Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25777

2026-08-07 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/685905 / FA RK 25-3974
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/685905 / FA RK 25-3974
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning, niet-ontvankelijk in verzoek tot gezamenlijk gezag

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.332 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer


Rekestnummer: FA RK 25-3974
Zaaknummer: C/09/685905
Datum beschikking: 7 augustus 2026


Vervangende toestemming erkenning



Beschikking op het op 26 mei 2025 ingekomen verzoek van:




[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.W.F. van Wijk te Helmond .



Als belanghebbenden worden aangemerkt:





[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.C. van ’t Hek te Dordrecht,



en





[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] .

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. J.W. Stok,
advocaat te Delft,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.



Als informant merkt de rechtbank aan:




Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.



Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:


het verzoekschrift, met bijlagen;


het bericht van 11 juli 2025 van de zijde van de man, met bijlage waarmee de bescheiden behorende bij het verzoekschrift zijn gecompleteerd


het verslag van de bijzondere curator van 18 augustus 2025;


het F9-formulier van 26 augustus 2026 van de zijde van de man;


het F9-formulier van 30 juni 2026 van de zijde van de man.







Op 10 juli 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



de man, bijgestaan door zijn advocaat via een videoverbinding en zijn vader de heer [naam 1] ;


de moeder, bijgestaan door haar advocaat;


de bijzondere curator;



[naam 2] namens Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (hierna: de gecertificeerde instelling).





Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe:
- hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij de minderjarige kan erkennen;
- te bepalen dat de man tezamen met de vrouw wordt belast met het gezag over [minderjarige] ;
- te bepalen dat er een omgangs- c.q. zorgregeling tot stand dient te worden gebracht onder begeleiding van een professionele organisatie en de procedure aan te houden in afwachting van het verloop van het traject;
- althans een voorziening te treffen door de rechtbank in goede justitie te bepalen,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.


De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



De bijzondere curator adviseert de rechtbank een DNA-onderzoek te bevelen van de man en [minderjarige] door een deskundige, waarna de bijzondere curator vervolgens – indien het verwekkerschap van de man is vast komen te staan – adviseert het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van de minderjarige toe te wijzen.




Feiten


Partijen hebben een affectieve relatie gehad.


De minderjarige is niet erkend.


De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.


De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.


Bij beschikking van deze rechtbank van 21 juni 2025 is mr. J.W. Stok voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.





Beoordeling


Vervangende toestemming erkenning

Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.



Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige. Op de zitting is vastgesteld dat geen twijfel hierover bestaat. De man en de moeder stellen dat de man de verwekker is. De rechtbank acht daarom een DNA-onderzoek niet nodig.



Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.



De man stelt dat het in het belang van [minderjarige] is om te weten wie zijn biologische ouders zijn en om deze ouders beiden een plek te geven in het leven van [minderjarige] . De man en [minderjarige] hebben recht op een familierechtelijke betrekking met elkaar. De positie van de man dient geformaliseerd te worden en hij wenst een volwaardige rol te vervullen in het leven van [minderjarige] .



De bijzondere curator heeft de man via een videoverbinding telefonisch gesproken. De moeder heeft de bijzondere curator niet kunnen spreken. In het gesprek met de man heeft hij aan de bijzondere curator aangegeven graag een rol te willen spelen in het leven van [minderjarige] . In de kraamperiode is hij aanwezig geweest bij de moeder en [minderjarige] , maar daarna is er nog maar incidenteel contact geweest tussen hem en [minderjarige] . Nu het niet tussen partijen in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige] , heeft de bijzondere curator op de zitting de rechtbank geadviseerd het verzoek van de man toe te wijzen.



Op de zitting heeft de moeder aangegeven met het verzoek van de man in te stemmen, ondanks dat dat zij dit in combinatie met de huidige situatie van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] lastig vindt.



De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen en hem vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] te kunnen erkennen. Met de bijzondere curator is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de familierechtelijke betrekking tussen hem en de man wordt geformaliseerd.



Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.




Gezamenlijk gezag

Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.



De man wenst tezamen met de moeder te worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Dit is het uitgangspunt en de man wil graag met de vrouw meebeslissen over [minderjarige] . Volgens de man zijn er geen contra-indicaties aanwezig op grond waarvan van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De man zal nimmer het nemen van belangrijke beslissingen over [minderjarige] frustreren of tegenhouden. Voor zover de moeder stelt dat sprake is van slechte communicatie tussen de ouders en dat dit een reden is om dit verzoek van de man af te wijzen, stelt de man dat dit niet zonder meer meebrengt dat aan hem niet mede het gezag moet worden toegekend. De man heeft op de zitting naar voren gebracht met name mede over het gezag te willen worden belast zodat hij geïnformeerd wordt over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] . Nu ontvangt hij namelijk geen informatie van de moeder of van de hulpverleningsinstanties.



De moeder voert verweer en stelt dat het gezamenlijk gezag nu niet in het belang van [minderjarige] is. Haar gezag is nu door middel van de ondertoezichtstelling al beperkt en er is al veel gebeurd in het leven van [minderjarige] . Eerst moet het wat rustiger worden in zijn leven, voordat er gedacht kan worden aan gezamenlijk gezag. De moeder snapt het verzoek van de vader maar is van mening dat dit nu voor te veel onrust zorgt in het leven van [minderjarige] .



De rechtbank overweegt als volgt. Zoals beide partijen erkennen, is er in het leven van de driejarige [minderjarige] al veel gebeurd. Hij woonde bij zijn pleegoma, maar woont inmiddels met zijn zus [naam 3] in een perspectief biedend pleeggezin. De moeder heeft momenteel het eenhoofdig gezag. De positie van [minderjarige] is kwetsbaar en het is van groot belang dat zijn leven stabiel en rustig wordt en blijft. De jeugdbeschermer heeft op de zitting aangegeven dat er sprake is van hechtingsproblematiek bij [minderjarige] . Het advies van de jeugdbeschermer in de huidige situatie is om dit verzoek van de man af te wijzen.



Met de jeugdbeschermer en de moeder is de rechtbank van oordeel dat het momenteel te onrustig is in het leven van [minderjarige] als de man mede met de moeder wordt belast met het gezamenlijk gezag. Er moet een rustige situatie voor hem gecreëerd worden, waarbij het niet passend is als er iemand bijkomt die beslissingen kan nemen over [minderjarige] .



Zoals de man naar voren gebracht heeft is zijn belang bij het gezamenlijk gezag met name gelegen in het ontvangen van informatie van derden en de moeder over [minderjarige] . Met partijen is gesproken over hoe de man over informatie over [minderjarige] kan verkrijgen. De moeder en de gecertificeerde instelling staan er welwillend tegenover om de man te informeren over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] . Zij zullen onderling afstemmen hoe deze informatievoorziening richting de man zal gaan verlopen, en zij hebben toegezegd hiervoor zorg te gaan dragen. Omdat er geen verzoek hierover voorligt, zal de rechtbank hierover niets beslissen, maar zij gaat ervanuit dat partijen in samenwerking met de gecertificeerde instelling ervoor zullen zorgen dat de man informatie over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] zal ontvangen.



Omdat de man momenteel nog niet de juridische vader van [minderjarige] is, bestaat er voor hem geen rechtsingang om op grond van artikel 1:253c lid 1 BW het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te verzoeken. Met ‘ouder’ wordt namelijk de juridische ouder bedoeld en niet de biologische vader/verwekker. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de definitieve beslissing op het gezag aan te houden in afwachting van de totstandkoming van de erkenning, omdat de rechtbank zich op dit moment al voldoende voorgelicht acht om hier een eindbeslissing over te nemen. De rechtbank zal daarom formeel de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot gezamenlijk gezag.





Omgangsregeling

De man wenst dat er een omgangsregeling tot stand gebracht wordt. Hij begrijpt dat dit in samenwerking met hulpverlening tot stand dient te worden gebracht. In de kraamperiode is de man aanwezig geweest bij de moeder en [minderjarige] . Daarna heeft er sporadisch contact plaatsgevonden en hebben de man en [minderjarige] elkaar voor het laatst op 18 mei 2024 contact gehad. De man zou graag zien dat er een begeleide omgangsregeling wordt vastgelegd in de nabijheid van de woonplaats van de moeder.



De moeder voert verweer en stelt dat ook nog het vaststellen van een omgangsregeling te prematuur is.



Gelet op de lopende ondertoezichtstelling over [minderjarige] ziet de rechtbank aanleiding om de regie van het opstarten van een omgangsregeling bij de gecertificeerde instelling te laten. Besproken is dat eerst nog statusvoorlichting aan [minderjarige] gegeven moet worden over de man en dat daarna een omgangsregeling aan de orde zou zijn. Voor nu wijst de rechtbank het verzoek van de man daarom af.





Beslissing
De rechtbank:


*
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1998 te [geboorteplaats 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1990 te [geboorteplaats 1] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] ;



*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;



*
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot gezamenlijk gezag;



*
wijst af het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling.










Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2026.