Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26011

2026-09-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.50462
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-07
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.50462
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring. Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Sinds 2018 illegaal in Nederland. Inspanningsverplichting niet geschonden. Voldoende gronden om de maatregel te dragen. Geen lichter middel. Voldoende voortvarend. Non-refoulementbeginsel. Ongegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.256 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.50462


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.R. den Toonder),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel en heeft voldoende voortvarend gehandeld. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 28 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader


3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring


4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.


4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.




4.2.

De minister heeft de gronden j en q ter zitting laten vallen.

Heeft de minister zijn inspanningsverplichting geschonden?

5. Eiser voert – samengevat – aan dat de minister meer inspanningen had moeten verrichten om te voorkomen dat eiser aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld. Eiser zat in voorlopige hechtenis in afwachting van het door hem ingestelde hoger beroep en had in augustus 2026 de door de rechtbank aan hem opgelegde straf volledig uitgezeten. DTenV had dus kunnen weten dat de voorlopige hechtenis in augustus 2026 zou worden opgeheven. De minister kan zich niet enkel beroepen op het feit dat de straf nog niet onherroepelijk was. Verder heeft eiser in juni 2025 het bericht ontvangen dat de Somalische ambassade bereid is een vervangend reisdocument (lp) af te geven, maar vervolgens is er door de minister niets gedaan om deze toezegging in de gaten te houden. Daarom kan niet worden gesteld dat de minister heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting.




5.1.
Volgens paragraaf A5/6.13 van de Vc rust op de minister een inspanningsverplichting om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken. Het is echter vaste rechtspraak van de Afdeling dat in het geval de einddatum van de strafrechtelijke detentie nog onbekend is, van de minister niet kan worden gevergd dat hij de voorbereiding van de uitzetting steeds zo inricht, dat de uitzetting aansluitend aan het einde van de detentie plaatsvindt en iedere vreemdelingenbewaring dientengevolge achterwege kan blijven.



5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zijn inspanningsverplichting niet geschonden. Eiser zat in voorlopige hechtenis, waardoor niet vaststond wat de einddatum van zijn strafrechtelijke detentie was. Hierdoor had de minister niet op voorhand kunnen weten wanneer eiser exact uit het strafrecht werd ontslagen. Verder lag er een lp-toezegging en is het de rechtbank niet duidelijk wat de minister dan had moeten doen om deze toezegging “in de gaten te houden”. Zolang eiser nog vastzat, konden er immers geen vervolgstappen worden gezet. Deze beroepsgrond slaagt niet.



Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?

6. Eiser heeft alle gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd gemotiveerd betwist. Zo stelt eiser ten aanzien van grond a dat eiser als kind naar de Europese Unie is gekomen om internationale bescherming te verzoeken en zodoende bij inreis niet over een paspoort en/of identiteitsdocument beschikte. Er is onvoldoende rekening gehouden met eisers persoonlijke toelichting over zijn binnenkomt in Europa en het daaropvolgende rechtmatige verblijf. Ten aanzien van grond b stelt eiser dat hij niet over identiteitsdocumenten beschikt, waardoor het voor hem feitelijk onmogelijk is om de Europese Unie te verlaten. Over grond c voert eiser aan dat hij wel meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit. Ook blijkt uit de stukken niet dat er enige twijfel bestaat over zijn identiteit. Eiser is in het verleden ook in het bezit geweest van een verblijfvergunning en volgens de minister heeft Somalië een lp-toezegging gedaan. Met betrekking tot grond g voert eiser aan dat de minister nader had moeten toelichten waarom op basis van deze grond moet worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat. Ten aanzien van grond h voert eiser aan dat, hoewel hij liever niet naar Somalië terug wil keren, hij wel heeft meegewerkt aan het verkrijgen van een lp. Ook heeft eiser expliciet aangegeven dat hij bij verkrijging van een lp zal vertrekken. Met betrekking tot grond r voert eiser aan dat hij een vaste verblijfplaats heeft opgegeven in het gehoor. Dit is het adres van zijn moeder en hij kan zich niet inschrijven op dit adres, omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser is dan ook in vrijheid traceerbaar. Over grond s voert eiser aan dat hij familieleden heeft waarbij hij terechtkan. De aanname dat eiser zijn uitreis waarschijnlijk niet kan betalen, betekent niet dat hij gaat onderduiken. Tot slot voert eiser ten aanzien van grond t aan dat de minister deze grond niet voldoende heeft gemotiveerd.




6.1.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende gronden om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. De minister mag grond a aan eiser tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist is. Eiser heeft niet betwist dat hij zonder geldige documenten voor grensoverschrijding Nederland is ingereisd. Dat eiser als kind Nederland is ingereisd om internationale bescherming te verzoeken en vervolgens rechtmatig verblijf heeft gekregen doet ook niets af aan de feitelijke juistheid van deze grond. De minister mag ook grond b aan eiser tegenwerpen, omdat deze eveneens feitelijk juist is. Eiser verblijft al sinds 2018 - toen zijn verblijfsvergunning is ingetrokken - illegaal in Nederland en heeft in de tussentijd Nederland niet verlaten. Dat eiser niet beschikt over identiteitsdocumenten, betekent niet dat eiser Nederland niet had kunnen verlaten. De minister stelt zich in dat verband terecht op het standpunt dat eiser had moeten proberen de benodigde documenten te verkrijgen. Niet is in geschil dat eiser dit niet heeft gedaan. De minister mag daarnaast ook gronden r en s aan eiser tegenwerpen. Hoewel eiser zegt bij zijn moeder te gaan wonen en haar adres heeft verstrekt, staat eiser op dit adres niet ingeschreven. Volgens vaste rechtspraak is daarmee geen sprake van een vaste woon- of verblijfplaats, zodat eiser niet goed traceerbaar is en makkelijk kan onderduiken. Verder beschikt eiser over 320 euro en heeft hij geen bankrekening. Door het gebrek aan middelen is het niet aannemelijk dat eiser zelfstandig uit Nederland kan en zal vertrekken en ligt het meer in de rede dat hij zal onderduiken. De gronden a, b, r en s zijn voldoende om de maatregel te dragen. De rechtbank beoordeelt daarom de betwisting van de overige gronden niet. Deze beroepsgrond slaagt niet.Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
7. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser wil niet vertrekken, maar dat betekent niet dat hij niet meewerkt. Daarnaast woont zijn familie in Nederland waardoor hij hier een netwerk heeft. De adressen van zijn vriendin en moeder zijn bij de minister ook bekend. Een lichter middel was daarom de aangewezen manier.




7.1.
Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.



7.2.

De minister stelt zich, mede gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser heeft weliswaar gezegd dat hij zal vertrekken als het echt niet anders kan, maar hij heeft ook meermaals aangegeven dat hij niet wil vertrekken en dat hij bij zijn familie wil blijven. Ook verblijft hij al sinds 2018 illegaal in Nederland en heeft hij zelf geen initiatieven genomen om Nederland te verlaten, terwijl hij hier ruim genoeg de tijd voor heeft gehad. De minister hoeft dan ook niet het risico te lopen dat eiser toch onderduikt en niet verschijnt op gemaakte afspraken. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Handelt de minister voldoende voortvarend?

8. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Hoewel niet duidelijk is wanneer de lp-toezegging door de Somalische autoriteiten precies is gedaan en hoe lang deze toezegging geldig is, betekent een lp-toezegging in beginsel dat er concrete stappen kunnen worden gezet om een vreemdeling uit te zetten. Niet valt in te zien waarom er sinds de inbewaringstelling van eiser nog geen handelingen zijn verricht om zijn verwijdering te bewerkstelligen.




8.1.

Anders dan eiser betoogt werkt de minister wel voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Ter zitting heeft de minister namelijk bevestigd dat er al een lp-toezegging lag sinds juni 2025, dus vóór de inbewaringstelling van eiser. Op 31 augustus 2026 heeft de minister het reisdocument opgevraagd bij de Somalische vertegenwoordiging. Op 1 september 2026 heeft de minister het antwoord gekregen dat de Somalische vertegenwoordiging bij de autoriteiten in Somalië een fiat vraagt voor de daadwerkelijke afgifte van het document. Verder heeft de minister op 31 augustus 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met bovengenoemde handelingen voldoende voortvarend gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. De rechtbank overweegt met betrekking tot het non-refoulementbeginsel nog specifiek, met inachtneming van wat op zitting is besproken en verklaard, dat op dit moment niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser in Somalië een reëel risico loopt op behandelingen in strijd met artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest.





Conclusie en gevolgen


10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV).


Laissez-passer (lp).


Vreemdelingencirculaire 2000 (A).


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:17.


Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).


Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.