Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25452

2026-09-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.48575 en NL26.51615
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.48575 en NL26.51615
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Grensdetentie – toegangsweigering – geschiktheid screeningslocatie – screeningsverordening – onevenredig bezwarende maatregel – neef in Nederland

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.583 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummers: NL26.48575 en NL26.51615


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. A. Saakjan),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. Ö. Sari).




Procesverloop


Bij besluit van 22 augustus 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.



Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 26 augustus 2026 zijn gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 2 september 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 3 september 2026 gesloten.










Overwegingen




Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)



1. De rechtbank is op basis van het dossier en de gegeven motivering in het besluit van 22 augustus 2026 van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden. Eiser heeft dit in de gronden van beroep ook niet betwist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het besluit tot toegangsweigering onrechtmatig is.



Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)



2. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.



Gronden



3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist.



Geschiktheid screeningslocatie Schiphol



4. Eiser stelt onder verwijzing naar twee uitspraken dat de wijze waarop de minister de toetsing van de asielaanvraag aan de buitengrens vormgeeft en de automatische detentie onrechtmatig is. Schiphol is geen geschikte screeningslocatie.


4.1
De rechtbank is van oordeel dat het door eiser gedane beroep op deze uitspraken niet opgaat. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van 22 augustus 2026 niet is opgelegd met het oog op screening. Het gaat hier om de maatregel van 22 augustus 2026 op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid van de Vw en niet om grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. De screening is ook ruimschoots voor het opleggen van deze maatregel afgerond en eiser heeft al de behandeling van zijn asielprocedure doorlopen. Het tegen het negatieve asielbesluit ingestelde beroep is op 21 augustus 2026 door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ongegrond verklaard. Hiermee bevindt eiser zich niet langer in de asielgrensprocedure maar in de grensterugkeerprocedure. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.



Screeningsverordening en onevenredig bezwarende maatregel


5. Eiser stelt dat het ontbreken van een medische screening in strijd is met de screeningsverordening. Ook is sprake van bijzondere omstandigheden waardoor de maatregel onevenredig bezwarend is vanwege een hernia en vochtophoping in zijn knie.




5.1
Zoals door de rechtbank hiervoor overwogen is de screeningsfase ruim voor het opleggen van deze maatregel afgerond en is deze maatregel niet opgelegd met het oog op screening. Wat eiser in dit kader aanvoert, ligt dan ook niet ter beoordeling voor. De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de vrijheidsontneming voor eiser onevenredig bezwarend is.


Deze stelling is door eiser niet met (medische) documenten onderbouwd en ook in het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser detentieongeschikt zou zijn. De medische omstandigheden waar eiser naar verwijst, namelijk dat hij twee hernia’s in zijn rug heeft en vochtophoping in zijn knie evenals dat hij het psychisch lastig vindt om in detentie te zitten, zijn door de minister kenbaar betrokken in de maatregel. De minister heeft hierover in de maatregel verder aangegeven dat er een medische dienst aanwezig is tot wie eiser zich te allen tijde kan wenden en dat er geen andere omstandigheden naar voren zijn gekomen die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken. Eiser heeft zich ook gewend tot de medische dienst en heeft paracetamol voorgeschreven gekregen. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat eiser om medische redenen niet in staat is om grensdetentie te ondergaan. De enkele duur van de maatregel maakt dit niet anders. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.




Familie in Nederland


6. Eiser voert aan dat de minister geen dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij in Nederland familie heeft. De minister heeft tegengeworpen dat eiser dit niet heeft onderbouwd, maar heeft hierbij ten onrechte geen rekening gehouden met het zeer beperkte referentiekader van eiser en de beperkte mogelijkheden en tijd vanwege de maatregel om bewijs te vergaren. Eiser heeft een neef in Nederland en heeft een verklaring van zijn neef en een kopie van diens identiteitskaart overgelegd.



6.1
De rechtbank stelt vast dat niet betwist is dat eiser in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel heeft verklaard dat hij een broer en zus in Nederland heeft. De rechtbank stelt vast dat de minister dit kenbaar heeft betrokken in de maatregel, maar zich vervolgens terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser dit geenszins heeft onderbouwd en dat ook niet is gebleken van een afhankelijkheid waardoor geen maatregel zou mogen worden opgelegd. In beroep stelt eiser dat hij een neef in Nederland heeft met de Nederlandse nationaliteit en in de overgelegde verklaring van deze neef staat dat eiser bij hem kan verblijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het verweerschrift afdoende heeft gemotiveerd dat gelet op het onderduikrisico en de motivering die aan de gronden ten grondslag zijn gelegd het enkele feit dat hij bij een neef kan verblijven niet aan het opleggen van de maatregel in de weg staat. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.








Over beide beroepen



7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de
rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. In het licht van het grensbewakingsbelang kan de maatregel in stand blijven.

8. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid vanD.K. Bloemers, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.



Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA: 2026:19758 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 31 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21600.


Zie NL26.39869.


In de maatregel wordt ten aanzien van de knieën van eiser gesproken over een gescheurde meniscus in beide knieën.


Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022,
ECLI:EU:C:2022:858.