Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25785
2026-08-07
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/710638 / JE RK 26-1422
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Spoed voorlopige ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.039 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/710638 / JE RK 26-1422
Datum uitspraak: 7 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over
het ongeboren kind [het ongeboren kind],
hierna te noemen het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 7 augustus 2026.
2De feiten
2.1.
De moeder is in verwachting van het ongeboren kind.
2.2.
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden is het ongeboren kind erkend door de vader.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt het ongeboren kind voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en daar op te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4De beoordeling
4.1.
De kinderrechter kan een ongeboren kind als geboren beschouwen als dit in zijn belang is. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van het ongeboren kind acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
4.2.
De kinderrechter is van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor het ongeboren kind. De moeder is momenteel 33 weken zwanger van het ongeboren kind. De moeder is sinds 14 juli 2026 onder behandeling bij [zorginstantie] na een urinecontrole door de verloskundige waarbij cocaïnegebruik is vastgesteld. Desondanks blijft de moeder positief getest worden op cocaïnegebruik waarbij de cocaïnewaarde als onmeetbaar hoog wordt beschouwd. Bij de vader is er sprake van alcohol- en wietgebruik. Met het aanhoudende cocaïnegebruik brengt de moeder de ontwikkeling en veiligheid van het ongeboren kind ernstig in gevaar. Volgens de betrokken professionals bagatelliseren de ouders de zorgen en het risico van het middelengebruik, en heeft de moeder een noodzakelijke interventie, te weten een vrijwillige opname om het middelengebruik tijdens de zwangerschap te beëindigen, afgewezen. Daarom stelt de kinderrechter het ongeboren kind voorlopig onder toezicht voor de duur van twee weken.
4.3.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
4.4.
De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
merkt het ongeboren kind aan als reeds geboren;
5.2.
stelt het ongeboren kind voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 7 augustus 2026 tot 21 augustus 2026;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van mr. A.P. Pereira Horta op 20 augustus 2026 om 13:00 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, aan Prins Clauslaan 60 in Den Haag;
5.4.
gelast de griffier voor die zitting op te roepen:
- de Raad voor de Kinderbescherming;
- de moeder;
- de vader;
- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:2 BW.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/710638 / JE RK 26-1422
Datum uitspraak: 7 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over
het ongeboren kind [het ongeboren kind],
hierna te noemen het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 7 augustus 2026.
2De feiten
2.1.
De moeder is in verwachting van het ongeboren kind.
2.2.
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden is het ongeboren kind erkend door de vader.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt het ongeboren kind voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en daar op te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4De beoordeling
4.1.
De kinderrechter kan een ongeboren kind als geboren beschouwen als dit in zijn belang is. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van het ongeboren kind acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
4.2.
De kinderrechter is van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor het ongeboren kind. De moeder is momenteel 33 weken zwanger van het ongeboren kind. De moeder is sinds 14 juli 2026 onder behandeling bij [zorginstantie] na een urinecontrole door de verloskundige waarbij cocaïnegebruik is vastgesteld. Desondanks blijft de moeder positief getest worden op cocaïnegebruik waarbij de cocaïnewaarde als onmeetbaar hoog wordt beschouwd. Bij de vader is er sprake van alcohol- en wietgebruik. Met het aanhoudende cocaïnegebruik brengt de moeder de ontwikkeling en veiligheid van het ongeboren kind ernstig in gevaar. Volgens de betrokken professionals bagatelliseren de ouders de zorgen en het risico van het middelengebruik, en heeft de moeder een noodzakelijke interventie, te weten een vrijwillige opname om het middelengebruik tijdens de zwangerschap te beëindigen, afgewezen. Daarom stelt de kinderrechter het ongeboren kind voorlopig onder toezicht voor de duur van twee weken.
4.3.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
4.4.
De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
merkt het ongeboren kind aan als reeds geboren;
5.2.
stelt het ongeboren kind voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 7 augustus 2026 tot 21 augustus 2026;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van mr. A.P. Pereira Horta op 20 augustus 2026 om 13:00 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, aan Prins Clauslaan 60 in Den Haag;
5.4.
gelast de griffier voor die zitting op te roepen:
- de Raad voor de Kinderbescherming;
- de moeder;
- de vader;
- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:2 BW.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).