdat hij nu een relatie met [persoon] heeft, deelneemt aan bijeenkomsten en activiteiten voor lhbti’ers en horecagelegenheden voor lhbti’ers bezoekt.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
homoseksuele gerichtheid;
5.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De gestelde homoseksuele gerichtheid vindt de minister echter ongeloofwaardig. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Dat is volgens de minister niet het geval. Omdat het om een opvolgende aanvraag gaat, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Heeft de minister voorafgaand aan het nemen van het besluit een lhbti-coördinator geraadpleegd?
6. Eiser betoogt dat in elke zaak waarin een lhbti-motief speelt een lhbti-coördinator moet worden geraadpleegd. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt dat dit is gebeurd, zodat volgens eiser sprake is van een motiveringsgebrek.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op de zitting desgevraagd laten weten dat uit zijn interne onderliggende stukken voor de besluitvorming (de minuut) blijkt dat voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit een lhbti-coördinator is geraadpleegd. De rechtbank heeft geen reden om aan deze mededeling te twijfelen. De minister heeft verder terecht opgemerkt dat uit de WI 2019/17 niet blijkt dat in het besluit vermeld moet worden dat een lhbti-coördinator is geraadpleegd en eiser heeft niet gesteld, en de rechtbank is ook niet gebleken, dat de minister gehouden was om in het bestreden besluit te vermelden dat een lhbti-coördinator was geraadpleegd. Gelet hierop bestaat onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld of het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.
Heeft de minister de gestelde homoseksualiteit (het tweede asielmotief) terecht ongeloofwaardig geacht?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn gestelde homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig vindt.
7.1.
Omdat dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Integrale beoordeling en samenwerkingsplicht
8. Eiser betoogt allereerst dat de minister een onvoldoende integrale beoordeling heeft gemaakt. Eiser erkent dat hij over bepaalde thema’s mogelijk ontoereikend heeft verklaard zonder dat hiervoor een rechtvaardiging bestaat. Dit kan er volgens eiser echter niet toe leiden dat zijn seksuele gerichtheid daarom zonder meer in zijn geheel ongeloofwaardig is. De minister heeft volgens eiser namelijk onvoldoende waarde gehecht aan het objectief bewijsmateriaal dat hij heeft overgelegd en dat zijn homoseksuele gerichtheid onderbouwt. Op dit materiaal is te zien dat eiser in de Amsterdamse homodiscotheek Prik was. Het is niet waarschijnlijk dat een heteroseksuele man uit Gambia een homobar in Amsterdam zou bezoeken. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe hij deze omstandigheden heeft afgewogen tegen de verklaringen van eiser. Eiser betoogt verder dat de minister in strijd heeft gehandeld met de samenwerkingsplicht. De samenwerkingsplicht van de minister geldt namelijk ook bij opvolgende aanvragen, waardoor de minister actief had moeten samenwerken met eiser om alle relevante informatie te verzamelen. Die plicht geldt in het bijzonder als de minister van mening is dat wat eiser heeft aangevoerd niet volledig is.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de beoordeling in het bestreden besluit voldoende integraal is en dat de overgelegde stukken de seksuele gerichtheid niet onderbouwen. Uit de overgelegde brief van het COC volgt enkel dat eiser de maandelijkse ‘migrant meeting’ bezoekt, maar deze brief gaat niet in op eiser als persoon. De schriftelijke verklaring van eiser en zijn partner, waaruit de ontmoeting en zijn relatie met [persoon] blijkt, is tegenstrijdig met de verklaringen van eiser. Deze verklaring vormt daarom geen onderbouwing die de minister tot een andere conclusie had moeten brengen. De foto’s van eiser met onbekende mensen en een bonnetje waarop staat dat bij discotheek Prik een cola is gekocht, zeggen ook niets over eisers seksuele gerichtheid en geven geen inzicht in eisers persoonlijke beleving ten aanzien van zijn relatie en zijn seksuele gerichtheid. Ook het betoog van eiser dat de minister niet aan de samenwerkingsplicht heeft voldaan, slaagt niet. Het ligt op de weg van eiser om zijn asielrelaas te staven. Op de minister rust vervolgens de plicht om deze relevante elementen in samenwerking met eiser te beoordelen, maar deze zogenoemde samenwerkingsplicht strekt niet zo ver dat de minister (ook) moet motiveren met welke documenten eiser zijn asielrelaas nog nader zou kunnen of moeten aanvullen om zo in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning.
Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (voorwaarde c)
9. Eiser betoogt verder dat zijn verklaringen over [persoon] niet summier, oppervlakkig en tegenstrijdig zijn. In de eerste plaats stelt eiser dat de verklaringen over de eerste ontmoeting met [persoon] niet tegenstrijdig zijn. Eiser heeft verklaard dat hij [persoon] heeft ontmoet in 2019, en bedoelde vervolgens te verklaren dat de eerste romantische ontmoeting plaatsvond in 2022. Hierna begon hun vriendschap een romantisch karakter te krijgen. Verder voert eiser aan dat zijn verklaringen niet in strijd zijn met de overgelegde verklaringen wijst eiser erop dat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht dat zijn verklaringen tijdens het nader gehoor diepgaand en persoonlijk gekleurd zijn, en dat deze blijk geven van oprechte betrokkenheid.
9.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de verklaringen van eiser over [persoon] summier, oppervlakkig en tegenstrijdig zijn. Eiser heeft in de eerste plaats tegenstrijdig verklaard over zijn eerste ontmoeting met [persoon] . Uit eisers verklaringen volgt dat hij [persoon] heeft ontmoet in 2019 in een park in Assen. In de verklaring die door eiser en [persoon] ondertekend is, staat echter dat eiser [persoon] voor het eerst heeft ontmoet in 2022 in het asielzoekerscentrum in Assen en dat zij in 2022 een relatie hebben gekregen. Dit is niet met elkaar in lijn. De minister heeft verder gemotiveerd op welke punten eiser tekort is geschoten in zijn verklaringen, en eiser heeft dat inhoudelijk verder niet betwist. De enkele opmerking van eiser dat zijn verklaringen diepgaand en persoonlijk gekleurd zijn en dat deze blijk geven van een oprechte betrokkenheid, neemt die tekortkomingen niet weg.
Loopt eiser bij terugkeer naar Gambia een reëel risico op ernstige schade?
10. Eiser betoogt dat, omdat zijn homoseksualiteit geloofwaardig is, hij bij terugkeer een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van ernstige schade.
10.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister heeft zich, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat eisers homoseksualiteit nog altijd ongeloofwaardig is. Het valt daarom niet in te zien waarom eiser bij terugkeer naar Gambia om die reden heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rb. Den Haag (zp Roermond) 25 februari 2019, zaaknummer NL19.2430 (niet gepubliceerd).
Rb. Den Haag (zp Zwolle) 2 september 2022, zaaknummer NL22.6913 (niet gepubliceerd).
Rb. Den Haag 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19846.
Dat is mogelijk op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.
Eiser verwijst hiervoor naar paragraaf 5 van de Werkinstructie (WI) 2019/17.
Eiser wijst op ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754.
Arrest van het Hof van 22 november 2012, C-277/11, in de zaak M.M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2012:744.
Dat staat in artikel 31, tweede en derde lid, van de Vw 2000.