Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25610

2026-09-02 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.25218
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.25218
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Artikel 8 EVRM. Familieleven tussen eiseres en referent. Niet deugdelijk onderzocht of sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en kleinkinderen. Schending hoorplicht. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.951 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL25.25218



V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres
(gemachtigde: mr. F. Zeven),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).

Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1963. [referent] is de zoon van eiseres en is referent in deze zaak. Referent is in 2017 vertrokken vanuit Syrië naar Turkije. Hij is in 2021 Nederland ingereisd en heeft in Nederland asiel gekregen. Hij heeft toen eerst een aanvraag ingediend voor gezinshereniging met zijn vrouw en drie kinderen. Verweerder heeft deze aanvraag toegewezen. Op 8 september 2022 heeft referent voor eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv.



2.2.
Met het primaire besluit van 30 oktober 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.



2.3.
Met het bestreden besluit van 11 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich kortgezegd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referent, omdat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Volgens verweerder is ook geen sprake van familieleven tussen eiseres en de kleinkinderen, omdat er geen hechte persoonlijke banden tussen eiseres en de kleinkinderen bestaan. Verweerder heeft geen hoorzitting gehouden in de bezwaarfase, omdat het bezwaar volgens verweerder kennelijk ongegrond is.



2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, de gemachtigde van eiseres, H. Bal-Ponne als tolk in de Syrische taal en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank


3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres voor een mvv op goede gronden heeft afgewezen.




Familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM




4.1.
Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en referent. Volgens eiseres hadden de samenwoning, de medische omstandigheden en de bijzondere emotionele band tussen haar en referent zwaarder moeten worden meegewogen.



4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.



4.3.
Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Er moet dan sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. De rechtbank toetst de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid – evenals het EHRM doet en conform de jurisprudentie van het EHRM– vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025 en maakt deze overwegingen de hare.



4.4.
De rechtbank stelt vast dat eiseres en referent hun hele leven hebben samengewoond, tot aan de vlucht van referent in 2017. Ook toen referent trouwde en een gezin startte, bleef eiseres met referent en zijn gezin samenwonen. De samenwoning is onvrijwillig verbroken, door de vlucht van referent. Eiseres heeft toen nog een tijdje samengewoond met de echtgenoot van referent en de kinderen. Maar ook die samenwoning is later onvrijwillig verbroken, omdat de echtgenoot van referent en de kinderen ook zijn gevlucht. Eiseres kon niet met hen mee vluchten, vanwege haar medische omstandigheden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden gevolgd dat eiseres niet kon meevluchten, omdat eiseres niet heeft onderbouwd welke pogingen zij zou hebben ondernomen om mee te vluchten. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Verweerder heeft niet betwist dat bij eiseres sprake is van medische problematiek. Haar onderlichaam is volledig verlamd vanaf haar middenrif. Zij heeft voortdurend erge pijn aan haar rug en wervelkolom en heeft last van spastische colonaanvallen. De rechtbank vindt het aannemelijk dat eiseres vanwege haar medische problematiek niet kon meevluchten met het gezin uit een land in oorlogssituatie. Het had daarom niet van eiseres verwacht hoeven te worden om te onderbouwen welke pogingen zij zou hebben ondernomen om mee te reizen. De langdurige samenwoning is naar het oordeel van de rechtbank een belangrijke factor die bijdraagt aan de band tussen eiseres en referent.



4.5.
De rechtbank stelt verder vast dat eiseres door referent financieel wordt ondersteund. Zij ontvangt ook pensioen, maar heeft toegelicht dat dit pensioen niet toereikend is om de huur van haar kamer te betalen. Zonder de financiële steun van referent zou zij zich niet redden. Dit is een factor die bijdraagt aan de band tussen eiseres en referent. Dat, zoals verweerder stelt, de financiële ondersteuning mogelijk ook op afstand zou kunnen plaatsvinden, doet daar niet aan af.



4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij eiseres sprake is van medische problematiek. In 2013 is zij geopereerd aan haar rug. Eiseres werd voor, tijdens en na die operatie volledig verzorgd door referent en zijn echtgenoot. Dit heeft zij zo verklaard tijdens de hoorzitting in het kader van de aanvraag. Verweerder heeft dit niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat sprake is geweest van medische afhankelijkheid. Voor zover verweerder heeft gesteld dat geen sprake is van medische afhankelijkheid omdat is gebleken dat eiseres zelfstandig kan functioneren zonder de hulp van referent en zijn gezin, volgt de rechtbank verweerder niet. Uit het arrest Martinez Alvarado volgt namelijk dat voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is vereist dat een vreemdeling zonder een referent niet zelfstandig kan functioneren.



4.7.
De rechtbank neemt verder aan dat tussen eiseres en referent sprake is van een bijzondere emotionele band. Referent is het enige kind van eiseres. Eiseres was alleenstaande moeder en heeft altijd zelf voor referent gezorgd. Tot aan de vlucht van referent hebben eiseres en referent altijd samengewoond. Eiseres en referent hebben ook samen in detentie gezeten en hebben daar een marteling ondergaan. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat moet worden aangenomen dat er een sterke wederzijdse emotionele afhankelijkheid bestaat tussen eiseres en referent.



4.8.
Verder is van belang dat eiseres geen tot weinig sociale contacten meer heeft in haar land van herkomst. Dat heeft verweerder ook niet betwist.



4.9.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het feit dat eiseres en referent bijna hun hele leven hebben samengewoond, de financiële ondersteuning door referent, de medische omstandigheden van eiseres, de sterke emotionele afhankelijkheid en de beperkte banden met het land van herkomst maken dat tussen eiseres en referent sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dat betekent dat sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referent. Verweerder moet daarom een belangenafweging maken.



Hechte persoonlijke banden met de (klein)kinderen





5.1.
Eiseres voert aan dat verweerder de hechte persoonlijke banden tussen eiseres en de kleinkinderen onzorgvuldig heeft onderzocht en het besluit op dit punt gebrekkig heeft gemotiveerd.



5.2.
Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat familie- of gezinsleven tussen grootouders en hun kleinkinderen wordt aangenomen als sprake is van hechte persoonlijke banden. De vraag of sprake is van ‘hechte persoonlijke banden’ is een kwestie van feitelijke aard. Of sprake is van hechte persoonlijke banden moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Een omstandigheid die kan duiden op hechte persoonlijke banden is bijvoorbeeld samenwoning. Ook als de relatie de gebruikelijke omgang ontstijgt, kan dit duiden op hechte persoonlijke banden. Ten aanzien van grootouders en kinderen heeft het EHRM overwogen dat, hoewel het samenwonen van een grootouder en een kleinkind geen vereiste is voor het aannemen van familie- en gezinsleven, aangezien frequent contact ook voldoende kan zijn voor het ontstaan van hechte persoonlijke banden, deze banden doorgaans worden aangenomen indien een grootouder en een kleinkind een tijd hebben samengewoond.



5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk onderzocht of sprake is van hechte en persoonlijke banden tussen eiseres en de kinderen en het besluit op dit punt gebrekkig gemotiveerd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De kinderen zijn geboren binnen het gezin waar eiseres deel van uitmaakte. Zij hebben van 2011 tot hun vertrek in 2017 samengewoond met eiseres en zijn in haar dagelijkse aanwezigheid opgegroeid. Zij was nauw betrokken bij de opvoeding, met name toen referent vertrok. Eiseres en de echtgenote van referent hebben toen samen voor de kinderen gezorgd. Op de zitting is door referent toegelicht dat de kinderen eiseres zien als hun tweede moeder en dat eiseres de kinderen vaak spreekt via de telefoon, maar dat eiseres dan steeds moet huilen. Tegen deze achtergrond is het voor de rechtbank duidelijk dat eiseres als het ware altijd deel heeft uitgemaakt van het kerngezin van referent.



Horen in bezwaar





6.1.
Eiseres voert aan dat verweerder een hoorzitting had moeten houden in de bezwaarfase. Verweerder heeft namelijk in het bestreden besluit aantal bezwaargronden van eiseres gevolgd. Daarbij heeft eiseres expliciet verzocht om een hoorzitting in de bezwaarfase.



6.2.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan.



6.3.
De rechtbank is het met eiseres eens dat verweerder niet heeft kunnen afzien van het houden van een hoorzitting in de bezwaarfase. Dit allereerst, omdat verweerder in het bestreden besluit een aantal bezwaargronden (deels) heeft gevolgd. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank al dat er twijfel was of het bezwaar tot een ander standpunt kon leiden. Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de hoorplicht niet is geschonden omdat eiseres in de aanvraagfase uitgebreid is gehoord, volgt de rechtbank verweerder niet. Eiseres heeft in bezwaar veel aangevoerd en nieuwe elementen ingebracht. Daarbij gaat het hier om een zaak waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. De feiten en omstandigheden van het geval zijn op meerdere besluitonderdelen van belang. Ook zijn er in Nederland woonachtige kinderen betrokken. Daarbij komt dat eiseres specifiek heeft verzocht om het houden van een hoorzitting. Deze omstandigheden hadden voor verweerder aanleiding moeten zijn om een hoorzitting te houden.



6.4.
Het voorgaande betekent dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Nu de rechtbank al heeft vastgesteld dat sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en referent in de zin van artikel 8 van het EVRM, dient verweerder een hoorzitting te houden in het kader van de belangenafweging op dat onderdeel. Verweerder dient eiseres, dan wel referent ook te horen over de banden tussen eiseres en de kleinkinderen, nu de rechtbank ook heeft geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat tussen eiseres en haar kleinkinderen geen sprake is van hechte persoonlijke banden.



6.5.
De rechtbank geeft verweerder hierbij in overweging, onder verwijzing naar artikel 12 van het IVRK, om de kinderen eveneens de gelegenheid te bieden om te worden gehoord. De drie oudste kinderen zijn (op het moment van deze uitspraak) 9, 12 en 14 jaar oud en gebleken is dat zij in staat zijn om hun mening te vormen over de voorliggende situatie.



Vertrouwensbeginsel





7.1.
Eiseres doet ten slotte een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens eiseres zijn met het besluit van 18 augustus 2023 de gezinsherenigingsaanvragen van referent ingewilligd, ook die van eiseres. Met een brief van 22 augustus 2023 heeft verweerder eiseres geïnformeerd dat haar naam door een administratieve fout was opgenomen in de beschikking van 18 augustus 2023, maar volgens eiseres is dit in strijd met het vertrouwensbeginsel. De beschikking van 18 augustus 2023 is door verweerder niet formeel (gedeeltelijk) ingetrokken, eiseres mocht dus uitgaan van de inhoud van die beschikking.



7.2.
De rechtbank kan zich goed voorstellen dat het voor referent verwarrend en teleurstellend was om te horen dat de aanvraag van eiseres toch niet is ingewilligd. Op de zitting heeft verweerder ook erkend dat het een extreem ongelukkige situatie is. Naar het oordeel van de rechtbank kan het beroep op het vertrouwensbeginsel in dit geval echter niet slagen. Bij een beroep op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk worden gemaakt dat het bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht worden afgeleid of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. De beschikking van 18 augustus 2023 kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet worden gezien als een toezegging. Verweerder heeft de fout snel hersteld, namelijk met een brief van 22 augustus 2023, vier dagen na de beschikking van 18 augustus 2023. In die brief gaf verweerder meteen aan dat het ging om een administratieve fout. Verder ging het in de beschikking om een ander soort aanvraag dan de aanvraag van eiseres. De aanvraag van eiseres was namelijk op grond van artikel 8 van het EVRM en de aanvraag van de echtgenoot en de kinderen was een nareisaanvraag. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.




Conclusie en gevolgen


8.1.
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder daarvoor een termijn van acht weken.



8.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder de proceskosten aan eiseres vergoeden. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 11 juli 2025;


draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Europees Hof voor de Rechten van de Mens.


ECLI:NL:RBDHA:2025:22362, r.o. 9-9.5.


Zie paragrafen 39-42 van het arrest van het Hof van 10 december 2024, Martinez Alvarado t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021.


Zie paragraaf 49 van het arrest Martinez Alvarado en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275.


Zie bijvoorbeeld paragraaf 48 van het arrest van het EHRM van 26 november 2013, Vasquez tegen Zwitserland van 26 november 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1126JUD00178508.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, rechtsoverweging 2.


Zie bijvoorbeeld paragraaf 108 van het arrest van het EHRM van 25 november 2014, Kruškić tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013.


Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.


Verdrag inzake de rechten van het kind.


Nu uit rechtspraak van het EHRM volgt dat artikel 12 van het IVRK van toepassing is in elke gerechtelijke en administratieve procedure waarin artikel 8 van het EVRM aan de orde is. Zie de uitspraak van het EHRM van 3 september 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:0903JUD001016113, paragraaf 181 (M. en M. t. Kroatië).