Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26004
2026-08-05
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.21432 en NL26.21433
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
herhaald en ingelast, artikel 3 EVRM, artikel 4 Handvest, interstatelijk vertrouwensbeginsel, vrees voor geen opvang, arrest Jawo, artikel 17 Dvo
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2019:218
- ECLI:NL:RVS:2024:1806 Raad van State 01-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.433 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.21432 en NL26.21433
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Litouwen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1999 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Litouwen verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt hetgeen zij eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiseres stelt dat zij bij terugkeer in Litouwen een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest. Volgens eiseres is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. Eiseres stelt dat ten aanzien van Litouwen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ze moest in Litouwen gedwongen haar vingerafdrukken afgeven en zij is daar in gevangenissen gezet, waaraan zij trauma heeft overgehouden. Eiseres vreest dat ze bij overdracht geen opvang zal kunnen krijgen en stelt dat ze in Litouwen niet effectief kan ageren bij de Litouwse autoriteiten. Volgens eiseres is er voldoende reden om aan te nemen dat ze terecht zal komen in een situatie die de drempel van zwaarwegendheid bereikt, zoals beschreven in het arrest Jawo. Tot slot stelt eiseres dat verweerder gelet op de genoemde ervaringen van eiseres en haar trauma de asielaanvraag onverplicht aan zich toe te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiseres eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat verweerder uit eigen beweging ook rekening moet houden met relevante en objectieve informatie over Litouwen. Hij mag een vreemdeling niet overdragen als hij niet onkundig kan zijn van de omstandigheid dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zijn waardoor een vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 mei 2024 bevestigd dat verweerder ten opzichte van Litouwen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling is bij haar beoordeling ingegaan op toegang tot de asielprocedure van vreemdelingen die terugkeren onder de Dublinverordening, detentieomstandigheden en opvangvoorzieningen. Zo heeft de Afdeling geoordeeld dat uit recente stukken niet blijkt dat Dublin-terugkeerders structureel worden gedetineerd en dat de opvang- en detentieomstandigheden in Litouwen zijn verbeterd. Hierdoor is geen sprake van strijd met artikel 4 van het Handvest. De druk op de opvang- en detentiecentra is sterk afgenomen, er zijn maatregelen genomen om het opvangsysteem te verbeteren en het opvangsysteem is ook verbeterd. Daarnaast zijn er procedures aanwezig om een klacht in te dienen of beroep in te stellen over de opvang- en detentie-omstandigheden of een afwijzend asielbesluit.
6.2.
Eiseres verklaring over wat zij in Litouwen heeft meegemaakt, maakt dit niet anders. Eiseres heeft niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat zij na overdracht aan Litouwen geconfronteerd zal worden met een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest of geen opvang zal kunnen krijgen. De verklaring van eiseres dat ze in Litouwen gedwongen haar vingerafdrukken moest afgeven, geeft geen beeld van de structurele tekortkomingen als hiervoor bedoeld. De rechtbank merkt daarbij op dat lidstaten op grond van de Eurodac-verordening verplicht zijn om vreemdelingen te registreren die het grondgebied van de lidstaten illegaal binnenkomen. Wat betreft de vrees van eiseres om in bewaring te worden genomen in Litouwen geldt dat de bevoegdheid van Litouwen om vreemdelingen in bewaring te nemen in internationale afspraken is vastgelegd. Verweerder mag erop vertrouwen dat Litouwen zich daaraan houdt. Eiseres heeft ook niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat klagen bij voorkomende problemen in Litouwen niet mogelijk of zinloos is. De enkele stelling dat zij geen beklag kon doen over haar situatie is in dat verband onvoldoende. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eiseres bij voorkomende problemen in Litouwen daarover een klacht kan indienen bij de Litouwse autoriteiten.
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan verweerder asielaanvragen onverplicht aan zich trekken. Een dergelijke discretionaire bevoegdheid toetst de rechtbank terughoudend. Verweerder maakt van deze bevoegdheid onder meer gebruik in het geval van bijzondere, individuele omstandigheden die getuigen van onevenredige hardheid.
7.1.
Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om haar asielaanvraag met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Eiseres heeft haar gestelde trauma geenszins onderbouwd met medische documenten of ander bewijs. Daarnaast mag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit worden gegaan dat de medische voorzieningen in Litouwen van een vergelijkbare kwaliteit zijn als die in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:1806.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.21432 en NL26.21433
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Litouwen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1999 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Litouwen verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt hetgeen zij eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiseres stelt dat zij bij terugkeer in Litouwen een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest. Volgens eiseres is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. Eiseres stelt dat ten aanzien van Litouwen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ze moest in Litouwen gedwongen haar vingerafdrukken afgeven en zij is daar in gevangenissen gezet, waaraan zij trauma heeft overgehouden. Eiseres vreest dat ze bij overdracht geen opvang zal kunnen krijgen en stelt dat ze in Litouwen niet effectief kan ageren bij de Litouwse autoriteiten. Volgens eiseres is er voldoende reden om aan te nemen dat ze terecht zal komen in een situatie die de drempel van zwaarwegendheid bereikt, zoals beschreven in het arrest Jawo. Tot slot stelt eiseres dat verweerder gelet op de genoemde ervaringen van eiseres en haar trauma de asielaanvraag onverplicht aan zich toe te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiseres eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat verweerder uit eigen beweging ook rekening moet houden met relevante en objectieve informatie over Litouwen. Hij mag een vreemdeling niet overdragen als hij niet onkundig kan zijn van de omstandigheid dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zijn waardoor een vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 mei 2024 bevestigd dat verweerder ten opzichte van Litouwen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling is bij haar beoordeling ingegaan op toegang tot de asielprocedure van vreemdelingen die terugkeren onder de Dublinverordening, detentieomstandigheden en opvangvoorzieningen. Zo heeft de Afdeling geoordeeld dat uit recente stukken niet blijkt dat Dublin-terugkeerders structureel worden gedetineerd en dat de opvang- en detentieomstandigheden in Litouwen zijn verbeterd. Hierdoor is geen sprake van strijd met artikel 4 van het Handvest. De druk op de opvang- en detentiecentra is sterk afgenomen, er zijn maatregelen genomen om het opvangsysteem te verbeteren en het opvangsysteem is ook verbeterd. Daarnaast zijn er procedures aanwezig om een klacht in te dienen of beroep in te stellen over de opvang- en detentie-omstandigheden of een afwijzend asielbesluit.
6.2.
Eiseres verklaring over wat zij in Litouwen heeft meegemaakt, maakt dit niet anders. Eiseres heeft niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat zij na overdracht aan Litouwen geconfronteerd zal worden met een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest of geen opvang zal kunnen krijgen. De verklaring van eiseres dat ze in Litouwen gedwongen haar vingerafdrukken moest afgeven, geeft geen beeld van de structurele tekortkomingen als hiervoor bedoeld. De rechtbank merkt daarbij op dat lidstaten op grond van de Eurodac-verordening verplicht zijn om vreemdelingen te registreren die het grondgebied van de lidstaten illegaal binnenkomen. Wat betreft de vrees van eiseres om in bewaring te worden genomen in Litouwen geldt dat de bevoegdheid van Litouwen om vreemdelingen in bewaring te nemen in internationale afspraken is vastgelegd. Verweerder mag erop vertrouwen dat Litouwen zich daaraan houdt. Eiseres heeft ook niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat klagen bij voorkomende problemen in Litouwen niet mogelijk of zinloos is. De enkele stelling dat zij geen beklag kon doen over haar situatie is in dat verband onvoldoende. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eiseres bij voorkomende problemen in Litouwen daarover een klacht kan indienen bij de Litouwse autoriteiten.
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan verweerder asielaanvragen onverplicht aan zich trekken. Een dergelijke discretionaire bevoegdheid toetst de rechtbank terughoudend. Verweerder maakt van deze bevoegdheid onder meer gebruik in het geval van bijzondere, individuele omstandigheden die getuigen van onevenredige hardheid.
7.1.
Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om haar asielaanvraag met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Eiseres heeft haar gestelde trauma geenszins onderbouwd met medische documenten of ander bewijs. Daarnaast mag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit worden gegaan dat de medische voorzieningen in Litouwen van een vergelijkbare kwaliteit zijn als die in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:1806.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.