Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25713

2026-08-06 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/707481 / FA RK 26-6208
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-06
Publicatiedatum
2026-09-06
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/707481 / FA RK 26-6208
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering; verzoek tot teruggeleiding afgewezen i.v.m. weigeringsgrond ondragelijke toestand

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.823 tekens)
Rechtbank Den HAAG


Meervoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 26-6208
Zaaknummer: C/09/707481
Datum beschikking: 6 augustus 2026


Internationale kinderontvoering



Beschikking op het op 19 juni 2026 ingekomen verzoek van:




[de vader],

de vader,
wonende in [land],
advocaat: mr. Y.M. Schrevelius in Rotterdam.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers in Breda.




Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2026 is drs. A. van Teijlingen benoemd tot bijzondere curator over de kinderen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Iedere verdere beslissing is aangehouden.


De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:


 het e-mailbericht van 7 juli 2026 van de vader;
 het verweerschrift van 18 juli 2026, met bijlagen, van de moeder;
 het F9 formulier van 21 juli 2026, met bijlagen, van de vader;
 de F9 formulieren van 22 juli 2026, met bijlagen, van de vader.




[minderjarige 2] is op 23 juli 2026 in raadkamer gehoord. [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.

Op 23 juli 2026 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:


 de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
 de moeder, bijgestaan door een waarneemster van haar advocaat, mr. H.P. Scheer;
 de bijzondere curator;
 [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).



Op de zitting is namens de Raad een verslag van het verloop van het begeleide omgangsmoment tussen de vader en de kinderen op 6 juli 2026 overgelegd.




Feiten

 De vader en de moeder zijn gehuwd geweest.
 Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:


 [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats], [geboorteland];
 [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats], [geboorteland];
 [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2020 in [geboorteplaats], [geboorteland].

 Zij zijn tevens de ouders van de meerderjarige [meerderjarige], geboren op

[geboortedatum 4] 2004 te [geboorteplaats], [geboorteland].

 De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.
 In de zomer van 2025 is de moeder met de kinderen naar Nederland gegaan en niet meer teruggekeerd naar Denemarken.
 De vader en de kinderen hebben de Deense nationaliteit. De moeder heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
 De vader heeft zich op 26 april 2026 gewend tot de Deense Centrale autoriteit, die de zaak op 4 mei 2026 heeft doorgeleid naar de Nederlandse Centrale autoriteit.




Verzoek en verweer
De vader verzoekt:

 de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te bevelen, uiterlijk op 1 juli 2026, althans de terugkeer van de kinderen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de vader de kinderen zal ophalen in Nederland en zal terugbrengen naar Denemarken, en te bevelen dat de moeder de kinderen op deze datum dient te overhandigen aan de vader, waarbij de rechtbank dient te bepalen dat de moeder tevens de geldige reisdocumenten van de kinderen aan de vader verstrekt, zodat de vader de kinderen terug kan leiden naar Denemarken;
 te bepalen dat de Stichting Jeugdbescherming zal worden belast met de voorlopige voogdij over de kinderen tot het moment van afgifte aan de vader, dan wel teruggeleiding naar Denemarken;
 de vader te machtigen, althans zijn toestemming te verlenen, om deze beschikking zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
 te bepalen dat de moeder de nader nog te specificeren kosten zal betalen, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
 veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure,

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.


De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader.




Beoordeling


Rechtsmacht

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Denemarken zijn partij bij het Verdrag.



De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.



Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.




Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).



Niet in geschil is dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland op 28 juni 2025 hun gewone verblijfplaats in Denemarken hadden. Evenmin in geschil is dat het gezagsrecht daadwerkelijk gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging niet had plaatsgevonden. Wel in geschil is de vraag of de vader toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de kinderen naar Denemarken. Opgemerkt zij dat het moet gaan om expliciete toestemming. Impliciete toestemming is niet voldoende om aan te nemen dat de kinderen overgebracht mochten worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder in het licht van de betwisting door de vader onvoldoende onderbouwd dat de vader expliciet toestemming heeft gegeven voor een verhuizing naar Nederland. Een expliciete toestemming blijkt niet uit de stukken die door de moeder zijn overgelegd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat deze toestemming ontbrak.



Nu de vader geen expliciete toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar Nederland en de overbrenging van de kinderen naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Deens recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van de kinderen naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.




Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.



Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de kinderen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de kinderen in Nederland zijn geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de kinderen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.



De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a en artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.




Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust.



De moeder stelt dat de vader heeft berust in het vertrek van de kinderen naar Nederland. Hij was aanwezig bij het vertrek en was ervan op de hoogte dat de moeder haar persoonlijke bezittingen en de spullen van de kinderen inpakte. Na 28 juni 2025 is er nog maandenlang per WhatsApp gecommuniceerd tussen de ouders en uit die berichten blijkt de berusting. De vader heeft op geen enkele wijze laten weten niet akkoord te gaan met de verhuizing van de kinderen naar Nederland. De moeder mocht er dan ook op vertrouwen dat de vader hierin volledig berustte. Hij heeft nimmer gevraagd om terugkeer naar Denemarken. De vader daarentegen stelt dat er geen sprake is van berusting. Toen voor hem duidelijk werd dat de moeder niet met de kinderen zou terugkeren naar Denemarken, heeft hij direct actie ondernomen en via de Centrale autoriteit om teruggeleiding naar Denemarken verzocht.



De rechtbank stelt voorop dat berusting in de zin van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag slechts onder strenge voorwaarden kan worden aangenomen. Om te beoordelen of sprake is van berusting van de achtergebleven ouder dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Daarbij dient gekeken te worden naar de gedragingen van de achtergebleven ouder zelf, zowel in actieve als in passieve zin, en niet naar de wijze waarop anderen deze gedragingen hebben opgevat. Beslissend is of uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid dat de achtergebleven ouder heeft aanvaard dat het hoofdverblijf van het kind voortaan in Nederland zal zijn. Berusting kan onder omstandigheden ook worden aangenomen op basis van een eenmalig of kortstondige, doch ondubbelzinnige en weloverwogen instemming met het definitieve verblijf van het kind in de nieuwe verblijfplaats (zie HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6126).



De rechtbank overweegt als volgt. Uit de inhoud van de appberichten die door de moeder zijn overgelegd, blijkt niet dat de vader consistent heeft berust in het verblijf van de kinderen in Nederland. De vader geeft juist aan bij de moeder dat zij zonder zijn toestemming met de kinderen vanuit Denemarken naar Nederland is vertrokken en in reactie aan de Deense rechtbank geeft de moeder zelf aan dat de vader bezwaar heeft gemaakt tegen een definitief vertrek van de kinderen naar Nederland. De vader heeft bovendien een verzoek tot teruggeleiding ingediend bij de Deense Centrale autoriteit in april 2026. De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat er geen sprake is van ondubbelzinnige berusting in de zin van het Verdrag. Het beroep van de moeder op deze weigeringsgrond slaagt daarom niet.




Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.



De moeder stelt dat de kinderen bij terugkeer naar Denemarken zullen worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar en dat zij in een ondragelijke toestand terecht komen. Er is jarenlang sprake geweest van intieme terreur, bedreiging en mishandelingen, waar de kinderen zwaar onder hebben geleden. In Denemarken is hulpverlening betrokken geweest, maar de vader heeft daar nooit zijn medewerking aan verleend. Bovendien zijn de kinderen in Denemarken bij een recente beschikking voorlopig toevertrouwd aan de vader, zodat de kans bestaat dat de kinderen bij terugkeer naar Denemarken direct van de moeder worden gescheiden. Dit risico bestaat eveneens door de aangifte bij de politie van kinderontvoering die de vader in Denemarken tegen de moeder heeft gedaan. Een scheiding van de moeder levert ook een ondragelijke toestand voor de kinderen op, omdat de moeder altijd alleen voor de kinderen heeft gezorgd.



De vader betwist dat de kinderen bij terugkeer worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar dan wel dat zij in een ondragelijke toestand terecht komen. De vader betwist dat er sprake is geweest van partner- en/of kindermishandeling. Uit recent bloedonderzoek volgt dat de vader geen drank of drugs gebruikt en hij heeft geen strafblad. De moeder heeft nooit aangifte tegen hem gedaan, hetgeen aannemelijk zou zijn indien er sprake zou zijn geweest van huiselijk geweld. In Denemarken heeft de Familieretshuset recent na onderzoek aan de vader de tijdelijke ouderlijke verantwoordelijkheid over de kinderen toegekend. In een reactie aan de Familieretshuset geeft de moeder bovendien aan dat zij bereid is een terugkeer met de kinderen naar Denemarken te organiseren.



De rechtbank is van oordeel dat de moeder heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de kinderen door hun terugkeer naar Denemarken in een ondragelijke toestand worden gebracht. De rechtbank licht dat als volgt toe.



De vader heeft op de zitting betoogd dat hij aangifte heeft gedaan tegen de moeder bij de politie in Denemarken vanwege het niet doen terugkeren van de kinderen naar Denemarken. De Raad heeft op de zitting naar voren gebracht dat het vaker voorkomt dat moeders in eenzelfde situatie bij terugkeer naar het land waar aangifte tegen de moeders is gedaan van kinderontvoering voor langere tijd worden vastgezet, ook in Europese landen. Bij de moeder leeft dan ook de gerechtvaardigde vrees dat zij bij terugkeer naar Denemarken kan en zal worden gearresteerd door de politie en wordt gescheiden van haar kinderen. Dit geldt te meer nu er in Denemarken een uitspraak van de Familieretshuet van 22 juli 2026 ligt waarin de kinderen voorlopig aan de vader zijn toevertrouwd. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat een scheiding van de moeder een ondragelijke toestand oplevert voor met name [minderjarige 1]. [minderjarige 1] is een jongen met een speciale behoefte in het autismespectrum. Het is van belang dat aan hem een veilige en gestructureerde omgeving wordt geboden, een omgeving die hij op dit moment bij zijn moeder heeft. Zij is zijn hoofdopvoeder en het is van belang dat hij niet van haar gescheiden wordt. De kinderen hebben een speciale band met elkaar en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noemen hun broer [minderjarige 1] hun ‘speciale broer’. Indien [minderjarige 1] in Nederland mag blijven – zodat hij bij de moeder kan blijven – maar [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wel terug moeten keren, dan levert de scheiding van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van hun broer voor hen een ondragelijke toestand op.



De rechtbank merkt daarbij op dat uit het bericht van de Familieretshuset van 20 mei 2026, dat door de moeder als productie 4 is overgelegd, blijkt dat de moeder en de kinderen de afgelopen jaren voor hun veiligheid meerdere keren zijn opgenomen in een vrouwenopvang na een conflict in de thuissituatie. Uit het bericht blijkt dat de moeder slachtoffer is van huiselijk geweld en de kinderen geven zelf in gesprek met de bijzondere curator en [minderjarige 2] in het gesprek met de rechtbank aan dat zij dit hebben gezien. Voorts blijkt uit genoemd bericht dat de Family Services Department al jaren bekend is met het gezin en de moeder steeds actief heeft meegewerkt aan de verstrekte hulpverlening, maar de hulpverlening keer op keer geen contact kreeg met de vader. Ondanks deze situatie zijn de kinderen in Denemarken recent voorlopig toevertrouwd aan de vader. Als de kinderen terug moeten naar Denemarken en gescheiden worden van de moeder, dan komen zij mogelijk bij de vader terecht. De rechtbank is van oordeel dat ook dit voor de kinderen een ondragelijke toestand oplevert.



Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de teruggeleiding van de kinderen naar Denemarken en de daarmee samenhangende verzoeken afwijzen. Dat geldt ook voor het verzoek tot het uitspreken van een voorlopige voogdij over de kinderen. Nu de rechtbank het verzoek van de vader zal afwijzen, is er geen grond voor een dergelijke maatregel.




Kosten

Nu het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de kinderen naar Denemarken wordt afgewezen, zal ook het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder in de proceskosten worden afgewezen. Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.




Bijzondere curator

De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hen bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.





Beslissing
De rechtbank:


*
wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de kinderen:


 [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats], [geboorteland],
 [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats], [geboorteland],
 [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2020 in [geboorteplaats], [geboorteland],

naar Denemarken;


*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;



*
wijst af het meer of anders verzochte;



*
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 6 september 2026 als beëindigd.











Deze beschikking is gegeven door mrs. E.D.A. Geleijns, C. Witteman en T.M. Coppes, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 augustus 2026.




Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.