Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26007

2026-09-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.14463
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.14463
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

asiel; Nigeria; geloofwaardigheid; terugkeerbesluit; aanvraag verlenging verblijfsvergunning Italië; heropeningsverzoek; mob-melding; beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.077 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.14463


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N.L. Schoonbrood).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft eisers problemen in Nigeria terecht ongeloofwaardig gevonden. Ook heeft de minister terecht een terugkeerbesluit en een inreisverbod aan eiser opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op 23 april 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.



2.3.
Op 15 mei 2026 heeft eiser verzocht om heropening van het onderzoek. De rechtbank wijst dit verzoek af. In overweging 8 licht de rechtbank dat toe.







Beoordeling door de rechtbank



Het asielrelaas


3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft Nigeria op reguliere wijze verlaten omdat zijn echtgenote in Italië woonde. Later zijn zij gescheiden en is eiser naar Nederland gereisd. Naar de rechtbank begrijpt stelt eiser dat hij in Nederland werd gebeld en hoorde dat in Agbor, naast het paleis van eisers neef, een in 1908 door de Britten gebouwde communicatietoren was verdwenen. Eiser was hier boos over en heeft vervolgens zijn neef, de lokale koning, gevraagd waar de toren was. Die was woest vanwege deze vraag en bedreigde eiser. Daarnaast heeft eiser geheimen ontdekt over de geschiedenis van Nigeria en de betrokkenheid van de Nederlandse en Britse overheden daarin. Namens zijn volk wil eiser 88,8 triljoen dollar opeisen van die overheden. Dat wordt in Nigeria echter ook niet geaccepteerd. Eiser kan om deze redenen niet terugkeren naar Nigeria.



Het bestreden besluit


4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen in Nigeria.



De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers problemen in Nigeria zijn echter niet geloofwaardig. De minister heeft vervolgens beoordeeld of eisers identiteit, nationaliteit en herkomst aanleiding geven om aan eiser een asielvergunning te verlenen. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister komt tot de conclusie dat eisers asielaanvraag kennelijk ongegrond is.




Zijn eisers problemen in Nigeria terecht ongeloofwaardig gevonden?


5. Eiser heeft niet betwist dat hij zijn problemen in Nigeria niet volledig heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven, zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.


5.1
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte de asielgronden die hij naar voren heeft gebracht niet inhoudelijk heeft beoordeeld en heeft afgedaan als onsamenhangend en langdradig. De minister heeft niet kenbaar gemaakt waarom de asielgronden geen asielvergunning kunnen opleveren voor eiser. Ook heeft de minister geen inhoudelijke reactie gegeven op wat eiser heeft aangevoerd in zijn zienswijze. Evenmin heeft de minister de inhoud van de tijdens het nader gehoor overgelegde documenten beoordeeld en betrokken in het bestreden besluit. Deze overgelegde documenten zijn ook niet gevoegd in het digitale asieldossier van eiser, zodat eisers gemachtigde daarvan geen kennis heeft kunnen nemen via het digitale asieldossier. De minister heeft dan ook in strijd met de samenwerkingsplicht en het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld.



5.2.
De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid mag beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’. Dit in aanmerking genomen volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat eisers problemen ongeloofwaardig zijn. De beroepsgrond slaagt dus niet. De rechtbank licht dat oordeel hierna verder toe voor de verschillende onderdelen van het asielmotief die de minister in het bestreden besluit onderscheidt en aan de hand van dat wat eiser daartegen heeft aangevoerd.



Heeft eiser een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven?

6. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser tijdens het aanmeldgehoor lacherig reageerde op de gestelde vragen en intimiderend reageerde richting de hoormedewerker na een vraag over militaire dienst. De rechtbank is het ook met de minister eens dat eiser daarmee niet de indruk heeft gewekt het gehoor op een serieuze wijze te hebben benaderd. Vervolgens heeft eiser tijdens het nader gehoor voldoende gelegenheid gekregen zijn problemen toe te lichten. De minister werpt hem terecht tegen dat hij voortdurend warrig, langdradig en onsamenhangend heeft verklaard, ondanks dat hem meermaals is gevraagd om onderdelen van zijn relaas concreet te maken. Zo heeft eiser ten aanzien van de stelling dat een in 1908 gebouwde toren zou zijn verwijderd, niet concreet gemaakt wat er met de monumentale toren zou zijn gebeurd, waarom die toren een waarde zou hebben van 23 miljoen dollar en heeft hij dit ook niet met stukken onderbouwd, terwijl het verdwijnen van een monumentale toren ook in Nigeria niet ongemerkt zal zijn gebleven. Met betrekking tot eisers verklaring dat hij zou hebben ontdekt dat de Nederlandse en Britse overheden en Shell grondstoffen van Zuid-Nigeria hebben gestolen en hieraan hebben verdiend heeft eiser niet toegelicht wat hij dan heeft ‘ontdekt’ dat niet bekend zou zijn. Dat blijkt ook niet uit het door eiser zelf opgestelde stuk, waarbij ook niet geverifieerd kan worden waar hij de informatie in dat stuk vandaan heeft gehaald en eiser niet heeft toegelicht hoe het stuk – dat zeer uitvoerig is – zijn relaas onderbouwt. De minister heeft tijdens de zitting bovendien terecht naar voren gebracht dat wat in deze stukken staat grotendeels een herhaling is van eisers vage en onsamenhangende verklaringen tijdens het nader gehoor, zodat de rechtbank de minister volgt in zijn standpunt dat hij hier niet verder op in heeft hoeven gaan. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat de inhoud van die stukken ten onrechte niet is betrokken bij de beoordeling. Ook heeft de minister in dit verband terecht tegengeworpen dat eiser niet heeft toegelicht waarom hij vanwege deze ontdekking bij terugkeer in Nigeria een probleem zou krijgen. De verklaring dat hij niet kan terugkeren omdat hij een diefstal van 23 miljoen dollar en 88,8 triljoen dollar wereldwijd heeft blootgelegd, en de retorische vraag of de hoormedewerker denkt dat hij terug kan keren naar Nigeria, zijn in dat verband onvoldoende. Ook verder heeft eiser op de vragen van de gehoormedewerker warrig en vaag geantwoord. Zelfs op de inleidende, vragen of eiser problemen had vanwege bijvoorbeeld zijn politieke overtuigingen of etniciteit, waarop hij alleen met “ja” of “nee” hoefde te antwoorden, gaf eiser geen duidelijke antwoorden. Bij dit alles heeft de minister ook terecht tegengeworpen dat uit het medisch advies van 25 november 2025, noch anderszins blijkt dat eiser niet in staat zou zijn normaal te verklaren. De minister heeft dan ook terecht tegengeworpen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven.




Vormen eisers verklaringen een samenhangend en aannemelijk geheel en kan eiser in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd?




6.1.
Uit wat hiervoor is overwogen over eisers houding en verklaringen volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.



6.2.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn betoog dat de minister niet kenbaar zou hebben gemaakt waarom wat eiser heeft verklaard niet kan leiden tot het verlenen van een asielvergunning. De rechtbank volgt ook niet dat de minister onvoldoende is ingegaan op wat eiser over zijn problemen heeft aangevoerd in zijn zienswijze. Daarin heeft eiser immers volstaan met een verwijzing naar het zelf opgestelde, vage en onsamenhangende stuk dat eiser bij het nader gehoor heeft overgelegd. De rechtbank heeft eerder in deze uitspraak al overwogen dat de minister hier terecht weinig waarde aan heeft toegekend. Ten slotte heeft de minister door het stuk van eiser pas later toe te voegen aan het digitale dossier niet dermate onzorgvuldig gehandeld dat dit een gebrek oplevert. Eiser is namelijk niet in zijn belangen geschaad, nu hij desondanks voldoende tijd heeft gehad om het stuk tot zich te nemen en erop te reageren. Hoewel het een omvangrijk stuk is, wordt daarin ook grotendeels herhaald wat eiser al in het nader gehoor heeft verklaard, zoals eerder in deze uitspraak is overwogen. Bovendien heeft eiser pas in de beroepsgronden geklaagd over de handelwijze van de minister.



Is er terecht een terugkeerbesluit en een inreisverbod aan eiser opgelegd?

7. Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet in stand kunnen blijven. Eiser heeft namelijk rechtmatig verblijf in Italië. Een kopie van zijn (verlopen) Italiaanse verblijfsvergunning en zijn geldige Italiaanse identiteitsbewijs bevinden zich in het dossier. Eiser heeft voordat hij vertrok uit Italië verzocht om verlenging van zijn Italiaanse verblijfsvergunning. Die nieuwe verblijfsvergunning is wel afgegeven, maar toen was eiser al vertrokken naar Nederland als gevolg van de persoonlijke problemen die hij had in Italië. Eiser zal bij een onherroepelijke afwijzing van zijn asielaanvraag de gelegenheid moeten krijgen om zelfstandig terug te kunnen keren naar Italië.




7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft terecht een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd. De minister heeft er terecht op gewezen dat uit het resultaat van het Dublinonderzoek van 13 januari 2025 niet is gebleken dat eiser een geldige verblijfsstatus heeft in Italië. Daaruit komt alleen naar voren dat eiser een werkvergunning heeft gehad, die op 13 december 2023 is verlopen. Dat eiser nog wél een verblijfsvergunning of anderszins rechtmatig verblijf heeft in Italië, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Eiser heeft in de besluitvormingsfase een nog geldige Italiaanse identiteitskaart overgelegd die kennelijk na het verlopen van de werkvergunning is verstrekt, maar die maakt de conclusie niet anders. De identiteitskaart is slechts een door de gemeente afgegeven identificatiedocument en zegt niets over eisers verblijfsstatus. Het resultaat van het eerdergenoemde Dublinonderzoek is bovendien van een latere datum dan die waarop de identiteitskaart is verstrekt. Daaruit volgt dus niet dat eiser een verblijfsrecht in Italië heeft. Verder doet eisers stelling dat hij voor zijn vertrek uit Italië om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft gevraagd in dit verband niet ter zake. Uit artikel 6, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt weliswaar dat een lidstaat overweegt om geen terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijvende onderdaan van een derde land voor wie een procedure loopt voor de verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, maar dat ziet alleen op vreemdelingen die in die lidstaat om verlenging hebben gevraagd. Hier zou eiser in Italië om een verlenging van zijn verblijfsrecht hebben gevraagd, zodat dat geen reden vormt om van Nederland te verlangen geen terugkeerbesluit op te leggen.



Verzoek tot heropening

8. Eiser heeft op 15 mei 2026, twee dagen na het sluiten van het onderzoek op de zitting, de rechtbank verzocht om het onderzoek te heropenen. Eiser heeft hierbij een e-mail van de Italiaanse ambassade overgelegd, waarin wordt bevestigd dat eiser een verlengingsprocedure van zijn werkvergunning in Italië in gang had gezet en dat hij daartoe zijn vingerafdrukken moet afgeven bij de Italiaanse autoriteiten.




8.1.
De rechtbank wijst het verzoek om heropening van de zaak af. Uit de e-mail blijkt weliswaar dat eiser inderdaad een verlenging van zijn verlopen werkvergunning in gang heeft gezet, maar niet dat hij om die reden rechtmatig verblijf heeft in Italië. Dat eiser op een andere grond rechtmatig verblijf heeft in Italië, blijkt evenmin uit de e-mail. Zoals hiervoor overwogen doet een eventueel nog lopende procedure tot verlenging van het verblijfsrecht in Italië niet af aan het opleggen van een terugkeerbesluit door Nederland, zodat deze nieuwe stukken voor de uitkomst niet relevant zijn.



Melding ‘met onbekende bestemming (mob) vertrokken’

9. Bij bericht van 14 augustus 2026 heeft de minister laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 17 augustus 2026 laten weten dat hij nog contact heeft met eiser. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en nader onderzoek te doen naar de ontvankelijkheid van het beroep. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat zij volgens vaste rechtspraak van de Afdeling voorzichtig moet omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding.





Conclusie en gevolgen


10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 29, eerste lid aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).


Artikel 31, zesde lid, onder a, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).


Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).


Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).


Hof van Justitie 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.


Idem, pagina 8.


Idem, pagina’s 11-12.


Op grond van artikel 34, derde lid, van de Dublinverordening (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).


Richtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de raad van 16 december 2008
over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen
van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven


zie ook Aanbeveling (EU) 2017/2338 van de commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk „terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken, punt 5.7.


Op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb.


ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.7.