Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25775
2026-08-07
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/692122 / FA RK 25-7253
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming erkenning
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.333 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7253
Zaaknummer: C/09/692122
Datum beschikking: 7 augustus 2026
Vervangende toestemming erkenning
Beschikking op het op 23 september 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.C.M. van Lieshout te Capelle aan den IJssel.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1].
in rechte vertegenwoordigd door mr. I.G.M. van Gorkum,
advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Als informant merkt de rechtbank aan:
Leger des Heils, regio Noordwest,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het F9-formulier van 17 oktober 2025 van de man, met bijlage;
het verslag van de bijzondere curator
het F9-formulier van 3 februari 2026 van de man, met bijlage.
Op 10 juli 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, met zijn advocaat en mr. L.F. Niemantsverdriet als waarnemend bijzondere curator voor mr. I.G.M. van Gorkum.
De vrouw en de gecertificeerde instelling zijn – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe:
hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij de minderjarige kan erkennen;
een zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en de man vast te leggen, aldus dat [minderjarige] bij de man verblijft:
- eenmaal in de veertien dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur in de even weken;
- de helft van de schoolvakanties en feestdagen in onderling overleg met de moeder vast te stellen;
- waarbij steeds geldt dat de moeder [minderjarige] naar de vader toebrengt en de vader [minderjarige] vervolgens naar de moeder terugbrengt;
- de vader mede te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige],
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator adviseert het verzoek strekkende tot verkrijging van vervangende toestemming toe te wijzen.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad
De minderjarige is niet erkend.
De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
Bij beschikking van deze rechtbank van 27 oktober 2025 is mr. I.G.M. van Gorkum voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
Bij beschikking van 19 februari 2026 is de minderjarige [minderjarige] onder toezicht gesteld van het Leger des Heils tot 19 augustus 2026.
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De man stelt dat er geen beletsel is om [minderjarige] te erkennen. De man is de verwekker. Hij wil het liefst in overleg met de moeder treden en overeenstemming bereiken, maar de moeder wil geen toestemming verlenen voor erkenning. Daarom verzoekt de man aan de rechtbank hem vervangende toestemming te verlenen.
De bijzondere curator acht het in het belang van [minderjarige] dat de man hem erkent. Niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige]. Het is belangrijk voor [minderjarige] te weten wie zijn vader is en dit familierechtelijk bevestigd te zien. In het gesprek dat de bijzondere curator heeft gehad met de moeder heeft zij aangegeven geen toestemming te geven hiervoor. De argumenten van de moeder geven met name blijk van emotionele weerstand. De bijzondere curator vindt niet dat erkenning de belangen van de moeder zou schaden. De man houdt in zijn contact tot de moeder afstand van haar en zoekt geen confrontatie op. De man lijkt daarmee in staat de grenzen van de moeder niet te overschrijden en acht het daarom aannemelijk dat de erkenning van [minderjarige] een ongestoorde verhouding tussen de moeder en [minderjarige] niet in de weg zal staan.
De rechtbank zal het verzoek van de man om vervangende toestemming te verkrijgen om [minderjarige] te erkennen toewijzen. Met de bijzondere curator is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de familierechtelijke betrekking met zijn vader wordt geformaliseerd. Het is niet in geschil dat de man de biologische vader is van [minderjarige] en er zijn geen contra-indicaties aanwezig op basis waarvan de erkenning niet aangewezen zou zijn. De moeder heeft haar standpunt bij de rechtbank niet naar voren gebracht en heeft geen verweer gevoerd. Er staat niets aan in de weg om het verzoek van de man toe te wijzen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag
De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [minderjarige] door de man bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 1 januari 2027. De rechtbank overweegt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Omgangs- c.q. zorgregeling
De man verzoekt een omgangsregeling vast te leggen waarbij [minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man verblijft. Sinds de verbreking van de relatie tussen partijen is er regelmatig contact geweest tussen de man en [minderjarige]. Sinds 2021 heeft [minderjarige] om het weekend bij de man verbleven. Dit contact is daarna in februari 2024 eenzijdig stopgezet. De man heeft [minderjarige] daarna in juli 2024 nog een keer telefonisch gesproken en in augustus of september 2025 heeft [minderjarige] nog een weekend bij de man verbleven. Verder onthoudt de moeder al het contact volgens de man. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij eveneens een hechtingsband met zijn vader heeft, dat deze wordt behouden en verder wordt verdiept. Daarom moet er een omgangsregeling worden vastgelegd.
De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige] is bij beschikking van 19 februari 2026 onder toezicht gesteld van het Leger des Heils voor de duur van een jaar. De rechtbank heeft de jeugdbeschermer opgeroepen om op de zitting van 10 juli 2026 te verschijnen om de rechtbank te informeren over het verloop van de ondertoezichtstelling en hoe het met [minderjarige] gaat. De rechtbank betreurt het dat de jeugdbeschermer niet is verschenen. De rechtbank heeft hier nu geen informatie over en had gehoopt dat de jeugdbeschermer meer duidelijkheid zou kunnen scheppen. De rechtbank heeft op dit moment onvoldoende zicht op de leefsituatie van [minderjarige] en wat voor omgangsregeling in het belang van [minderjarige] zou zijn. De rechtbank zal daarom dit verzoek ook aanhouden.
De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij contact heeft met de jeugdbeschermer. De rechtbank vraagt de jeugdbeschermer te bezien of er mogelijkheden zijn voor opbouw van het contact tussen [minderjarige] en de vader. Als er in onderling overleg een omgangsregeling tot stand komt, verneemt de rechtbank dit graag van partijen en/of de jeugdbeschermer. De procedure zal pro forma worden aangehouden tot 1 januari 2027. De rechtbank verzoekt de jeugdbeschermer rondom de pro forma datum de rechtbank informatie te verschaffen over de stand van zaken van de ondertoezichtstelling.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [de man], geboren op [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats 2], toestemming, die de toestemming van de moeder, [de vrouw], geboren op [geboortedatum 3] 1998 te [geboorteplaats 2], vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1];
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag en de omgangs- c.q. zorgregeling wordt aangehouden tot 1 januari 2027 pro forma;
*
bepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2026.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7253
Zaaknummer: C/09/692122
Datum beschikking: 7 augustus 2026
Vervangende toestemming erkenning
Beschikking op het op 23 september 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.C.M. van Lieshout te Capelle aan den IJssel.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1].
in rechte vertegenwoordigd door mr. I.G.M. van Gorkum,
advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Als informant merkt de rechtbank aan:
Leger des Heils, regio Noordwest,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het F9-formulier van 17 oktober 2025 van de man, met bijlage;
het verslag van de bijzondere curator
het F9-formulier van 3 februari 2026 van de man, met bijlage.
Op 10 juli 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, met zijn advocaat en mr. L.F. Niemantsverdriet als waarnemend bijzondere curator voor mr. I.G.M. van Gorkum.
De vrouw en de gecertificeerde instelling zijn – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe:
hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij de minderjarige kan erkennen;
een zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en de man vast te leggen, aldus dat [minderjarige] bij de man verblijft:
- eenmaal in de veertien dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur in de even weken;
- de helft van de schoolvakanties en feestdagen in onderling overleg met de moeder vast te stellen;
- waarbij steeds geldt dat de moeder [minderjarige] naar de vader toebrengt en de vader [minderjarige] vervolgens naar de moeder terugbrengt;
- de vader mede te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige],
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator adviseert het verzoek strekkende tot verkrijging van vervangende toestemming toe te wijzen.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad
De minderjarige is niet erkend.
De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
Bij beschikking van deze rechtbank van 27 oktober 2025 is mr. I.G.M. van Gorkum voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
Bij beschikking van 19 februari 2026 is de minderjarige [minderjarige] onder toezicht gesteld van het Leger des Heils tot 19 augustus 2026.
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De man stelt dat er geen beletsel is om [minderjarige] te erkennen. De man is de verwekker. Hij wil het liefst in overleg met de moeder treden en overeenstemming bereiken, maar de moeder wil geen toestemming verlenen voor erkenning. Daarom verzoekt de man aan de rechtbank hem vervangende toestemming te verlenen.
De bijzondere curator acht het in het belang van [minderjarige] dat de man hem erkent. Niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige]. Het is belangrijk voor [minderjarige] te weten wie zijn vader is en dit familierechtelijk bevestigd te zien. In het gesprek dat de bijzondere curator heeft gehad met de moeder heeft zij aangegeven geen toestemming te geven hiervoor. De argumenten van de moeder geven met name blijk van emotionele weerstand. De bijzondere curator vindt niet dat erkenning de belangen van de moeder zou schaden. De man houdt in zijn contact tot de moeder afstand van haar en zoekt geen confrontatie op. De man lijkt daarmee in staat de grenzen van de moeder niet te overschrijden en acht het daarom aannemelijk dat de erkenning van [minderjarige] een ongestoorde verhouding tussen de moeder en [minderjarige] niet in de weg zal staan.
De rechtbank zal het verzoek van de man om vervangende toestemming te verkrijgen om [minderjarige] te erkennen toewijzen. Met de bijzondere curator is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de familierechtelijke betrekking met zijn vader wordt geformaliseerd. Het is niet in geschil dat de man de biologische vader is van [minderjarige] en er zijn geen contra-indicaties aanwezig op basis waarvan de erkenning niet aangewezen zou zijn. De moeder heeft haar standpunt bij de rechtbank niet naar voren gebracht en heeft geen verweer gevoerd. Er staat niets aan in de weg om het verzoek van de man toe te wijzen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag
De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [minderjarige] door de man bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 1 januari 2027. De rechtbank overweegt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Omgangs- c.q. zorgregeling
De man verzoekt een omgangsregeling vast te leggen waarbij [minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man verblijft. Sinds de verbreking van de relatie tussen partijen is er regelmatig contact geweest tussen de man en [minderjarige]. Sinds 2021 heeft [minderjarige] om het weekend bij de man verbleven. Dit contact is daarna in februari 2024 eenzijdig stopgezet. De man heeft [minderjarige] daarna in juli 2024 nog een keer telefonisch gesproken en in augustus of september 2025 heeft [minderjarige] nog een weekend bij de man verbleven. Verder onthoudt de moeder al het contact volgens de man. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij eveneens een hechtingsband met zijn vader heeft, dat deze wordt behouden en verder wordt verdiept. Daarom moet er een omgangsregeling worden vastgelegd.
De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige] is bij beschikking van 19 februari 2026 onder toezicht gesteld van het Leger des Heils voor de duur van een jaar. De rechtbank heeft de jeugdbeschermer opgeroepen om op de zitting van 10 juli 2026 te verschijnen om de rechtbank te informeren over het verloop van de ondertoezichtstelling en hoe het met [minderjarige] gaat. De rechtbank betreurt het dat de jeugdbeschermer niet is verschenen. De rechtbank heeft hier nu geen informatie over en had gehoopt dat de jeugdbeschermer meer duidelijkheid zou kunnen scheppen. De rechtbank heeft op dit moment onvoldoende zicht op de leefsituatie van [minderjarige] en wat voor omgangsregeling in het belang van [minderjarige] zou zijn. De rechtbank zal daarom dit verzoek ook aanhouden.
De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij contact heeft met de jeugdbeschermer. De rechtbank vraagt de jeugdbeschermer te bezien of er mogelijkheden zijn voor opbouw van het contact tussen [minderjarige] en de vader. Als er in onderling overleg een omgangsregeling tot stand komt, verneemt de rechtbank dit graag van partijen en/of de jeugdbeschermer. De procedure zal pro forma worden aangehouden tot 1 januari 2027. De rechtbank verzoekt de jeugdbeschermer rondom de pro forma datum de rechtbank informatie te verschaffen over de stand van zaken van de ondertoezichtstelling.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [de man], geboren op [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats 2], toestemming, die de toestemming van de moeder, [de vrouw], geboren op [geboortedatum 3] 1998 te [geboorteplaats 2], vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1];
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag en de omgangs- c.q. zorgregeling wordt aangehouden tot 1 januari 2027 pro forma;
*
bepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2026.