Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25737

2026-08-06 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/707477 / FA RK 26-6204
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-06
Publicatiedatum
2026-09-06
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/707477 / FA RK 26-6204
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering; geen sprake van weigeringsgronden, teruggeleiding

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.982 tekens)
Rechtbank Den HAAG


Meervoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 26-6204
Zaaknummer: C/09/707477
Datum beschikking: 6 augustus 2026


Internationale kinderontvoering



Beschikking op het op 19 juni 2026 ingekomen verzoek van:




[de moeder]


de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.L. Weterings te Oegstgeest.



Als belanghebbende wordt aangemerkt





[de vader]


hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.



Als informant wordt aangemerkt:




Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
voorlopig voogdes over de na te noemen minderjarige.


Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 juni 2026 is de landelijk werkende Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] van 24 juni 2026 tot en met 8 juli 2026. Iedere verdere beslissing is aangehouden.


Bij beschikking van 7 juli 2026, schriftelijk uitgewerkt op 9 juli 2026, van deze rechtbank is de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] belast van 8 juli 2026 tot het moment – voor zover het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van [minderjarige 1] zal worden toegewezen – dat die beslissing tot teruggeleiding
ten uitvoer zal zijn gelegd.



Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2026 is mr. drs. A.M. Beijersbergen-Van Bosveld Heinsius benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige 1] . Iedere verdere beslissing is aangehouden.



De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:


 de e-mailberichten van 5 juli 2026, met bijlagen, van de vader;
 de e-mailberichten van 6 juli 2026 van de vader;
 het e-mailbericht van 10 juli 2026 van de vader;
 de e-mailberichten van 14 juli 2026, met bijlagen, van de vader;
 het e-mailbericht van 15 juli 2026 van de vader;
 het e-mailbericht van 17 juli 2026, met bijlagen, van de vader;
 het verslag van 21 juli 2026 van de bijzondere curator;
 het e-mailbericht van 21 juli 2026 van de vader;
 het F9 formulier van 21 juli 2026 van de moeder;
 de brief van 22 juli 2026 van de moeder;
 het e-mailbericht van 23 juli 2026 van de vader.




[minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken en heeft daar geen gebruik van gemaakt.

Op 23 juli 2026 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:


 de moeder (online), bijgestaan door haar advocaat en een tolk, P. Duijvekam (online);
 de vader (online) en een tolk, T. Kramer (online);
 de bijzondere curator (online);
 [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
 [naam 2] namens het Leger des Heils (hierna: de gecertificeerde instelling).




Feiten

 De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd op [dag] 2020 te [plaats 1] in Oekraïne. Bij uitspraak van de Primorski-districtsrechtbank [plaats 1] van 19 december 2024 is het huwelijk tussen de ouders ontbonden.
 Partijen zijn de ouders van:


 [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] , [geboorteland] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
 [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] in [geboorteland] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ).


 De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
 De moeder heeft de Oekraïense en de Amerikaanse nationaliteit. De vader en [minderjarige 1] hebben de Oekraïense nationaliteit.
 De moeder heeft zich gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. 260010.



Verzoek en verweer
De moeder verzoekt – met verklaring uitvoerbaar bij voorraad –:

te bevelen dat [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] in [geboorteland] , onmiddellijk, doch uiterlijk vóór 15 juli 2026 dient terug te keren naar zijn gewone verblijfplaats in Oekraïne, althans dat de terugkeer zal plaatsvinden op een datum en wijze als de rechtbank in goede justitie juist zal achten, waarbij de vader de minderjarige primair dient af te geven aan de moeder, dan wel subsidiair op de te bepalen datum terug dient te brengen naar Oekraïne, meer specifiek [plaats 1] , Oekraïne, althans de plek waar de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] is gelegen, dan wel indien de vader dit nalaat, te bevelen dat de vader de minderjarige op eerste verzoek dient af te geven aan de moeder of een nader te bepalen derde persoon met een geldig reisdocument, zodat de moeder de minderjarige alsnog zelfstandig kan teruggeleiden naar Oekraïne;



op grond van artikel 13, vierde lid, van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de jeugdwet te belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige [minderjarige 1] .


De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder.





Beoordeling


Rechtsmacht

Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Oekraïne zijn partij bij het Verdrag.



De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, indien de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland is (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Naar het oordeel van de rechtbank is de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige 1] echter niet vast te stellen. Onduidelijk is waar hij met de vader verblijft. In zo’n geval kan onder omstandigheden rechtsmacht worden toegekend aan de rechter van de verdragsstaat waar het kind vermoedelijk zijn werkelijke verblijfplaats heeft, of onder toepassing van de EU-Verordening Brussel I-bis (nr. 1215/2012) aan de rechter van de verdragsstaat van de laatst bekende werkelijke verblijfplaats van het kind, voor zover deze verblijfplaats niet al te ver in het verleden ligt. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat [minderjarige 1] van november 2024 tot april 2025 ingeschreven heeft gestaan in Nederland. [minderjarige 1] is in het voorjaar van 2025 bovendien inschreven op een school in Amsterdam, waar hij in juni 2025 naartoe zou gaan. Daarnaast heeft de vader treintickets overgelegd waaruit blijkt dat hij op 11 juni 2026 een reis per trein van Amsterdam naar Polen voor zichzelf en [minderjarige 1] heeft geboekt met vertrek op 12 juni 2026 en stukken waaruit een verblijf in een hotel in [plaats 2] , Polen blijkt van 13 tot en met 20 juni 2026. Er zijn echter geen tickets of andere documenten overgelegd waaruit blijkt dat de vader en [minderjarige 1] eerder vanuit Polen naar Nederland zijn gereisd en waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat het verblijf in Nederland een vakantie betrof. Ten slotte heeft de Nederlandse politie de vader en [minderjarige 1] op of kort voor 11 juni 2026, dus direct voorafgaand aan het boeken van de treintickets en het vertrek naar Polen, gelokaliseerd in Nederland. De rechtbank gaat er gelet op het bovenstaande vanuit dat [minderjarige 1] zijn laatst bekende werkelijke verblijfplaats in Nederland had, zodat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om over het teruggeleidingsverzoek te oordelen.



Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.



Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.




Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).




Moment van overbrenging

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige 1] op of omstreeks 24 september 2025 met de vader vanuit Turkije naar Moldavië is gereisd. Het teruggeleidingsverzoek van de moeder ziet op dat moment van overbrenging, zodat de rechtbank dit zal beoordelen.




Gewone verblijfplaats


[minderjarige 1] is op [geboortedatum 1] 2020 geboren in [geboorteplaats] , [geboorteland] . Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat de ouders op een bepaald moment ieder een huis hebben gekocht in Turkije. De huizen zijn bij elkaar in de buurt gelegen en de ouders zijn daar ieder met één kind gaan wonen. Beide kinderen hebben een verblijfsvergunning verkregen in Turkije. Vanuit Turkije zijn de ouders samen of apart van elkaar en met één of twee kinderen naar verschillende landen gereisd. Voorafgaand aan het moment van overbrenging verbleven beide ouders en beide kinderen in Turkije.



Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] voorafgaand aan de overbrenging naar Moldavië in Turkije was.




Gezagsrecht en ongeoorloofde overbrenging

Niet in geschil is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging niet had plaatsgevonden. Nu voorts niet in geschil is dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar Moldavië en vervolgens naar Nederland en dat de overbrenging van [minderjarige 1] naar Moldavië en vervolgens naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de moeder naar Turks recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige 1] naar Moldavië en vervolgens naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.




Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.



Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [minderjarige 1] naar Moldavië en vervolgens naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige 1] in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen.





Terugkeer naar een ander land dan de gewone verblijfplaats van het kind voorafgaand aan de overbrenging

Als uitgangspunt van het Verdrag geldt dat de onmiddellijke terugkeer van een kind wordt gelast naar het land van zijn gewone verblijfplaats voorafgaand aan de overbrenging. Dat is in dit geval Turkije. De moeder heeft echter gevraagd om teruggeleiding naar Oekraïne. Zij verblijft niet meer in Turkije en woont nu in Oekraïne.



De rechtbank overweegt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Verdrag kan worden afgeleid dat een teruggeleidingsbevel beoogt de feitelijke situatie vóór de ontvoering van het kind te herstellen, wat in beginsel betekent dat een ontvoerd kind teruggeleid zal moeten worden naar de feitelijke omgeving van waaruit het is ontvoerd. Volgens het Toelichtend rapport van Pérez-Vera is het echter mogelijk hiervan af te wijken, bijvoorbeeld indien de achtergebleven ouder daar niet langer woont. De tekst van artikel 12 lid 1 van het Verdrag biedt daartoe ook ruimte en in de rechtspraak en literatuur wordt dit ook onderkend en onder omstandigheden toegestaan. De rechtbank zal dit in de onderstaande beoordeling meenemen.




Weigeringsgronden

Teruggeleiding zal niet plaatsvinden, indien sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag of van een omstandigheid als bedoeld in artikel 20 van het Verdrag.



De vader heeft betoogd dat sprake is van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.




Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.



De rechtbank is van oordeel dat de vader in het licht van de gemotiveerde betwisting van de moeder niet heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet en overweegt daartoe het volgende.



De vader heeft zijn stelling dat [minderjarige 1] zou worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht indien hij zou moeten terugkeren naar de moeder in Oekraïne, onderbouwd met rapporten van psychologen. Bij het onderzoek dat door deze psychologen zou zijn gedaan, is de moeder niet betrokken. De rapporten zijn opgesteld op basis van het eenzijdige verhaal van de vader. De rechtbank kan daaruit niet concluderen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. De vader heeft daarnaast nog naar voren gebracht dat Oekraïne op dit moment onveilig is voor [minderjarige 1] , gelet op de oorlogssituatie in het land. De rechtbank overweegt daaromtrent dat de moeder onweersproken heeft gesteld dat het goed gaat en veilig is in het gebied waar de moeder woont, tegen de Moldavische grens aan. De scholen zijn daar open en de instanties werken door. Ook om die reden leidt een terugkeer van [minderjarige 1] naar de moeder in Oekraïne niet tot een situatie als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.



Nu er geen sprake is van een van de weigeringsgronden, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen, in dit geval naar Oekraïne, omdat de moeder daar verblijft.




Afgifte aan de moeder

De moeder heeft primair afgifte van [minderjarige 1] aan haar verzocht. Hoewel de strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) is dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst, zal de rechtbank het verzoek tot afgifte van [minderjarige 1] aan de moeder toewijzen , nu zij dat in het belang van [minderjarige 1] acht, omdat de moeder inmiddels niet meer in Turkije, het land van herkomst, maar in Oekraïne woonachtig is.




Uitvoerbaar bij voorraad

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [minderjarige 1] een eventuele uitspraak in hoger beroep kan afwachten en zal het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 24 augustus 2026, zijnde de vierde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.




Bijzondere curator

De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 1] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hem bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.




Beslissing
De rechtbank:


*
gelast de terugkeer van de minderjarige:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
naar Oekraïne uiterlijk op 24 augustus 2026, waarbij de vader [minderjarige 1] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 24 augustus 2026, opdat de moeder [minderjarige 1] zelf mee terug kan nemen naar Oekraïne;



*
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 6 september 2026 als beëindigd;



*
wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mrs. E.D.A. Geleijns, C. Witteman en T.M. Coppes, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 augustus 2026.