Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26013
2026-09-08
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.26907
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geloofwaardigheid; Ebilum; ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19555 Rechtbank Den Haag 06-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:2333 Raad van State 17-08-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.067 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26907
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank ziet geen aanleiding om het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van het asielrelaas te beoordelen. Ook als van de juistheid van de door eiser gestelde feiten wordt uitgegaan, heeft eiser zijn gestelde vrees voor terugkeer niet geïndividualiseerd. Gelet hierop beperkt de rechtbank haar beoordeling tot de vraag of de door eiser gestelde vrees voldoende zwaarwegend is om aanspraak te kunnen maken op internationale bescherming. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser gestelde feiten en omstandigheden niet maken dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 15 oktober 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is met het besluit van 28 oktober 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Eisers beroep tegen dit besluit is op 9 januari 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem gegrond verklaard.
2.1.
Op 6 augustus 2025 heeft de minister een nieuw besluit genomen en de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eisers beroep tegen dit besluit is op 6 oktober 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag gegrond verklaard.
2.2.
Op 16 april 2026 heeft de minister een nieuw besluit genomen (bestreden besluit) en de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, de waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is christen en vreest voor willekeurige aanslagen van Boko Haram in Nigeria. Zijn vader en zusje zijn om die reden al overleden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met Boko Haram.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen met Boko Haram zijn volgens de minister niet geloofwaardig. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Dat is volgens de minister niet het geval. Omdat eiser geen vluchteling is en geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Het asielmotief “problemen met Boko Haram”
5. Partijen zijn (onder meer) verdeeld over de vraag of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet eenduidig heeft verklaard over de daders van de moord op zijn zus en vader en dat zijn asielmotief om die reden niet geloofwaardig is.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiser betoogt, het zwaartepunt van de beoordeling in het bestreden besluit ligt op de verklaringen van eiser waaruit volgt dat eiser zelf nooit problemen heeft gehad met Boko Haram. De minister heeft eiser uitgebreid opnieuw gehoord in het aanvullende gehoor van 11 november 2025. In zoverre is voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van de rechtbank van 6 oktober 2025. Van een tegenwerping die ziet op summiere verklaringen – zoals genoemd in de uitspraak van 6 oktober 2025 – is geen sprake. In het voornemen is uitdrukkelijk besproken dat eiser niet langer wordt tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard.
6. De rechtbank stelt vast dat de minister zich in het voornemen en het besluit eveneens op het standpunt heeft gesteld dat, ook als wordt uitgegaan van de juistheid van eisers verklaringen, hieruit nog steeds niet volgt dat sprake is van een persoonlijk risico voor eiser. Eiser heeft immers niet betwist dat zijn vader en zus zijn omgekomen door willekeurig geweld en dat hij persoonlijk nimmer problemen heeft ervaren met Boko Haram en ook geen specifiek doelwit is.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dit standpunt niet anders worden uitgelegd dan dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas wat de minister betreft in het midden kan blijven. Voor de rechterlijke toetsing van het besluit betekent dit dat het er voor wordt gehouden dat de minister de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Om die reden zal de rechtbank de vraag of de minister terecht heeft gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de daders van de moord op zijn vader en zus in het midden laten en de beroepsgronden op dit punt niet (verder) bespreken. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister met het aanvullend gehoor in voldoende mate onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden en heeft voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsplicht. Niet is gesteld en ook is niet gebleken dat niet alle relevante feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen.
Zwaarwegendheid
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees niet verder heeft geïndividualiseerd dan dat onder de willekeurige slachtoffers van de aanvallen van Boko Haram ook familieleden waren en dat ook hij als christen wel eens heeft moeten vluchten voor Boko Haram. Hieruit volgt niet, zoals de minister terecht heeft gesteld, dat eiser persoonlijk problemen heeft gehad met Boko Haram. Eiser heeft dit ook niet betwist. Dit betekent dat het als geloofwaardig aan te merken asielrelaas niet zwaarwegend genoeg is voor het verkrijgen van internationale bescherming.
7.1.
De vragen die in beroep moeten worden beantwoord zijn of eiser bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico op ernstige schade loopt en of eiser bij terugkeer in een situatie terechtkomt zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank zal daar hieronder nader op in gaan.
Heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
8. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Nigeria geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser voert hiertoe aan dat hij verdragsvluchteling is, omdat hij in Nigeria vreest voor groepsvervolging vanwege zijn christelijke geloofsovertuiging. De minister erkent dat sprake is van geweld tegen christenen, maar heeft anderzijds geconcludeerd dat geen sprake is van systematische vervolging of een risicoprofiel, zonder in te gaan op de specifieke situatie in de regio van herkomst van eiser. De stukken waar eiser naar heeft verwezen, worden zonder een deugdelijke motivering gepasseerd. De minister had deze stukken kenbaar moeten betrekken bij de beoordeling. De minister had bij deze beoordeling het geloofwaardig geachte overlijden van eisers vader en zus, zijn christelijke achtergrond en de bevestigde aanwezigheid van Boko Haram-geweld tegen christenen, in onderlinge samenhang moeten beoordelen.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Het klopt dat in Nigeria weliswaar sprake is van willekeurig geweld door islamitische groeperingen en dat christenen vaak het slachtoffer van geweld zijn, maar niet altijd is vast te stellen hoeveel aanvallen specifiek gericht waren op christenen. Volgens het ambtsbericht zijn religie, etniciteit, en de strijd om land en middelen namelijk sterk met elkaar verbonden, en zijn moslims en christenen zowel dader als slachtoffer van het geweld. Met de door eiser aangehaalde landeninformatie heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat deze informatie uit het ambtsbericht onjuist is. Eiser heeft zelf ook niet verklaard slachtoffer te zijn geweest van geweld op basis van zijn religie. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat eiser een vluchteling is in de zin van het vluchtelingenverdrag of dat eiser een reëel risico op ernstige schade.
Is door eisers individuele omstandigheden sprake van een 15c-situatie
?
9. Voor zover eiser ter zitting heeft aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Nigeria te vrezen heeft voor een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, overweegt de rechtbank dat de minister in zijn landenbeleid niet aanneemt dat er sprake is van een 15c-situatie in Nigeria. De rechtbank volgt dit standpunt. Uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria en de Kamerbrief over Landenbeleid Nigeria van 9 mei 2023 volgt dat de algemene veiligheidssituatie is verslechterd en dat er een toename is van geweld en dat in grote delen van het land geen effectieve bescherming is vanuit de overheid. Uit deze stukken valt echter niet af te leiden dat de situatie in Nigeria of delen daarvan dusdanig ernstig is dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eisers individuele en persoonlijke omstandigheden hoeven in dit verband dan ook niet te worden beoordeeld.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, NL24.42766 en NL24.42767 (niet gepubliceerd)
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2025:19555.
Pagina 17 en 18 van het aanvullende gehoor.
Pagina 4 van het voornemen.
Pagina 13, 13 en 20, van het aanvullend gehoor.
ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.1
Van de Richtlijn 2011/95/EU.
Het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van januari 2023, rapporten van Open Doors en een rapport van Release International van 30 december 2025.
“2023 Report on International Religious Freedom: Nigeria, section I. ReligiousDemography” van de United States Department of State.
Algemeen ambtsbericht Nigeria januari 2023, p. 49.
Van de Richtlijn 2011/95/EU.
Algemeen ambtsbericht Nigeria, januari 2023.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26907
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank ziet geen aanleiding om het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van het asielrelaas te beoordelen. Ook als van de juistheid van de door eiser gestelde feiten wordt uitgegaan, heeft eiser zijn gestelde vrees voor terugkeer niet geïndividualiseerd. Gelet hierop beperkt de rechtbank haar beoordeling tot de vraag of de door eiser gestelde vrees voldoende zwaarwegend is om aanspraak te kunnen maken op internationale bescherming. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser gestelde feiten en omstandigheden niet maken dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 15 oktober 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is met het besluit van 28 oktober 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Eisers beroep tegen dit besluit is op 9 januari 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem gegrond verklaard.
2.1.
Op 6 augustus 2025 heeft de minister een nieuw besluit genomen en de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eisers beroep tegen dit besluit is op 6 oktober 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag gegrond verklaard.
2.2.
Op 16 april 2026 heeft de minister een nieuw besluit genomen (bestreden besluit) en de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, de waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is christen en vreest voor willekeurige aanslagen van Boko Haram in Nigeria. Zijn vader en zusje zijn om die reden al overleden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met Boko Haram.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen met Boko Haram zijn volgens de minister niet geloofwaardig. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Dat is volgens de minister niet het geval. Omdat eiser geen vluchteling is en geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Het asielmotief “problemen met Boko Haram”
5. Partijen zijn (onder meer) verdeeld over de vraag of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet eenduidig heeft verklaard over de daders van de moord op zijn zus en vader en dat zijn asielmotief om die reden niet geloofwaardig is.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiser betoogt, het zwaartepunt van de beoordeling in het bestreden besluit ligt op de verklaringen van eiser waaruit volgt dat eiser zelf nooit problemen heeft gehad met Boko Haram. De minister heeft eiser uitgebreid opnieuw gehoord in het aanvullende gehoor van 11 november 2025. In zoverre is voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van de rechtbank van 6 oktober 2025. Van een tegenwerping die ziet op summiere verklaringen – zoals genoemd in de uitspraak van 6 oktober 2025 – is geen sprake. In het voornemen is uitdrukkelijk besproken dat eiser niet langer wordt tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard.
6. De rechtbank stelt vast dat de minister zich in het voornemen en het besluit eveneens op het standpunt heeft gesteld dat, ook als wordt uitgegaan van de juistheid van eisers verklaringen, hieruit nog steeds niet volgt dat sprake is van een persoonlijk risico voor eiser. Eiser heeft immers niet betwist dat zijn vader en zus zijn omgekomen door willekeurig geweld en dat hij persoonlijk nimmer problemen heeft ervaren met Boko Haram en ook geen specifiek doelwit is.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dit standpunt niet anders worden uitgelegd dan dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas wat de minister betreft in het midden kan blijven. Voor de rechterlijke toetsing van het besluit betekent dit dat het er voor wordt gehouden dat de minister de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Om die reden zal de rechtbank de vraag of de minister terecht heeft gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de daders van de moord op zijn vader en zus in het midden laten en de beroepsgronden op dit punt niet (verder) bespreken. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister met het aanvullend gehoor in voldoende mate onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden en heeft voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsplicht. Niet is gesteld en ook is niet gebleken dat niet alle relevante feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen.
Zwaarwegendheid
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees niet verder heeft geïndividualiseerd dan dat onder de willekeurige slachtoffers van de aanvallen van Boko Haram ook familieleden waren en dat ook hij als christen wel eens heeft moeten vluchten voor Boko Haram. Hieruit volgt niet, zoals de minister terecht heeft gesteld, dat eiser persoonlijk problemen heeft gehad met Boko Haram. Eiser heeft dit ook niet betwist. Dit betekent dat het als geloofwaardig aan te merken asielrelaas niet zwaarwegend genoeg is voor het verkrijgen van internationale bescherming.
7.1.
De vragen die in beroep moeten worden beantwoord zijn of eiser bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico op ernstige schade loopt en of eiser bij terugkeer in een situatie terechtkomt zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank zal daar hieronder nader op in gaan.
Heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
8. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Nigeria geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser voert hiertoe aan dat hij verdragsvluchteling is, omdat hij in Nigeria vreest voor groepsvervolging vanwege zijn christelijke geloofsovertuiging. De minister erkent dat sprake is van geweld tegen christenen, maar heeft anderzijds geconcludeerd dat geen sprake is van systematische vervolging of een risicoprofiel, zonder in te gaan op de specifieke situatie in de regio van herkomst van eiser. De stukken waar eiser naar heeft verwezen, worden zonder een deugdelijke motivering gepasseerd. De minister had deze stukken kenbaar moeten betrekken bij de beoordeling. De minister had bij deze beoordeling het geloofwaardig geachte overlijden van eisers vader en zus, zijn christelijke achtergrond en de bevestigde aanwezigheid van Boko Haram-geweld tegen christenen, in onderlinge samenhang moeten beoordelen.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Het klopt dat in Nigeria weliswaar sprake is van willekeurig geweld door islamitische groeperingen en dat christenen vaak het slachtoffer van geweld zijn, maar niet altijd is vast te stellen hoeveel aanvallen specifiek gericht waren op christenen. Volgens het ambtsbericht zijn religie, etniciteit, en de strijd om land en middelen namelijk sterk met elkaar verbonden, en zijn moslims en christenen zowel dader als slachtoffer van het geweld. Met de door eiser aangehaalde landeninformatie heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat deze informatie uit het ambtsbericht onjuist is. Eiser heeft zelf ook niet verklaard slachtoffer te zijn geweest van geweld op basis van zijn religie. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat eiser een vluchteling is in de zin van het vluchtelingenverdrag of dat eiser een reëel risico op ernstige schade.
Is door eisers individuele omstandigheden sprake van een 15c-situatie
?
9. Voor zover eiser ter zitting heeft aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Nigeria te vrezen heeft voor een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, overweegt de rechtbank dat de minister in zijn landenbeleid niet aanneemt dat er sprake is van een 15c-situatie in Nigeria. De rechtbank volgt dit standpunt. Uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria en de Kamerbrief over Landenbeleid Nigeria van 9 mei 2023 volgt dat de algemene veiligheidssituatie is verslechterd en dat er een toename is van geweld en dat in grote delen van het land geen effectieve bescherming is vanuit de overheid. Uit deze stukken valt echter niet af te leiden dat de situatie in Nigeria of delen daarvan dusdanig ernstig is dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eisers individuele en persoonlijke omstandigheden hoeven in dit verband dan ook niet te worden beoordeeld.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, NL24.42766 en NL24.42767 (niet gepubliceerd)
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2025:19555.
Pagina 17 en 18 van het aanvullende gehoor.
Pagina 4 van het voornemen.
Pagina 13, 13 en 20, van het aanvullend gehoor.
ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.1
Van de Richtlijn 2011/95/EU.
Het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van januari 2023, rapporten van Open Doors en een rapport van Release International van 30 december 2025.
“2023 Report on International Religious Freedom: Nigeria, section I. ReligiousDemography” van de United States Department of State.
Algemeen ambtsbericht Nigeria januari 2023, p. 49.
Van de Richtlijn 2011/95/EU.
Algemeen ambtsbericht Nigeria, januari 2023.