Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25872

2026-09-04 Bestuursrecht; Omgevingsrecht SGR 26/6430 en 26/6431
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 26/6430 en 26/6431
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vovo; opgelegde lasten onder dwangsom; nachtvissen; vissportcentrumactiviteiten; horeca; illegale overnachting; onjuist gebruik van de bedrijfswoning; verzoeken afgewezen

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.220 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummers: SGR 26/6430 en 26/6431

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 september 2026 in de zaken tussen




[verzoeker 1] h.o.d.n. [handelsnaam], uit [woonplaats], verzoeker I (SGR 26/6430)
(gemachtigde: mr. J.J. Turenhout), en



[verzoekers 2, sub 1] en [verzoekers 2, sub 2], uit [woonplaats], verzoekers II (SGR 26/6431)(gemachtigde: mr. J.J. Turenhout),

tezamen: verzoekers


en


het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, het college
(gemachtigde: mr. M. van Eck).


Samenvatting


1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de door het college aan verzoekers opgelegde lasten onder dwangsom ten aanzien van het perceel met de adressen [adres 1] en [adres 2] in [plaats]. Verzoekers zijn het niet eens met de opgelegde lasten onder dwangsom. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.



1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop


2. Met het besluit van 9 juli 2026 (bestreden besluit I) heeft het college verzoeker I gelast om twee overtredingen van de ter plaatse geldende bestemming(en) op grond van het omgevingsplan te beëindigen en beëindigd te houden.



2.1.
Met het besluit van 9 juli 2026 (bestreden besluit II) heeft het college verzoekers II gelast om drie overtredingen van de ter plaatse geldende bestemming(en) op grond van het omgevingsplan te beëindigen en beëindigd te houden.



2.2.
Verzoeker I heeft bezwaar gemaakt tegen bestreden besluit I en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (SGR 24/6430).



2.3.
Verzoekers II hebben bezwaar gemaakt tegen bestreden besluit II en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (SGR 24/6431).



2.4.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.



2.5.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers II, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het college.




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Totstandkoming van het bestreden besluit




3. Verzoekers II zijn sinds 29 januari 2015 de eigenaren van het perceel met de adressen [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats]. Verzoeker I is de gebruiker van dit perceel. Dit perceel bestaat uit de volgende onderdelen: a) het hoofdperceel; b) meerdere (indirect) met het hoofdperceel verbonden eilanden; c) water dat direct aan de onderdelen a en b grenst; end) water dat op (iets) grotere afstand van de onderdelen a en b ligt.



3.1.
Ter plaatse geldt het “Omgevingsplan gemeente Nieuwkoop”. De bestemmingsplannen “Noorden, Woerdense Verlaat en Vrouwenakker, +1° herziening” en “Landelijk gebied Nieuwkoop, +1° herziening” maken op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als tijdelijk deel onderdeel uit van het omgevingsplan.



3.2.
Het hoofdperceel en de daaraan verbonden eilanden liggen binnen het plangebied “Bestemmingsplan Noorden, Woerdense Verlaat en Vrouwenakker, +1° herziening”. Op deze gronden rust de bestemming “Horeca”. Op delen van het hoofdperceel rusten bovendien de aanduidingen “bedrijfswoning” en “specifieke vorm van horeca – vissportcentrum”. Het deel van het water dat direct grenst aan de onderdelen a en b ligt ook binnen het plangebied “Bestemmingsplan Noorden, Woerdense Verlaat en Vrouwenakker, +1° herziening”. Op deze gronden rust de bestemming “Water”.Het merendeel van het tot het perceel behorende water alsmede de daarin aanwezige eilanden ligt binnen het plangebied “Landelijk gebied Nieuwkoop, +1° herziening”. Op deze gronden rust de bestemming “Natuur”. Op één van deze eilanden staat een kleine horecagelegenheid, waarvoor op 30 juli 2024 een omgevingsvergunning is verleend. In de voorschriften behorende bij deze omgevingsvergunning is opgenomen dat de kleine horecagelegenheid (onder andere) niet gebruikt mag worden als vissportcentrum.



3.3.

Naar aanleiding van meerdere meldingen vanuit de omgeving dat op het perceel activiteiten plaatsvinden die mogelijk in strijd zijn met het ter plaatse geldende omgevingsplan, heeft het college op 22 januari 2025 een controle uitgevoerd op het perceel.
Tijdens deze controle is geconstateerd dat op het perceel meerdere activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met de regels van het omgevingsplan. Deze constateringen zijn vastgelegd in het controlerapport van 3 februari 2025. Op 20 maart 2025 heeft het college een digitaal controlerapport opgesteld, waarin schermafbeeldingen zijn opgenomen waaruit volgens het college eveneens blijkt dat sprake is van meerdere activiteiten die plaatsvinden in strijd met de regels van het omgevingsplan.




3.4.
Tijdens deze controles zijn, onder meer, de volgende overtredingen geconstateerd:1) vissportcentrumactiviteiten en meerdere illegale aanlegplekken op perceeldelen waar dit niet toegestaan is;2) illegale overnachting op het perceel;3) onjuist gebruik van de bedrijfswoning.


3.5.
Het college heeft op 24 maart 2025 het voornemen tot het opleggen van lasten onder dwangsom aan verzoekers bekendgemaakt. Verzoekers hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze in te dienen.



3.6.
Op 3 april 2026 heeft het college opnieuw een controle uitgevoerd op het perceel. De bevindingen, die aansluiten bij de eerdere constateringen, zijn vastgelegd in het controlerapport van 8 april 2026. Vanwege het tijdsverloop tussen het voornemen en deze controle heeft het college aan verzoekers medegedeeld dat het nog altijd voornemens is om handhavend op te treden. Het college heeft verzoekers daarbij in de gelegenheid gesteld om een aanvullende zienswijze in te dienen. Verzoekers hebben gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Op 24 juni 2026 heeft het college opnieuw een digitaal controlerapport opgesteld met opnieuw constateringen die aansluiten bij de vorige.



3.7.
Omdat het college in de door verzoekers ingediende zienswijzen geen aanleiding heeft gezien om van het voornemen tot het opleggen van lasten onder dwangsom af te zien, heeft het college met de bestreden besluiten I en II lasten onder dwangsom opgelegd aan verzoekers.



3.8.
Met bestreden besluit I heeft het college verzoeker I gelast om:1) er binnen acht weken zorg voor te dragen dat de vissportcentrumactiviteiten die plaatsvinden vanaf andere percelen dan het hoofdperceel gestaakt worden en gestaakt blijven en de voorzieningen – waaronder tafels, stoelen, een wasbak, boten en de motoren – die gebruikt worden ten behoeve van het vissportcentrum te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.500,- per overtreding tot een maximum van € 15.000,-; 2) er binnen acht weken zorg voor te dragen dat vissers niet op het perceel slapen en geen voorzieningen (zoals volwaardige tenten) beschikbaar te stellen aan vissers die het mogelijk maken om op het perceel te slapen, op straffe van een dwangsom van € 1.500,- per overtreding tot een maximum van € 15.000,-.



3.9.

Met bestreden besluit II heeft het college verzoekers II gelast om:1) er binnen acht weken zorg voor te dragen dat de vissportcentrumactiviteiten die plaatsvinden vanaf andere percelen dan het hoofdperceel gestaakt worden en gestaakt blijven en de voorzieningen – waaronder tafels, stoelen, een wasbak, aanlegplekken en de motoren – die gebruikt worden ten behoeve van het vissportcentrum te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.500,- per overtreding tot een maximum van € 15.000,-;
2) er binnen acht weken zorg voor te dragen dat visser niet op het perceel slapen en geen voorzieningen (zoals volwaardige tenten) beschikbaar te stellen aan vissers die het mogelijk maken om op het perceel te slapen, op straffe van een dwangsom van € 1.500,- per overtreding tot een maximum van € 15.000,-;
3) binnen zes maanden het gebruik van de bedrijfswoning te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 1.500,- per overtreding tot een maximum van € 15.000,-.




Spoedeisend belang




4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.




De vissportcentrumactiviteiten en de illegale overnachting





4.1.
Aangezien de begunstigingstermijnen voor de onderdelen met betrekking tot de vissportcentrumactiviteiten die plaatsvinden vanaf andere percelen dan het hoofdperceel en de illegale overnachting op het perceel op 24 september verstrijken en verzoekers dus als zij geen uitvoering geven aan de lasten – vanaf dat moment ten aanzien van onderdelen 1 en 2 dwangsommen kunnen verbeuren tot een maximum van € 30.000,- per partij, hebben zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter spoedeisend belang bij hun verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van deze onderdelen van de lasten onder dwangsom.



De bedrijfswoning





4.2.
Nu ten aanzien van de bedrijfswoning een last is opgelegd met een begunstigingstermijn tot en met 9 januari 2027, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers II geen spoedeisend belang hebben bij hun verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van de bedrijfswoning. De maximale beslistermijn op het bezwaar loopt conform artikel 7:10 van de Awb ruim voor het verstrijken van de begunstigingstermijn af en de bezwaarprocedure zal, naar verwachting van het college, voor het verstrijken van de begunstigingstermijn zijn afgerond. Gelet hierop, valt niet in te zien waarom verzoekers II de uitkomst van de bezwaarprocedure ten aanzien van dit onderdeel niet kunnen afwachten. Dat verzoekers II, zoals zij ter zitting hebben aangevoerd, wel behoefte hebben aan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel ten aanzien van dit onderdeel, maakt het voorgaande niet anders.



4.3.
Als er geen sprake is van een spoedeisend belang, kan alleen nog een voorlopige voorziening worden getroffen als sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure stand zal houden. In wat verzoekers II naar voren hebben gebracht ten aanzien van dit onderdeel ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.






Is sprake van overtredingen?





Vissportcentrumactiviteiten




5. Verzoekers voeren aan dat de op het perceel aanwezige voorzieningen ter plaatse zijn toegestaan, omdat het gaat om voorzieningen ten dienste van de horecabestemming, zoals bedoeld in artikel 9.1, aanhef en onder l, van de planregels.




5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de voorzieningen niet ten dienste van de horecabestemming aanwezig kunnen zijn, omdat momenteel geen horeca-activiteiten plaatsvinden op het perceel. Ter zitting heeft het college toegelicht dat bij de controles stelselmatig is gebleken dat bij de kleine horecagelegenheid geen exploitant of uitbater aanwezig was, zodat geconcludeerd moet worden dat de voorzieningen alleen ten dienste staan van de vissers en dat sprake is van vissportcentrumactiviteiten, hetgeen niet is toegestaan omdat de aanduiding aanduiding ‘specifieke vorm van horeca - vissportcentrum' enkel rust op het hoofdperceel en niet op de andere onderdelen van het perceel.



5.1.

Op grond van artikel 9.1, van de regels van het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Noorden, Woerdense Verlaat en Vrouwenakker, +1° herziening” zijn de voor ‘Horeca’ aangewezen gronden, voor zover relevant bestemd voor: a. horeca tot en met horecacategorie 2, conform bijlage 3 Lijst van horeca categorieën uitsluitend op de begane grond; […]
c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - vissportcentrum' op de verbeelding, een vissportcentrum;met de daarbij behorende:
[…]
l. andere voorzieningen ten dienste van de bestemming.




5.2.
Op grond van artikel 1.73 van de regels van het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Noorden, Woerdense Verlaat en Vrouwenakker, +1° herziening” wordt onder “vissportcentrum” verstaan een bedrijf gericht op het bieden van voorzieningen voor uitoefening van het vangen van vissen zonder professioneel aspect maar alleen voor het genot of om de competitie aan te gaan met andere sportvissers.



5.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college terecht geconcludeerd dat de aanwezige voorzieningen – waaronder de tafels, stoelen en de wasbak – niet ten dienste van de ter plaatse geldende horecabestemming worden gebruikt. Het college heeft met de controlerapporten voldoende onderbouwd dat ter plaatse geen horeca-activiteiten plaatsvinden, nu is gebleken dat ter plaatse van de kleine horecagelegenheid geen exploitant of uitbater aanwezig is. Verzoekers hebben dit ook niet gemotiveerd weerlegd. Dat de voorzieningen op zichzelf ten dienste van een horecabestemming aanwezig kunnen zijn, maakt niet dat daarvan in dit geval ook sprake is. Op basis van de beschikbare stukken gaat het naar voorlopig oordeel om voorzieningen die worden gebruikt ten behoeve van vissportcentrumactiviteiten. Nu op deze gronden geen aanduiding “specifieke vorm van horeca – vissportcentrum” rust is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een overtreding.



5.4.
Verzoekers betogen dat ten aanzien van de boten, aanlegplekken en steigers geen sprake is van strijd met de ter plaatse geldende planregels. Volgens hen zijn bij de bestemming “Water” behorende steigers en aanlegplekken voor pleziervaartuigen op grond van artikel 16.1, aanhef en onder j, van de regels van de planregels toegestaan en zijn daarom ook pleziervaartuigen toegestaan ter plaatse van de bestemming “Water”.



5.5.
Op grond van artikel 16.1, aanhef en onder j, van de regels van het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Noorden, Woerdense Verlaat en Vrouwenakker, +1° herziening” zijn de voor “Water” aangewezen gronden, voor zover relevant, bestemd voor:
a. het ontvangen, bergen en/of afvoeren van water ten dienste van de waterhuishouding met de daarbij behorende werken en bouwwerken;

[…]met daarbij behorende:[…]
j. steigers en aanleggelegenheden voor pleziervaartuigen;




5.6.
Op grond van artikel 1.60 van de regels van het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Noorden, Woerdense Verlaat en Vrouwenakker, +1° herziening” wordt onder “pleziervaartuig” verstaan een vaartuig, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie.



5.7.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college terecht geconcludeerd dat de boten van verzoekers geen pleziervaartuigen zijn. De boten van verzoekers worden bedrijfsmatig verhuurd en worden slechts gebruikt als vervoermiddel om de visstekken te bereiken. Nu de boten van verzoekers niet zijn aan te merken als “pleziervaartuigen” is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook ten aanzien van de boten, aanlegplekken en steigers sprake van een overtreding.



5.8.
Hieruit vloeit voort dat het college bevoegd was om onderdeel 1 van de lasten onder dwangsom op te leggen aan verzoekers.



Illegale overnachtingen




6. Verzoekers betwisten dat er vissers op het perceel slapen. Volgens verzoekers stellen zij geen middelen ter beschikking om te overnachten en nemen de vissers zelf tenten mee om te schuilen tijdens het nachtvissen. Deze tenten kunnen een behoorlijke omvang hebben omdat de vissers veel spullen zoals hengels, vistuig, (leef)netten en stoelen bij zich hebben. Bovendien stellen verzoekers dat (nacht)vissen moet worden aangemerkt als extensief recreatief medegebruik en niet als recreatief nachtverblijf.




6.1.
Het college stelt zich in de bestreden besluiten op het standpunt dat wel degelijk op het perceel wordt overnacht. Het college wijst er daarbij op dat verzoekers arrangementen aanbieden voor een midweek, een weekend of een week en dat hierbij tenten worden aangeboden aan de gebruikers van de arrangementen.



6.2.
Op grond van het bestemmingsplan “Landelijk gebied Nieuwkoop, 1e herziening” rust de bestemming “Natuur” op deze gronden. Deze gronden zijn (mede) bedoeld voor (ondergeschikt) extensief recreatief medegebruik. Hieronder vallen op grond van artikel 1.35 van de planregels vormen van dagrecreatief medegebruik van gronden met een extensief karakter, zoals wandelen, fietsen, paardrijden en sportvissen. Op grond van artikel 1.32 van de planregels is dagrecreatie een vorm van recreatie waarbij geen recreatief nachtverblijf is toegestaan.



6.3.
De voorzieningenrechter is op grond van deze planregels in samenhang bezien van oordeel dat het op gronden met de bestemming “Natuur” niet is toegestaan om te slapen, ook niet overdag. De voorzieningenrechter acht het hoogst onwaarschijnlijk dat vissers die een visstek voor een midweek, weekend, of een week huren, niet ook slapen in de aanwezige tenten. Onduidelijk is ook gebleven waar de vissers dan wel zouden verblijven tijdens hun slaapperiode. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat is geconstateerd – en ook niet door verzoekers is bestreden – dat in meerdere tenten bedden stonden. De stelling van verzoekers dat vissers vanaf hun bed vissen valt niet te begrijpen, te meer niet nu de tenten niet met de opening naar het water zijn gericht. Dat verzoekers betogen dat nachtvissen het primaire doel van de vissers is, maakt het voorgaande niet anders. Wanneer iemand meerdere achtereenvolgende nachten vist, moet hij immers ook ergens slapen. In het licht van het voorgaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van extensief recreatief medegebruik, zodat sprake is van een overtreding.



6.4.
Hieruit vloeit voort dat het college bevoegd was om onderdeel 2 van de lasten onder dwangsom op te leggen aan verzoekers



Beginselplicht tot handhaving



7. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.



Duidelijkheid van de lasten



8. Verzoekers betogen dat de opgelegde lasten onder dwangsom niet voldoende duidelijk zijn. Volgens verzoekers is het onduidelijk welke voorzieningen niet op het perceel zijn toegestaan, omdat deze voorzieningen ook ten dienste van de horecabestemming aanwezig kunnen zijn.



8.1.
Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen.


8.2.
De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in het betoog dat de lasten onduidelijk zijn geformuleerd. De voorzieningen waarop onderdeel 1 van de lasten onder dwangsom gericht is worden niet limitatief opgesomd. Dit blijkt uit de omstandigheid dat zij vooraf worden gegaan door het woord “waaronder”. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mag van verzoekers worden verwacht dat zij weten wanneer een voorziening ten dienste van de horecabestemming wordt gebruikt en wanneer deze ten dienste van vissportcentrumactiviteiten wordt gebruikt.



Handhaafbaarheid van de lasten



9. Voor zover verzoekers hebben aangevoerd dat het college niet heeft geconstateerd dat daadwerkelijk wordt geslapen op het perceel, overweegt de voorzieningenrechter dat het college ter zitting heeft toegelicht dat weliswaar nog geen toezichthouder in de nacht heeft gecontroleerd, maar dat het daartoe wel de mogelijkheid heeft. Dat controle op de naleving van onderdeel 2 van de lasten onder dwangsom niet mogelijk zou zijn, is dan ook niet aannemelijk geworden.



Uitvoerbaarheid van de lasten



10. Voor zover verzoekers aanvoeren dat zij de lasten niet kunnen uitvoeren, omdat zij er geen grip op hebben dat op het perceel wordt geslapen, overweegt de voorzieningen-rechter dat zij daartoe meerdere maatregelen kunnen treffen, zoals ook door het college is vermeld. De voorzieningenrechter geeft verzoekers daarbij mee dat zij, onder meer, kunnen stoppen met het aanbieden van arrangementen voor een midweek, weekend of week en dat zij een verbod op het slapen kunnen opnemen in de huisregels.



Is sprake van bijzondere omstandigheden?





Concreet zicht op legalisatie



11. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van concreet zicht op legalisatie, omdat niet is gebleken van een ontvankelijke aanvraag ter legalisering van de hiervoor genoemde overtredingen. Bovendien heeft het college aangegeven niet bereid te zijn om mee te werken aan vergunningverlening. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat in beginsel het enkele feit volstaat dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor planologisch afwijkend gebruik te verlenen.



Geringe aard en ernst



12. Verzoekers voeren aan dat de overtredingen een dusdanig geringe ruimtelijke impact heeft, dat handhavend optreden onevenredig is. Verzoekers achten hierbij van belang dat de boten er al decennialang liggen en dat een pleziervaartuig geen andere ruimtelijke uitstraling heeft dan een boot die verhuurd wordt ten behoeve van het vissportcentrum.



12.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van overtredingen van geringe aard en ernst, omdat de boten die worden verhuurd ten behoeve van het vissportcentrum een wezenlijk ander gebruik hebben dan het gebruik van boten overeenkomstig de ter plaatse geldende bestemming. De voorzieningenrechter kan daarbij het college volgen in het standpunt dat het bedrijfsmatig gebruiken van de boten leidt tot een intensiever gebruik dan het gebruik van een pleziervaartuig. Dat de boten er al decennialang liggen, maakt het voorgaande – nog daargelaten of het planologisch regime al die tijd hetzelfde was – niet anders. Ook het betoog van verzoekers dat geen belangen van derden in het geding zijn, volgt de voorzieningenrechter niet. Uit overweging 3.3. volgt immers dat het handhavingstraject is opgestart naar aanleiding van meerdere meldingen van omwonenden.




Conclusie en gevolgen


13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van verzoekers II ten aanzien van onderdeel 3 van bestreden besluit II af vanwege het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening.
13. Gelet op hetgeen verder is overwogen, verwacht de voorzieningenrechter dat de bestreden besluit I en II ten aanzien van de onderdelen 1 en 2 bij de heroverweging in bezwaar stand zullen houden. De verzoeken zullen daarom worden afgewezen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2025 (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2025:678.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2918.