Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25593

2026-08-31 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.19023
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-31
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
NL25.19023
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Eiseres heeft de nationaliteit van een derde land (Kazachstan) en voldoet niet aan de voorwaarden die de regeling stelt voor het bieden van tijdelijke bescherming aan derdelanders. De rechtbank ziet ook geen grond voor het oordeel dat de weigering om eiseres de gevraagde tijdelijke bescherming te verlenen in strijd is met het doel en de uitgangspunten van de regeling zelf of de bepalingen van internationaal recht waarop eiseres zich heeft beroepen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Volledige tekst

Volledige tekst (21.471 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.19023


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. T.E. van Houwelingen-Boer),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Samenvatting


Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres eerder aanspraak kan maken op tijdelijke bescherming op grond van de regeling tijdelijke bescherming dan haar per 15 januari 2026 wel is verleend. Het gaat hier om tijdelijke bescherming die wordt verleend aan Oekraïense burgers, of onderdanen van andere (derde) landen die sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne op 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt en die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne de vluchtelingenstatus of gelijkwaardige bescherming genoten. Eiseres voldeed ten tijde van de besluitvorming niet aan de voorwaarden van de regeling. Verweerder heeft daarom deze aanvraag van eiseres, om aanspraak te maken op de regeling voor tijdelijke bescherming, afgewezen. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Eiseres heeft de nationaliteit van een derde land (Kazachstan) en voldoet niet aan de voorwaarden die de regeling stelt voor het bieden van tijdelijke bescherming aan derdelanders. De rechtbank ziet ook geen grond voor het oordeel dat de weigering om eiseres de gevraagde tijdelijke bescherming te verlenen in strijd is met het doel en de uitgangspunten van de regeling zelf of de bepalingen van internationaal recht waarop eiseres zich heeft beroepen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. In het primaire besluit van 13 december 2024 heeft verweerder besloten dat eiseres geen recht heeft op tijdelijke bescherming, als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit).



2.1.
Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Gedurende de bezwaarprocedure heeft de voorzieningenrechter op 14 februari 2025 een voorlopige voorziening toegewezen, die inhield dat het primaire besluit werd geschorst en eiseres daarom moest worden behandeld als een vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet op grond van de RTB.



2.2.
In het bestreden besluit van 9 april 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.



2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Gedurende de beroepsfase heeft de voorzieningenrechter op 19 mei 2025 de voorlopige voorziening toegewezen, die inhield dat het bestreden besluit werd geschorst en eiseres daarom moest worden behandeld als een vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet op grond van de RTB.



2.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting bericht dat eiseres niet in staat was aan de zitting deel te nemen.




Beoordeling door de rechtbank



Achtergrond




3. Eiseres is geboren op [datum 1] 1998 en heeft de Kazachse nationaliteit. Eiseres heeft zich op 25 november 2024 ingeschreven in Nederland. Zij heeft toen verweerder verzocht om toepassing te geven aan de RTB en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit. Eiseres woonde tijdens het uitbreken van de oorlog in Oekraïne samen met haar Oekraïense man, [naam 1] . Hij heeft de Oekraïense nationaliteit en diende in het leger toen eiseres naar Nederland kwam. Zij hebben samen een zoon, [naam 2] , geboren op [datum 2] 2024 en met de Oekraïense nationaliteit. Eiseres is samen met [naam 2] naar Nederland gekomen. [naam 2] heeft bij aankomst in Nederland wel tijdelijke bescherming gekregen onder de RTB. Eiseres had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning.



3.1.
Eiseres geniet sinds 15 januari 2026 wel bescherming onder de RTB, omdat haar echtgenoot zich inmiddels in Nederland bij haar heeft gevoegd en eiseres heeft aangetoond dat zij een relatie met hem had ten tijde van het uitbreken van de oorlog.



Besluit van verweerder




4. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om toepassing te geven aan de RTB in het besluit van 13 december 2024 afgewezen, nadat hij heeft vastgesteld dat eiseres niet beschikt over een Oekraïense asielvergunning of permanente verblijfsvergunning die geldig was op 23 februari 2022 en niet afhankelijk is van een gezinslid die tijdelijke bescherming heeft in Nederland als bedoeld in de RTB. Eiseres behoort daarom niet tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne die recht hebben op tijdelijke bescherming in Nederland. Verweerder wijst in dit verband naar artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV).




4.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder aan deze motivering het volgende toegevoegd. Aan eiseres is tijdelijke bescherming geweigerd, omdat zij de Kazachse nationaliteit heeft en niet in het bezit was van een Oekraïense asielvergunning of permanente verblijfsvergunning, die geldig was op 23 februari 2022. Eiseres was in de Oekraïne alleen in het bezit van een tijdelijke verblijfsvergunning. Eiseres valt daarom niet onder het bereik van de RTB. Eiseres kan niet als gezinslid van haar partner in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming. Haar partner verblijft namelijk niet in Nederland. Verder bepaalt de RTB dat voor het verkrijgen van een van een gezinslid afhankelijk verblijfsrecht de aanvrager zelf afhankelijk moet zijn van het gezinslid. Eiseres is niet afhankelijk van haar zoon, maar haar zoon is juist afhankelijk van eiseres. Om deze reden kan eiseres niet worden aangemerkt als afhankelijk gezinslid van een begunstigde die onder de RTB valt.



Heeft eiseres procesbelang bij haar beroep?




5. De rechtbank stelt voorop dat eiseres inmiddels wel tijdelijke bescherming geniet onder de RTB. De rechtbank ziet zich daarom ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres nog procesbelang heeft bij haar beroep. De rechtbank heeft eiseres daarom op 26 juni 2026 verzocht om te concretiseren waar haar procesbelang uit bestaat, ook met het oog op de twee voorlopige voorzieningen die eerder zijn toegewezen. Eiseres heeft in haar antwoord van 29 juni 2026 aangegeven dat zij enerzijds een financieel belang heeft omdat haar leefgeld mogelijk kan worden teruggevorderd. Anderzijds omdat een eerder ingangsmoment van de tijdelijke bescherming onder de RTB met zich brengt dat zij op een eerder moment in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, of naturalisatie.




5.1.
De rechtbank ziet in het voorgaande voldoende reden om aan te nemen dat eiseres een rechtens te beschermen belang heeft bij haar beroep. Daarbij komt dat verweerder het procesbelang van eiseres niet heeft betwist. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk behandelen.



Waar zien de gronden van het beroep op?



6. De rechtbank begrijpt uit de gronden van het beroep en het verhandelde ter zitting dat eiseres niet betoogt dat verweerder haar een zelfstandig verblijfsrecht onder de RTB had moeten verlenen, maar dat verweerder aan haar wel eerder dan met de komst naar Nederland van haar echtgenoot een afgeleid verblijfsrecht had moeten verlenen. Eiseres onderkent weliswaar dat naar de letter van de voor het gevraagde afgeleid verblijfsrecht relevante bepalingen van de RTB en het Uitvoeringsbesluit, eiseres daarop geen aanspraak kan maken. Echter, de vraag die de rechtbank in deze uitspraak dient te beoordelen is of de situatie van ‘omgekeerde afhankelijkheid’ zoals die in het geval van eiseres en haar zoon bestaat ook recht geeft op tijdelijke bescherming op grond van de RTB.



Had verweerder eiseres een van haar zoon afgeleid verblijfsrecht op grond van de RTB moeten verlenen, gelet op het doel en de uitgangspunten van de RTB en bepalingen van internationaal recht?



7. Eiseres voert aan dat aan haar een van haar zoon afgeleid verblijfsrecht op grond van de RTB had moeten worden verleend, gelet op het feit dat de grondrechten belangrijke pijlers vormen van het beschermingsregime van de RTB en het daaraan gekoppelde Uitvoeringsbesluit. Dat betekent dat bepalingen inzake het recht op respect voor het familie- en gezinsleven (artikel 7 van het Handvest), het non-discriminatiebeginsel (artikel 21, eerste lid, van het Handvest) en de belangen van het kind (artikel 24, tweede lid, van het Handvest) allemaal deel uitmaken van de doelen en uitgangspunten van de RTB en het daaronder hangende Uitvoeringsbesluit. Ook het EVRM is een van de uitgangspunten van de RTB. Verder speelt een cruciale rol dat in punt 11 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit staat dat het van belang is de eenheid van gezinnen te bewaren en te voorkomen dat leden van hetzelfde gezin een verschillende status genieten. Ook in artikel 15, vierde lid, van de RTB zelf is expliciet vastgelegd dat rekening gehouden moet worden met de rechten van kinderen, waaronder begrepen moet worden artikel 24, tweede lid, van het Handvest, maar ook artikel 3 IVRK. In het licht daarvan is ook artikel 2, eerste lid, IVRK hier van belang, dat discriminatie van kinderen verbiedt. Dat het primaire doel van het RTB het ontlasten van de asielstelsels is, betekent niet dat daarmee de uitgangspunten die zien op eenheid van het gezin, de rechten van het kind en het voorkomen van discriminatie terzijde kunnen worden geschoven. Als deze twee uitgangspunten botsen, moet verweerder een belangenafweging maken om te beoordelen welke uitgangspunten zwaarder wegen. In het bestreden besluit ontbreekt die afweging echter volledig. Eiseres verwijst in dit kader ook naar de arresten CR, GF en TY, en Zhu en Chen van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Hoewel eiseres en haar zoon niet fysiek worden gescheiden, botst een procedurele scheiding tussen eiseres en haar zoon ook met punt 11 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit.



7.1.
Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het voornaamste doel van de RTB is om tijdelijke bescherming te geven aan personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn als gevolg van het conflict in Oekraïne, zodat de asielstelsels van de lidstaten niet overbelast raken. Personen die onder de RTB vallen krijgen namelijk bepaalde rechten zodat zij niet gelijk asiel hoeven aan te vragen. Dit doel van de RTB is uitgelegd in punt 16 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit. Verweerder merkt in het verweerschrift het volgende op. Het feit dat bij het opstellen van de RTB rekening is gehouden met de mogelijkheid tot gezinshereniging, maakt nog niet dat dit één van de doelen van de RTB is. De mogelijkheid tot gezinshereniging in specifieke gevallen is niet in de RTB opgenomen om gezinsbanden in het algemeen in stand te houden. Het feit dat gezinshereniging slechts voor specifieke gevallen in de RTB is opgenomen, laat juist zien dat de RTB geen algemene gezinshereniging als doel heeft. De considerans van het Uitvoeringsbesluit bevat geen aanknopingspunten voor de door eiseres beoogde interpretatie van de RTB en punt 11 van die considerans moet worden uitgelegd binnen de kaders van de RTB. Verweerder erkent dat er rekening moet worden gehouden met de grondrechten van betrokken personen, maar merkt daarbij op dat dat geldt voor alle besluiten. In dit geval zijn volgens verweerder geen grondrechten of zwaarwegende belangen in het geding.



7.2.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.7.2.1. In de artikel 15 van de RTB en artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit wordt voor het recht op verblijf onderscheid gemaakt tussen (a) familieleden van de verblijfsgerechtigde gezinshereniger waarbij de familieleden afhankelijk zijn van de gezinshereniger, en (b) familieleden van de verblijfsgerechtigde gezinshereniger waarbij de gezinshereniger afhankelijk is van die familieleden. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 januari 2025, dat het de bedoeling was om schrijnende situaties vanwege in Oekraïne achterblijvende hulpbehoevende familieleden te voorkomen. De Hoewel een bredere definitie van afhankelijke familieleden bij de totstandkoming van het Uitvoeringsbesluit was voorgesteld, is de uiteindelijke tekst van de bepaling komen te luiden zoals deze nu luidt. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat het feit dat in punt 11 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit wordt genoemd dat het ook van belang is om de eenheid van gezinnen te bewaren en te voorkomen dat leden van hetzelfde gezin een verschillende status genieten, niet maakt dat dat als een van de hoofddoelen moet worden gezien dat ertoe leidt dat de RTB breder moet worden uitgelegd, gelet op de tekst van de bepaling en de wetsgeschiedenis.


7.2.2.
Hoewel de rechtbank, net als verweerder, onderkent dat van de bepalingen van de RTB in specifieke gevallen kan worden afgeweken als er strijd is met grondrechten of andere internationale verplichtingen, ziet de rechtbank in dit geval geen grond voor het oordeel dat de voor de beoordeling van het verzoek van eiseres relevante toelatingsvoorwaarden van de RTB en het Uitvoeringsbesluit ruimer moeten worden uitgelegd dan in tekst van die voorwaarden staat. De rechtbank motiveert dat als volgt. De op 16 december 2024 geweigerde tijdelijke bescherming op grond van de RTB had niet tot (rechts)gevolg dat eiseres en haar zoon van elkaar werden gescheiden . Aan eiseres is met het besluit van 16 december 2024 geen terugkeerbesluit opgelegd en ook nadien is dat haar niet opgelegd. De rechtbank onderkent wel dat de weigering om aan eiseres dezelfde tijdelijke bescherming te verlenen als aan haar zoon van invloed kon zijn op de zoon van eiseres en de wijze waarop hij met zijn moeder gezinsleven in Nederland kon uitoefenen. Doordat aan eiseres geen tijdelijke bescherming werd verleend, had zijn moeder immers geen recht op de met die bescherming gemoeide opvang en financiële tegemoetkoming. Hoewel niet gesteld door eisers, is het denkbaar dat dit in negatieve zin van invloed kan zijn op de wijze waarop eiseres haar zoon in Nederland kan verzorgen. Echter, naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende voor het oordeel dat de weigering om aan eiseres tijdelijke bescherming op grond van de RTB te verlenen in strijd is met de verdragsbepalingen die door eiseres zijn ingeroepen en zien op de bescherming van de rechten van het kind. Daarbij acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat eiseres het financiële belang en de koppeling met een grondrecht onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank acht voorts van belang dat, zoals verweerder in het verweerschrift heeft opgemerkt, eiseres samen met haar zoon naar Kazachstan had kunnen terugkeren. Kazachstan kan worden aangemerkt als een veilig land van herkomst en daar hadden zij kunnen verblijven op grond van de nationaliteit van eiseres. Indien er asielgerelateerde omstandigheden zijn die maken dat eiseres niet naar Kazachstan kan terugkeren, dan had zij dat in Nederland bij een asielaanvraag naar voren kunnen brengen ter verkrijging van een asielstatus. Zoals ter zitting is besproken was het wellicht ook mogelijk geweest om een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in te dienen voor het doel gezinsleven met haar zoon. Dat in punt 11 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit staat dat het van belang is te voorkomen dat leden van hetzelfde gezin een verschillende status genieten, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat ook tijdelijke bescherming op grond van de RTB moet worden verleend als duidelijk is dat aan de wettelijke voorwaarden van die regeling niet is voldaan.




7.3.

De beroepsgrond slaagt niet.


Is er sprake van ongelijke behandeling?




8. Eiseres stelt dat er sprake is van ongelijke behandeling. Eiseres, zonder tijdelijke bescherming, en haar zoon, met tijdelijke bescherming, worden ongelijk behandeld ten opzichte van de omgekeerde situatie. De rechtbank oordeelde in de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 januari 2025, ten onrechte dat er in zo’n geval geen sprake is van gelijke gevallen die gelijk moeten worden behandeld. Uit jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens blijkt ook niet dat het moet gaan om gelijke gevallen, maar om zaken die “relevantly similar” zijn. Het moet gaan om twee in relevante mate vergelijkbare groepen en niet om identieke of gelijke groepen. De vraag of sprake is van vergelijkbare gevallen is niet door de rechtbank getoetst. Niet valt in te zien waarom een kwetsbaar kind van tien maanden oud met tijdelijke bescherming die afhankelijk is van zijn moeder zónder tijdelijke bescherming niet in een “relevantly similar” situatie zit als een kind zonder tijdelijke bescherming wiens moeder wél tijdelijke bescherming heeft. Er is sprake van ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, en dat is discriminatoir.




8.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres erin gevolgd kan worden dat het niet hoeft te gaan om gelijke gevallen, maar dat uit de genoemde jurisprudentie blijkt dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel ook voldoende kan zijn als sprake is van vergelijkbare gevallen. . Echter, de rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat in dit geval sprake is van vergelijkbare gevallen. De situatie waarin de RTB in voorziet, ziet op een situatie waarin de gezinshereniger die afhankelijk is van een familielid dat niet onder de RTB valt. In de situatie van eiseres is de situatie andersom, en daarmee is, zoals door deze rechtbank en zittingsplaats in de eerder vermelde uitspraak van 23 januari 2025 al is overwogen, sprake van een relevant onderscheid. Omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen, is er geen grond voor het oordeel dat die gevallen niet ongelijk kunnen worden behandeld of dat het verschil in behandeling in strijd is met het verbod op discriminatie . De beroepsgronden die zien op de rechtvaardiging van het onderscheid hoeven daarom niet besproken te worden.



8.2.
De beroepsgrond slaagt niet.



Conclusie en gevolgen




9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en verweerder haar niet eerder tijdelijke bescherming onder de RTB had hoeven verlenen. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.







Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzitter, mr. J.L. Roubos en mr. E. Broekhof, leden, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zaaknummer: NL25.6358.


Zaaknummer: NL25.19025.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.


Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.


Arrest van 30 januari 2024, ECLI:EU:C:2024:96.


Arrest van 19 oktober 2004, C-200/02.


ECLI:NL:RBDHA:2025:995.


Arresten Hode en Abdi v. het Verenigd Koninkrijk van 6 november 2012 (ECLI:CE:ECHR:2012:1106JUD002234109) en Cilfit v. het Verenigd Koninkrijk van 13 juli 2010 (ECLI:CE:ECHR:2010:0713JUD000720507).