Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25404

2026-08-11 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.33986, NL26.33987, NL26.33984 en NL26.33985
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.33986, NL26.33987, NL26.33984 en NL26.33985
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin, gegrond, belang van het kind, horen, arrest CK, verweerder moet BMA advies opvragen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.110 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.33986, NL26.33987, NL26.33984 en NL26.33985


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser/verzoeker/stiefvader



[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer 2], eiseres/verzoekster/moeder
mede namens het minderjarige kind van moeder,


[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum 1] 2010
hierna samen: eisers
(gemachtigde: mr. T. Neijzen)



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).




Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met het bestreden besluit van 17 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.

2. De rechtbank heeft de beroepen van eisers op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eisers en eisers zelf zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer M. Ablet.

3. Eisers hebben een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.33987 en NL26.33985) ingediend. De rechtbank houdt in deze zaken geen zitting.




Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?


4. Eisers zijn geboren op [geboortedatum 2] 1997, [geboortedatum 3] 1987 en [geboortedatum 1] 2010 en hebben de Chinese nationaliteit. Op 6 april 2026 hebben eisers in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat zij eerder in Kroatië asiel hebben aangevraagd. Kroatië is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers.




Wat vinden eisers in beroep?



5. Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige zoon. Stiefvader en zoon zijn in Kroatië mishandeld en opgesloten. Moeder heeft verteld dat de emotionele toestand van haar zoon sterk is verslechterd sinds het besluit dat zij moeten terugkeren naar Kroatië. Ook zijn een verslag van [zorginstantie] en een verklaring van een begeleider van de school van de zoon overgelegd, waarin spanning, stress en klachten, passend bij een PTSS-stoornis, mogelijk als gevolg van een traumatische ervaring in Kroatië, zijn beschreven. Verweerders standpunt over het belang van het kind is te algemeen en daarom onvoldoende gemotiveerd. Eisers verwijzen in dat verband naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Verweerder heeft de werkinstructie (2022/77), die ziet op het belang van het kind, niet goed toegepast en eisers zijn van mening dat hun zoon gehoord had moeten worden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eisers niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

7. De rechtbank geeft eisers gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.



Belang van het kind



8. Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 20 augustus 2025 volgt dat verweerder begeleide minderjarigen die in staat zijn hun mening te vormen, binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid moet stellen hun mening vrijelijk te uiten in alle gelegenheden die hen betreffen. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs door middel van een fysiek gehoor plaats te vinden. Aan de mening van het kind moet dan een passend belang worden gehecht in overeenstemming met de leeftijd en rijpheid van het kind.


8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldaan aan zijn verplichting zoals die volgt uit de Afdelingsuitspraken van 20 augustus 2025 en Werkinstructie 2022/77. Daarbij is van belang dat verweerder op pagina 5 van het aanmeldgehoor van eiseres gewezen heeft op de mogelijkheid om haar minderjarige zoon schriftelijk zijn mening te laten geven ten aanzien van de overdracht naar Kroatië. Daarnaast heeft verweerder ter zitting nog gewezen op de mogelijkheid om eventueel een verklaring van eiseres haar zoon te overleggen bij de zienswijze, via de correcties en aanvullingen op het gehoor of bij de beroepsgronden. Eisers hebben hier echter geen gebruik van gemaakt. De stelling van gemachtigde ter zitting dat het niet haar taak is de minderjarige te horen treft geen doel, nu het duidelijk is dat het gaat om een schriftelijke uiteenzetting van de mening van de minderjarige ten aanzien van de Dublinprocedure en de overdracht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende de gelegenheid heeft geboden aan de minderjarige zoon van eiseres om zijn mening vrijelijk te uiten ten aanzien van de Dublinprocedure.



8.2.
Verder overweegt de rechtbank dat, op basis van de informatie die ten tijde van de bestreden beschikking beschikbaar was, verweerder het belang van het kind voldoende kenbaar heeft meegewogen in zijn beoordeling. Gelet op de ex nunc beoordeling op grond van artikel 83, eerste lid van de Vw, houdt de rechtbank echter rekening met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit van 17 juni 2026 zijn aangevoerd en overgelegd. De rechtbank betrekt daarom de verklaring van de begeleider van de school van eiseres haar zoon van 12 juli 2026 en het verslag van [zorginstantie] van 31 juli 2026 in het beroep. Op basis van deze nieuwe informatie heeft verweerder ter zitting zelf al aangegeven aanleiding te zien voor het instellen van een BMA-onderzoek. Eisers hebben ter zitting het aanbod van verweerder aanvaard. De rechtbank heeft begrepen dat verweerder inmiddels het BMA-traject is gestart. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om het beroep van eisers gegrond te verklaren nu het bestreden besluit op basis van de nieuwe stukken onzorgvuldig is voorbereid.

9. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het ligt op de weg van verweerder om ten aanzien van eisers een BMA-onderzoek uit te laten voeren, voordat eisers worden overgedragen aan Kroatië.

10. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers af, nu eisers geen gronden bij het verzoek hebben ingediend. In de verzoeken is niet vermeld wat er wordt verzocht en eisers hebben dit ook later niet aangevuld.




Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of om zelf een beslissing te nemen, omdat verweerder nader onderzoek moet doen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak.

12. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

13. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eisers gemaakte proceskosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;
- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
- vernietigt de bestreden besluiten van 17 juni 2026;
- draagt verweerder op om nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:







































Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.


Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenwet 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.


Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1671.


ECLI:NL:RVS:2025:3900 en ECLI:NL:RVS:2025:3901.