Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25804

2026-08-07 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/684314 / FA RK 25-3159
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/684314 / FA RK 25-3159
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Scheiding met nevenvoorzieningen. IPR.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.775 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 25-3159 (echtscheiding) en FA RK 25-9917 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/684314 (echtscheiding) en C/09/696900 (verdeling)
Datum beschikking: 7 augustus 2026


Scheiding met nevenvoorzieningen



Beschikking op het op 28 april 2025 ingekomen verzoek van:




[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.A. Ray te Rotterdam.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres in [land] ,
advocaat: mr. M.H.C. Morshuis te ’s-Gravenhage.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift, met bijlage;


het F9 formulier van 21 mei 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw;


het F9 formulier van 22 juli 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw;


het aanvullend verzoekschrift;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;


het verweer tegen het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoekschrift, met bijlagen;


het F9 formulier van 30 juni 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;


het F9 formulier van 30 juni 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;


het bericht van 9 juli 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw.




Op 10 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de man, bijgestaan door zijn advocaat.




Door de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd.




Feiten


Partijen zijn gehuwd op [datum] 1981 te [plaats 1] .


Partijen vrouw zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.


De man en de vrouw hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.





Verzoek en verweer
Het verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:


vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 801,- per maand, althans een bijdrage zoals door de rechtbank in goede justitie te bepalen;


vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform


het voorstel van de vrouw zoals opgenomen in punt 25 tot en met punt 35 van het aanvullend verzoekschrift;
- de man te veroordelen tot het betalen van een gebruiksvergoeding ter hoogte van 5% van de overwaarde van de woning te [land] aan de [adres] [plaats 2] , gedurende de periode dat de woning nog niet is verdeeld en verkocht aan een derde.
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.


De man voert– onder referte voor de echtscheiding – op dit moment nog verweer tegen het overige, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



Bovendien heeft de man, zelfstandig verzocht om de echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:



bepaling dat het bedrag aan partneralimentatie ten laste van de man, indien deze vastgesteld dient te worden, zal worden vastgesteld op nihil danwel op een dusdanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie meent te bepalen;


bepaling dat zolang de echtelijke woning te [land] aan de [adres] [plaats 2] onverdeeld blijft, althans gedurende een door de rechtbank te bepalen periode van tenminste zes maanden vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, de man jegens de vrouw bevoegd is om de bewoning en het gebruik van die woning voort te mogen zetten;


verklaring voor recht dat partijen de inboedel van de echtelijke woning in onderling overleg hebben verdeeld en voor wat betreft de inboedel niets meer van elkaar te vorderen hebben;


de (saldi per 28 april 2025 van de) bank- en spaarrekeningen op naam van de man genoemd onder randnummer 36 van het verweerschrift aan de man toe te delen, waarbij de man gehouden is de helft van de saldi per de peildatum aan de vrouw te voldoen;


de (saldi per 28 april 2025 van de) bank- en spaarrekeningen op naam van de vrouw genoemd onder randnummer 37 van het verweerschrift aan de vrouw toe te delen, waarbij de vrouw gehouden is de helft van de saldi per de peildatum aan de man te voldoen;


verklaring voor recht dat op de verkoop en verdeling van de echtelijke woning te [land] aan de [adres] [plaats 2] en op de verzochte gebruiksvergoeding [land] recht van toepassing is;


de vrouw te veroordelen binnen veertien dagen na de beschikking aan de man een afschrift af te geven van “mijnpensioenoverzicht.nl” op haar naam, alsmede een overzicht van het door de vrouw opgebouwde nabestaandenpensioen, voor zover daarop niet zichtbaar, alsmede een brief waaruit blijkt wat het aandeel van de man is in het door de vrouw opgebouwde pensioen, op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag of dagdeel dat de vrouw hieraan niet voldoet;


de vrouw te veroordelen binnen veertien dagen na de beschikking aan de man alle bankafschriften te verstrekken waaruit blijkt van de saldi van alle (mede) op haar naam staande bank- en spaarrekeningen per datum indiening verzoekschrift, op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag of dagdeel dat de vrouw hieraan niet voldoet;


de vrouw te veroordelen binnen veertien dagen na de beschikking aan de man alle bankafschriften te verstrekken waaruit blijkt van de door de vrouw gedane overboekingen tot een bedrag van € 7.000,-- van haar bankrekeningen, op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag of dagdeel dat de vrouw hieraan niet voldoet;


de vrouw te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.




De man verzoekt daarnaast voorwaardelijk – voor het geval uw rechtbank bevoegd zou zijn om kennis te nemen van het verzoek tot verdeling van de woning in [land] :



de vrouw te veroordelen om binnen één week na betekening van de beschikking haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het geven van een verkoopopdracht van de in gemeenschappelijke eigendom aan partijen toebehorende onroerende zaak aan de [adres] [plaats 2] te [land] , door het ondertekenen van de verkoopopdracht (inclusief privacy verklaring en acceptatie algemene voorwaarden) aan een nog nader door de man te noemen makelaar, dan wel aan een door uw rechtbank te benoemen makelaar. Deze makelaar taxateur zal -als partijen het niet eens zijn, partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;


te bepalen dat indien de vrouw niet binnen de genoemde termijn voldoet aan de veroordeling zoals hiervoor vermeld, de beschikking in de plaats treedt van de benodigde instemmende wilsverklaring dan wel de toestemming van de vrouw voor het geven van de verkoopopdracht aan de makelaar;


de vrouw te veroordelen op eerste verzoek van de makelaar haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan alle handelingen die de makelaar noodzakelijk acht om het verkooptraject van de onroerende zaak op te starten, waaronder begrepen, maar niet beperkt tot:



a. het publiceren van de verkoop op daartoe bestemde social media;
b. het verrichten van overige handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop.



de vrouw te veroordelen om aan de man een dwangsom te betalen van € 1.000,-- per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw niet aan de veroordeling zoals hiervoor vermeld voldoet tot een maximum van € 25.000,--;


de vrouw te veroordelen tot onvoorwaardelijke medewerking aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst (inclusief privacy verklaring en acceptatie algemene voorwaarden) van de onroerende zaak, waarbij geldt dat de vrouw de verkoopovereenkomst met betrekking tot de woning aan een derde dient te ondertekenen binnen de door de makelaar-taxateur gestelde termijn;


de vrouw te veroordelen om aan de man een dwangsom te betalen van € 1.000,-- per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw niet aan de veroordeling zoals hiervoor vermeld voldoet tot een maximum van € 25.000,--;


te bepalen dat, indien de vrouw niet tijdig voldoet aan hetgeen hiervoor is gevorderd en zodra het maximum van de dwangsommen zoals hiervoor vermeld is verbeurd, deze beschikking op de voet van het bepaalde in artikel 3: 300 lid 2 BW in de plaats treedt van de benodigde instemmende wilsverklaring dan wel de toestemming van de vrouw voor het ondertekenen van de verkoopovereenkomst;


de vrouw te veroordelen tot medewerking aan de notariële levering van de onroerende zaak aan de [adres] [plaats 2] te [land] op voorwaarde dat de man en de vrouw ieder de helft ontvangen van de verkoopopbrengst (na aftrek van de verkoop-, notaris- en makelaarskosten);


de vrouw te veroordelen om aan de man een dwangsom te betalen van € 1.000,-- per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw niet aan de veroordeling zoals hiervoor vermeld voldoet, tot een maximum van € 25.000,--;


te bepalen dat, indien de vrouw niet tijdig voldoet aan hetgeen hiervoor is gevorderd en zodra het maximum van de dwangsommen zoals hiervoor vermeld is verbeurd, deze beschikking op de voet van het bepaalde in artikel 3: 300 lid 2 BW in de plaats treedt van de benodigde instemmende wilsverklaring dan wel de toestemming van de vrouw voor het ondertekenen van de notariële leveringsakte.




De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



De vrouw verzoekt tevens aanvullend:



dat een verzameling euromunten en een staande klok uit de hal, afkomstig van de grootvader van de vrouw alsnog aan haar zullen toekomen;


de Dacia Duster aan de man toe te delen en de Renault Clio aan de vrouw toe te delen, waarbij partijen elkaar compenseren voor het verschil in dagwaarde van de auto's,


kosten rechtens.



Beoordeling
Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.



Echtscheiding


Rechtsmacht en toepasselijk recht

De man en de vrouw hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. De Nederlandse rechter komt daarom op grond van artikel 3 van de Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheden en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis) rechtsmacht toe.



De rechtbank zal op grond van artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.




Inhoudelijke beoordeling

De man en de vrouw hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de rechtbank de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond zal toewijzen.




Partneralimentatie


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van de verzochte partneralimentatie als nevenvoorziening (artikel 3, sub c van de Verordening van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (de Alimentatieverordening)).



De hoofdregel neergelegd in artikel 3 van het Protocol bepaalt dat toepasselijk is het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde.



De man heeft in de stukken bezwaar gemaakt tegen toepassing het van Nederlands recht op grond van de uitzondering in artikel 5 van het Protocol omdat naar zijn mening [land] recht nauwer verbonden is met het huwelijk van partijen daar sinds 2007 hebben gewoond. De vrouw acht Nederlands recht nauwer verbonden met het huwelijk van partijen. Zij stelt dat partijen langer in Nederland hebben gewoond dan in [land] . De man en de vrouw zijn Nederlands, spreken uitsluitend Nederlands en doen hun belastingaangiften ook in Nederland.



De rechtbank overweegt als volgt.
De man heeft zijn beroep op de uitzondering van artikel 5 van het Protocol tijdens de zitting niet langer gehandhaafd. Nu de vrouw haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland zal de rechtbank Nederlands recht toepassen op het verzoek (artikel 3 van het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007).

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud zal betalen van € 801,- per maand. De man voert hiertegen verweer.




Ingangsdatum

Op grond van artikel 1:157 BW kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum een eventueel te bepalen bedrag aan partneralimentatie vaststellen.




Behoefte

De behoefte van de vrouw is tussen partijen in geschil. De vrouw heeft de door haar gestelde behoefte in beginsel gebaseerd op de hofnorm. De man heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hierop heeft de vrouw een behoeftelijst overgelegd. De opsomming van de kosten komt nagenoeg op hetzelfde bedrag uit als het bedrag dat uit de hofnorm volgt. De man heeft ook bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw overgelegde behoeftelijst. Volgens de man zijn er op die lijst zowel kostenposten opgenomen van kosten tijdens het huwelijk die nu niet meer bestaan als kostenposten die nieuwe kosten van de vrouw betreffen sinds het uit elkaar gaan van partijen.



De rechtbank overweegt als volgt.
Bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening hiervan neemt de rechtbank in beginsel de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De zogenaamde hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin. Het is dus niet onaannemelijk dat partijen tijdens het huwelijk gezamenlijk de kosten hebben kunnen dragen en dat dat nu lastiger zal zijn nu ze uit elkaar zijn. De rechtbank ziet op grond van de stukken en de stellingname van partijen op de zitting geen aanleiding om af te wijken van de hofnorm. De man heeft namelijk niet gemotiveerd betwist waarom in het onderhavige specifieke geval de hofnorm niet overeenstemt met het uitgavenpatroon van partijen tijdens de samenleving.De vrouw stelt haar bruto-behoefte op € 1.657,- per maand zodat de rechtbank daarvan uit gaat.




Draagkracht van de man

Nu de man en de vrouw geen afspraken met elkaar hebben kunnen maken met betrekking over het afzien van verevening van hun pensioen zullen zij de tijdens het huwelijk door de hen opgebouwde pensioenrechten met elkaar moeten verevenen conform de Wet Verdeling Pensioenrechten na Scheiding. De rechtbank zal daarom uitgaan van de situatie na verevening.



De inkomensbronnen van de man zijn niet tussen partijen in geschil. Aan de zijde van de man zal de rechtbank rekening houden met de volgende pensioenuitkeringen:



AOW: € 20.929,-


Pensioen Zorg en Welzijn (vrouw): € 5.578,-


Stichting Pensioenfonds ABP: € 135,-


Het Nederlands Pensioenfonds: € 19.732,-



€ 46.374,-

Uit de aangehechte berekening volgt dat de man een netto besteedbaar inkomen heeft van € 2.920,- en een draagkracht heeft € 347,-. Gebruteerd komt dat neer op € 555,- per maand.


Inkomensvergelijking

De rechtbank zal een inkomensvergelijking maken. Tussen de man en de vrouw zijn de AOW uitkering en de ABP pensioenuitkering van de vrouw in geschil. De AOW-uitkering van de vrouw is lager dan die van de man omdat de vrouw in haar AOW wordt gekort vanwege het aantal jaren dat zij in het buitenland heeft gewoond. De ABP pensioen-uitkering van de vrouw zal tussen partijen niet worden verevend omdat zij dit pensioen ontvangt op grond van verevening van het pensioen van haar voormalige echtgenoot van haar eerste huwelijk.



De rechtbank zal daarom bij de inkomensvergelijking ten aanzien van de vrouw rekening houden met:



AOW: € 17.676,-


Pensioenfonds Zorg en Welzijn: € 5.354,-


Stichting Pensioenfonds ABP: € 4.341,-


Het Nederlandse Pensioenfonds(man): € 9.766,-


€ 37.137,-


Uit de aangehechte inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van € 367,- bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte overhoudt. Aangezien dit bedrag lager ligt dan de draagkracht van de man, zal de rechtbank de inkomens-vergelijking volgen.




Conclusie

De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 367,- per maand aan de vrouw moet voldoen.





Verdeling huwelijksgemeenschap


Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, daarom heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening Huwelijksvermogensstelsels).



De vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen moet, gelet op de datum van de huwelijkssluiting van [datum] 1981, beslist worden door toepassing van de in het Chelouche/Van Leer-arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275) geformuleerde conflictregels. Nu noch door de man, noch door de vrouw is gesteld dat zij hun vermogensrechtelijke verhouding ten tijde van de huwelijkssluiting geregeld hebben door aan te wijzen aan welk recht deze onderworpen is, is volgens de aanknopingsladder van dit arrest de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting, dan wel kort daarna, bepalend voor het tussen de echtgenoten geldende huwelijksgoederenregime. Het huwelijksgoederenregime van de echtgenoten wordt dus beheerst door Nederlands recht.



Nu partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Als uitgangspunt geldt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte tussen hen wordt verdeeld (artikel 1:100 BW, zoals dat gold voor 1 januari 2018).




Peildatum omvang en waardering

Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 28 april 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding zoals partijen allebei aanvoeren. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.

Omvang

Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:1) de echtelijke woning in [land] aan de [adres] [plaats 2] ;
2) de inboedel;
3) de auto’s; 4) de bankrekeningen.




Ad 1 de echtelijke woning

De echtelijke woning van partijen is gelegen in [land] aan de [adres] [plaats 2] en op 22 maart 2025 getaxeerd op € 421.000,-.



De rechtbank stelt voorop dat de echtelijke woning in de gemeenschap van goederen valt en dat de Nederlandse rechter bevoegd is om naar Nederlands recht te oordelen over de echtelijke woning in [land] . Op de zitting hebben de man en de vrouw overeenstemming bereikt over de wijze van verkoop van de echtelijke woning. Zij hebben met elkaar afgesproken dat de woning te koop zal worden aangeboden in [land] bij de makelaars [makelaar 1] en [makelaar 2] , zijnde kennissen van partijen.



De rechtbank zal conform de overeenstemming een spoorboekje voor partijen opnemen in het dictum.




Ad 2. de inboedel, waaronder euromunten en staande klok

Op de zitting is gebleken dat de vrouw de verzameling euromunten en de staande klok inmiddels heeft ontvangen. De man en de vrouw zijn het met elkaar eens dat de inboedel nu reeds is verdeeld zodat de rechtbank het verzoek van de man om een verklaring voor recht zal toewijzen.




Ad 3. de auto’s

De man en de vrouw zijn het met elkaar eens dat de Dacia Duster aan de man zal worden toegedeeld en dat de Renault Clio aan de vrouw zal worden toegedeeld onder de verrekening over en weer van de waardes van de auto’s. De man en de vrouw hebben verder met elkaar afgesproken dat de vrouw een foto van de kilometerstand naar de man zal sturen en dat de man hiermee naar de Auto Center te [plaats 3] , [land] zal gaan. Dit Auto Center zal de waardes van de beide auto’s bepalen per 28 april 2025 en de man zal de vrouw vervolgens hierover informeren.



De rechtbank zal conform de overeenstemming tussen partijen bepalen dat de Dacia Duster aan de man zal worden toegedeeld en dat de Renault Clio aan de vrouw zal worden toegedeeld, onder de verrekening over en weer van de waardes van de auto’s, welke waardes per 28 april 2025 worden bepaald door de Auto Center te [plaats 3] , [land] .




Ad 3. de bankrekeningen

De man en de vrouw zijn het met elkaar eens dat saldi op de bank- en spaarrekeningen op naam van de man aan de man moeten worden toegedeeld onder verrekening van de helft van die saldi op de peildatum (28 april 2025) en dat de saldi op de bank- en spaarrekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw moeten worden toegedeeld, onder verrekening van de helft van die saldi op de peildatum.



De door de man ingebrachte rekeningen zijn:




[rekeningnummer 1] € 8.324,03



[rekeningnummer 2] € 421,34


ING betaalrekening [rekeningnummer 3] 16 € 24.106,56


ING spaarrekening [rekeningnummer 3] 16 € 1.120,97



[rekeningnummer 4] ABN betaalrekening € 3.962,31



[rekeningnummer 4] ABN spaarrekening € 12.107,79


€ 50.043,00


De man heeft ter onderbouwing van deze rekeningen de producties 18 tot en met 23 overgelegd waaruit de saldi op deze bankrekeningen per de peildatum blijkt.



De bovenstaande rekeningen op naam van de man zullen conform de overeenstemming tussen partijen aan de man worden toegedeeld onder verplichting de helft van de saldi, zijnde € 25.021,50, aan de vrouw te voldoen.



Volgens de vrouw bedroegen de saldi op haar bankrekeningen per de peildatum:




[rekeningnummer 5] € 429,20



[rekeningnummer 6] € 23.000,00



[rekeningnummer 7] € 2.568,13




De vrouw heeft ter onderbouwing van deze saldi productie 8 overgelegd. Uit productie 8 blijkt dat het saldo van de rekening [rekeningnummer 5] op de peildatum € 7.919,19 bedraagt en het saldo op de rekening [rekeningnummer 7] op de peildatum € 2.568,13 bedraagt.



De vrouw heeft, ter toelichting op het door haar gehanteerde bedrag van € 429,90 op de bankrekening [rekeningnummer 5] , op de zitting aangegeven dat zij een schuld had aan haar zonen van € 7.500,- en dat zij daarom een bedrag van € 7.500,- aan hen heeft overgemaakt. De man betwist dat er een schuld is of was van de vrouw aan haar zoons. Volgens de man heeft de vrouw deze schuld niet aangetoond en kan dit bedrag niet in mindering strekken op de te verdelen saldi.



De rechtbank kan alleen constateren dat de vrouw op 28 april 2025 een bedrag van € 7.500,- heeft overgemaakt van haar rekening [rekeningnummer 7] naar de rekening [rekeningnummer 5] waardoor er op de peildatum sprake is geweest van een verschuiving van gelden van de ene bankrekening van de vrouw naar de ander bankrekening van de vrouw. Op 29 april 2025, een dag na de peildatum, heeft de vrouw het bedrag van € 7.500 overgemaakt op rekeningnummer van haar zoon. De rechtbank stelt daarom vast dat op de bankrekeningen van de vrouw per de peildatum de volgende bedragen stonden:



- [rekeningnummer 5] € 7.919,19




[rekeningnummer 6] € 23.000,00



[rekeningnummer 7] € 2.568,13



Deze rekeningen op naam van de vrouw zullen conform de overeenstemming tussen partijen aan de vrouw worden toegedeeld onder verplichting de helft van de saldi op de peildatum, zijnde (7.919,19 + 23.000 + 2.568,13 / 2 =) € 16.743,66 aan de man te betalen.



Voortgezet gebruik woning in [land] en gebruiksvergoeding


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu partijen het erover eens zijn dat de echtelijke woning in de gemeenschap van goederen valt en dat de Nederlandse rechter bevoegd is om naar Nederlands recht te oordelen over de echtelijke woning is zij ook bevoegd om te oordelen over de verzoeken ten aanzien van het voortgezet gebruik en de gebruiksvergoeding.




Inhoudelijke beoordeling

De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat, zolang de woning onverdeeld blijft, althans een periode van tenminste zes maanden vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, de man jegens de vrouw gerechtigd is om de bewoning en het gebruik van de woning.



De vrouw verzet zich hiertegen. Een termijn van zes maanden na de inschrijving van de beschikking vindt zij te lang. De vrouw wil dat de woning zo snel als mogelijk wordt verkocht. De man heeft voldoende tijd gehad om alternatieve woonruimte te vinden en maakt reeds bijna een jaar exclusief gebruik van de woning, zonder enige vergoeding aan de zijde van de vrouw. De vrouw verzoekt daarom ook om een gebruiksvergoeding te bepalen ter hoogte van 5 % van de overwaarde van de woning gedurende de periode dat de woning nog niet is verdeeld en verkocht aan een derde.



De man verweert zicht tegen het verzoek om een gebruiksvergoeding. Volgens de man is er geen wettelijke grondslag om een gebruiksvergoeding vast te stellen voor de periode dat partijen nog gehuwd zijn. Het was de eigen keus van de vrouw om de woning te verlaten. Ook heeft de vrouw de hoogte van de gebruiksvergoeding niet onderbouwd.



De rechtbank overweegt als volgt. In het licht van de tussen partijen gemaakte afspraken dat de echtelijke woning via bevriende makelaars zal worden verkocht en het feit dat de vrouw inmiddels vervangende woonruimte heeft, ziet de rechtbank aanleiding om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man toe te kennen tot 1 februari 2027.



Betaling van een gebruiksvergoeding is in beginsel redelijk omdat de man al geruime tijd alleen in de woning verblijft en deze in gebruik heeft gehad terwijl de vrouw nog steeds voor de helft eigenaar is van deze woning. De helft van de woning vormt een positief vermogensbestanddeel, waarvan de waarde gelijk is aan het saldo van de waarde van de woning en de eventueel daarop rustende hypotheekschuld. In het onderhavige geval acht de rechtbank het niet redelijk om een gebruiksvergoeding te bepalen nu de man alle eigenaarslasten van de woning heeft voldaan en zal blijven voldoen. Bovendien zou een eventuele gebruiksvergoeding weer in mindering strekken op de hiervoor weergegeven behoefte van de vrouw aan partneralimentatie. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om bepaling van een gebruiksvergoeding daarom afwijzen.




Afgifte stukken

De man verzoekt de rechtbank de vrouw te veroordelen binnen veertien dagen na de beschikking aan de man bankafschriften en pensioenoverzichten toe te sturen en hier een dwangsom aan te verbinden. Gelet op de hiervoor weergegeven beslissingen ten aanzien van de verdeling en de alimentatie heeft de man geen belang meer bij deze documenten zodat de rechtbank dit verzoek zal afwijzen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.




Beslissing
De rechtbank:


*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1981 te [plaats 1] ;



*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 367,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,




*

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:



met betrekking tot de woning, gelegen te [land] aan de [adres] [plaats 2] :

1. de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) Partijen zullen binnen een week na heden gezamenlijk een opdracht verstrekken aan het makelaarskantoor van [makelaar 1] en [makelaar 2] tot verkoop van de woning aan een derde;
b) De voormelde makelaars zullen partijen bindend adviseren over de te hanteren vraag- en laatprijs. Daarnaast zijn partijen gehouden hun medewerking te verlenen aan alle adviezen en verzoeken van de makelaar in het kader van de verkoop;
c) De over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van eventueel aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus eventueel aan de woning gekoppelde geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaars;
d) Partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de (notariële) overdracht van de woning aan de koper(s);

2. aan de man worden toegedeeld:

a) de auto van het merk Dacia Duster onder de verplichting de helft van de waarde van de auto per 28 april 2025, welke waarde zal worden bepaald door de Auto Center te [plaats 3] , [land] , aan de vrouw te betalen;
b) de saldi van de bank- en spaarrekeningen op naam van de man, onder de verplichting de helft van de saldi aan de vrouw te betalen, zijnde € 25.021,50

3. aan de vrouw worden toegedeeld:

a) de auto van het merk Renault Clio onder de verplichting de helft van de waarde van de auto per 28 april 2025, welke waarde zal worden bepaald door de Auto Center te [plaats 3] , [land] , aan de man te betalen
b) de saldi van de bank- en spaarrekeningen op naam van de vrouw, onder de verplichting de helft van de saldi aan de man te betalen, zijnde € 16.743,66;



*
verklaart voor recht dat de inboedel van partijen al reeds is verdeeld;



*
bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [land] aan de [adres] [plaats 2] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten tot 1 februari 2027, onder de voorwaarde dat de man deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;



*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;



*
wijst af het meer of anders verzochte.











Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 7 augustus 2026.