Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25431
2026-08-11
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.43948
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, eerste beroep, artikel 59 van de Vw, opheffing maatregel van bewaring, asiel kennelijk ongegrond, omzetting maatregel gedurende rechtsmiddelentermijn voorlopige voorziening, procedureel rechtmatig verblijf, Gnandi, beschikking C. J. en S.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20766 Rechtbank Den Haag 24-07-2026
- ECLI:EU:C:2018:544
- ECLI:NL:RVS:2019:3442 Raad van State 15-10-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.840 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.43948
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: C. Ohrtmann).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
- Vw: Vreemdelingenwet 2000
- Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 27 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.2
1. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2 Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw El. Hanoundi als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de grondslag waarop eiser in bewaring is gesteld onjuist is. De minister heeft op 27 juli 2026 eiser in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw. Eiser verbleef direct voorafgaand in bewaring op grond van artikel 59b van de Vw. De rechtmatigheid van de grondslag van de laatst genoemde maatregel is eerder al getoetst door de bewaringsrechter.3 Eiser stelt dat hij procedureel rechtmatig verblijf heeft, nu eiser tegen de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielbeschikking van 25 juli 2026 tijdig beroep heeft ingesteld en de rechtbank heeft verzocht om een voorlopige voorziening. In dit verband verwijst eiser naar artikel 69 van de Procedureverordening en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats
’s-Hertogenbosch, van 24 juli 2026.4
5. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de minister de kennisgeving niet onverwijld heeft ingediend. Eiser is op 27 juli 2026 in bewaring gesteld, terwijl de minister de rechtbank pas acht dagen later van de maatregel in kennis heeft gesteld.
6. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser sinds het asielbesluit niet langer rechtmatig verblijf heeft. Om die reden is de grondslag van de bewaring terecht gewijzigd in bewaring op grond van artikel 59 van de Vw. Dat eiser gedurende de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet zal worden uitgezet, maakt dit niet anders.
7. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of de wettelijke grondslag voor de bewaring juist is. De rechtbank stelt vast dat de door eiser op 9 juli 2026 ingediende (vierde) asielaanvraag van eiser bij besluit van 25 juli 2026 door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond. In dit meeromvattende besluit (hierna: het asielbesluit) is vermeld dat de rechtsmiddelentermijn een week is (tot en met 4 augustus 2026), dat de uitspraak op het beroep niet in Nederland mag worden afgewacht en dat hangende genoemde termijn de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd kan worden. In dit kader geldt dat eiser tijdens de behandeling van dat verzoek niet mag worden verwijderd uit Nederland. Eiser heeft op 31 juli 2026 beroep ingediend en diezelfde dag verzocht om een voorlopige voorziening.
3NL26.38718.
4 ECLI:NL:RBDHA:2026:20766.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft in het arrest Gnandi van 19 juni 20185 geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn6 zich er niet tegen verzet dat ten aanzien van een derdelander die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, reeds na afwijzing van dat verzoek een terugkeerbesluit wordt genomen. Het is daarvoor niet noodzakelijk de uitkomst van een rechtsmiddel tegen de afwijzing af te wachten. Wel moet de betrokken lidstaat waarborgen dat het rechtsmiddel tegen het afwijzende besluit volledig doeltreffend is. Dit brengt onder meer mee dat de gevolgen van het terugkeerbesluit gedurende de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel worden geschorst.
9. In de beschikking C., J. en S. van 5 juli 20187 heeft het HvJ EU deze uitgangspunten eveneens van toepassing geacht op de situatie waarin een asielverzoek als kennelijk ongegrond is afgewezen. Het Hof heeft daarbij onder verwijzing naar het vijfde en zesde lid van artikel 46 van de Procedurerichtlijn overwogen dat een vreemdeling in die situatie niet van rechtswege op het grondgebied van de lidstaat mag blijven totdat op het rechtsmiddel is beslist. Hij moet zich echter wel tot een rechterlijke instantie kunnen wenden met het verzoek te mogen blijven in afwachting van de beslissing op het rechtsmiddel ten gronde.
10. Daarnaast volgt uit het achtste lid van artikel 46 van de Procedurerichtlijn dat de vreemdeling gedurende de procedure waarin wordt beoordeeld of hij in afwachting van de uitspraak op het beroep op het grondgebied mag blijven, daar mag verblijven. Het HvJ EU heeft hieruit afgeleid dat een vreemdeling wiens asielverzoek als kennelijk ongegrond is afgewezen, gedurende de termijn waarbinnen een rechtsmiddel tegen die afwijzing kan worden ingesteld, niet op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn in bewaring mag worden gesteld. Als de vreemdeling vervolgens daadwerkelijk een rechtsmiddel instelt, geldt evenmin dat hij op grond van die bepaling in bewaring kan worden gesteld zolang hij op grond van artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn op het grondgebied van de betrokken lidstaat mag blijven.
11. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 15 oktober 20198, in aansluiting op de hiervoor genoemde jurisprudentie van het HvJ EU, geoordeeld dat een vreemdeling van wie de eerste asielaanvraag kennelijk ongegrond is verklaard, op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw procedureel rechtmatig verblijf heeft totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.
12. Gelet op het voorgaande berust de op 27 juli 2026 opgelegde maatregel van bewaring naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op de juiste wettelijke grondslag, nu eiser gedurende de periode waarin hij een rechtsmiddel kon aanwenden procedureel rechtmatig verblijf had. Eiser kon daarom niet met toepassing van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw in bewaring worden gesteld.
5ECLI:EU:C:2018:465.
6 Richtlijn 2008/115/EG.
7 ECLI:EU:C:2018:544.
8 ECLI:NL:RVS:2019:3442.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag. Eisers standpunt met betrekking tot de tijdigheid van de kennisgeving behoeft daarom geen bespreking meer.
13.1.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 16 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring 16 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.920,-.
13.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.920,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Genç, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.43948
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: C. Ohrtmann).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
- Vw: Vreemdelingenwet 2000
- Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 27 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.2
1. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2 Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw El. Hanoundi als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de grondslag waarop eiser in bewaring is gesteld onjuist is. De minister heeft op 27 juli 2026 eiser in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw. Eiser verbleef direct voorafgaand in bewaring op grond van artikel 59b van de Vw. De rechtmatigheid van de grondslag van de laatst genoemde maatregel is eerder al getoetst door de bewaringsrechter.3 Eiser stelt dat hij procedureel rechtmatig verblijf heeft, nu eiser tegen de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielbeschikking van 25 juli 2026 tijdig beroep heeft ingesteld en de rechtbank heeft verzocht om een voorlopige voorziening. In dit verband verwijst eiser naar artikel 69 van de Procedureverordening en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats
’s-Hertogenbosch, van 24 juli 2026.4
5. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de minister de kennisgeving niet onverwijld heeft ingediend. Eiser is op 27 juli 2026 in bewaring gesteld, terwijl de minister de rechtbank pas acht dagen later van de maatregel in kennis heeft gesteld.
6. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser sinds het asielbesluit niet langer rechtmatig verblijf heeft. Om die reden is de grondslag van de bewaring terecht gewijzigd in bewaring op grond van artikel 59 van de Vw. Dat eiser gedurende de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet zal worden uitgezet, maakt dit niet anders.
7. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of de wettelijke grondslag voor de bewaring juist is. De rechtbank stelt vast dat de door eiser op 9 juli 2026 ingediende (vierde) asielaanvraag van eiser bij besluit van 25 juli 2026 door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond. In dit meeromvattende besluit (hierna: het asielbesluit) is vermeld dat de rechtsmiddelentermijn een week is (tot en met 4 augustus 2026), dat de uitspraak op het beroep niet in Nederland mag worden afgewacht en dat hangende genoemde termijn de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd kan worden. In dit kader geldt dat eiser tijdens de behandeling van dat verzoek niet mag worden verwijderd uit Nederland. Eiser heeft op 31 juli 2026 beroep ingediend en diezelfde dag verzocht om een voorlopige voorziening.
3NL26.38718.
4 ECLI:NL:RBDHA:2026:20766.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft in het arrest Gnandi van 19 juni 20185 geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn6 zich er niet tegen verzet dat ten aanzien van een derdelander die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, reeds na afwijzing van dat verzoek een terugkeerbesluit wordt genomen. Het is daarvoor niet noodzakelijk de uitkomst van een rechtsmiddel tegen de afwijzing af te wachten. Wel moet de betrokken lidstaat waarborgen dat het rechtsmiddel tegen het afwijzende besluit volledig doeltreffend is. Dit brengt onder meer mee dat de gevolgen van het terugkeerbesluit gedurende de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel worden geschorst.
9. In de beschikking C., J. en S. van 5 juli 20187 heeft het HvJ EU deze uitgangspunten eveneens van toepassing geacht op de situatie waarin een asielverzoek als kennelijk ongegrond is afgewezen. Het Hof heeft daarbij onder verwijzing naar het vijfde en zesde lid van artikel 46 van de Procedurerichtlijn overwogen dat een vreemdeling in die situatie niet van rechtswege op het grondgebied van de lidstaat mag blijven totdat op het rechtsmiddel is beslist. Hij moet zich echter wel tot een rechterlijke instantie kunnen wenden met het verzoek te mogen blijven in afwachting van de beslissing op het rechtsmiddel ten gronde.
10. Daarnaast volgt uit het achtste lid van artikel 46 van de Procedurerichtlijn dat de vreemdeling gedurende de procedure waarin wordt beoordeeld of hij in afwachting van de uitspraak op het beroep op het grondgebied mag blijven, daar mag verblijven. Het HvJ EU heeft hieruit afgeleid dat een vreemdeling wiens asielverzoek als kennelijk ongegrond is afgewezen, gedurende de termijn waarbinnen een rechtsmiddel tegen die afwijzing kan worden ingesteld, niet op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn in bewaring mag worden gesteld. Als de vreemdeling vervolgens daadwerkelijk een rechtsmiddel instelt, geldt evenmin dat hij op grond van die bepaling in bewaring kan worden gesteld zolang hij op grond van artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn op het grondgebied van de betrokken lidstaat mag blijven.
11. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 15 oktober 20198, in aansluiting op de hiervoor genoemde jurisprudentie van het HvJ EU, geoordeeld dat een vreemdeling van wie de eerste asielaanvraag kennelijk ongegrond is verklaard, op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw procedureel rechtmatig verblijf heeft totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.
12. Gelet op het voorgaande berust de op 27 juli 2026 opgelegde maatregel van bewaring naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op de juiste wettelijke grondslag, nu eiser gedurende de periode waarin hij een rechtsmiddel kon aanwenden procedureel rechtmatig verblijf had. Eiser kon daarom niet met toepassing van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw in bewaring worden gesteld.
5ECLI:EU:C:2018:465.
6 Richtlijn 2008/115/EG.
7 ECLI:EU:C:2018:544.
8 ECLI:NL:RVS:2019:3442.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag. Eisers standpunt met betrekking tot de tijdigheid van de kennisgeving behoeft daarom geen bespreking meer.
13.1.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 16 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring 16 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.920,-.
13.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.920,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Genç, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.