Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25402
2026-05-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.29182
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenrecht. Aanvraag verblijfsvergunning met als verblijfsdoel 'familie en gezin'. Geen mvv en geen vrijstelling mvv-vereiste. Beroep ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:EU:C:2017:354
- ECLI:NL:RBROT:2021:10862 Rechtbank Rotterdam 12-11-2021
- ECLI:NL:RVS:2023:116 Raad van State 13-01-2023
- ECLI:NL:RVS:2022:2485 Raad van State 25-08-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.142 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29182
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel 'familie en gezin'. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikt over een machtiging voorlopig verblijf (mvv). Er bestaat geen reden om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juli 2022 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft een meerderjarige zoon (geboren op [geboortedatum] 2005) met de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft tussen 1995 en 2005 in Nederland verbleven. Tussen 2005 en 2019 heeft eiser in Nigeria gewoond. Eiser is op 12 juli 2019 Nederland ingereisd met een faciliterend Schengenvisum. Hij heeft vervolgens een aanvraag ingediend voor verblijf op grond van het arrest Chavez-Vilchez (de Chavez-procedure). Deze aanvraag is afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een afhankelijkheidsverhouding die ertoe leidt dat de zoon van eiser gedwongen is de Europese Unie (EU) te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Deze rechtbank heeft de afwijzing met de uitspraak van 12 november 2021 bevestigd. De Afdeling heeft de uitspraak en de onderliggende beslissing op bezwaar in hoger beroep uitsluitend vernietigd voor zover de rechtbank heeft overwogen dat eiser voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM een aparte aanvraag had moeten indienen. Op 11 februari 2026 heeft verweerder een nieuw besluit genomen en het beroep op artikel 8 van het EVRM in de Chavez-procedure afgewezen, mede onder verwijzing naar het bestreden besluit.
3.1.
Op 26 januari 2022 heeft eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend met verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de artikel 8 EVRM-procedure). Deze aanvraag is met het besluit van 13 juli 2022 afgewezen. Verweerder verwijst daarbij onder meer naar de besluitvorming en de uitspraak van deze rechtbank in de Chavez-procedure. Verweerder geeft verder aan dat eiser niet beschikt over een mvv en ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder neemt zowel familieleven als privéleven aan, maar stelt, na het maken van een belangenafweging (zie verder hieronder), dat uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ook komt eiser niet in aanmerking voor de hardheidsclausule.
3.2.
Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 wordt het bezwaar ongegrond verklaard.
Toetsingskader
4. Een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier kan worden afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een mvv die overeenkomt met het doel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Een vreemdeling kan van deze verplichting worden vrijgesteld bijvoorbeeld als uitzetting in strijd is met het recht of familie- of gezinsleven en/of het privéleven zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM.
4.1.
Het wettelijke kader van deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Leidt een beroep op artikel 8 van het EVRM tot vrijstelling van het mvv-vereiste?
5. Het staat niet ter discussie dat eiser familieleven heeft met zijn zoon. Ook staat niet ter discussie dat eiser privéleven heeft in Nederland. De vraag die voorligt, is of de uitzetting van eiser in strijd is met het familie- en privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarbij toetst de rechtbank of verweerder alle relevante gegevens en belangen van eiser kenbaar heeft meegenomen in de belangenafweging. De rechtbank toetst vervolgens of de afweging van verweerder heeft geresulteerd in een fair balance tussen enerzijds het belang van eiser bij het uitoefenen van het familieleven en privéleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Het betreft een enigszins terughoudende toetsing.
5.1.
Eiser stelt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM onterecht in zijn nadeel is uitgevallen. Eiser geeft ten aanzien van het familieleven aan dat het contact en de zorg- en opvoedingstaken met zijn zoon meer dan marginaal zijn. Verweerder houdt volgens eiser onvoldoende rekening met de invloed van de psychische problematiek van eiser op de frequentie van het contact met zijn zoon. Hoewel eiser geen maandelijkse vaste financiële bijdrage kan betalen, koopt hij nog steeds eten, spullen, etc. voor zijn zoon. Verder stelt eiser dat de banden met Nederland sterker zijn dan met Nigeria. Dat komt niet alleen door de relatie met zijn zoon, maar ook omdat de moeder van zijn zoon in Nederland woont en eiser hier een uitgebreid netwerk van vrienden en kennissen heeft opgebouwd. Dat is ook van belang in het kader van eisers privéleven. Eiser stelt daaromtrent verder dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat en in welke mate eiser de gezondheidszorg zal belasten. Ook geeft eiser aan dat hij wel is ingeburgerd. Hij spreekt een beetje Nederlands, heeft in Nederland gewerkt en heeft zich zelfstandig staande kunnen houden in de Nederlandse samenleving.
5.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank acht de door verweerder in dat kader verrichte belangenafweging volledig, voldoende gemotiveerd en navolgbaar. Zij overweegt daaromtrent als volgt.
5.3.
Verweerder heeft ten aanzien van het familieleven mogen betrekken dat eiser nooit een verblijfsvergunning heeft gehad, en zijn uitgangspositie daarom minder sterk is. Verweerder heeft in het voordeel van eiser betrokken dat zijn zoon in Nederland is geboren en de Nederlandse nationaliteit heeft, maar in het nadeel van eiser kunnen betrekken dat slechts is gebleken van een marginale invulling van het familieleven door eiser met zijn zoon. Hoewel de rechtbank begrijpt dat niet van elk contact tussen eiser en zijn zoon bewijs is, is het aan eiser om te onderbouwen dat sprake is van dusdanig frequent contact dat uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is met verweerder eens dat daarvan uit de overgelegde informatie niet is gebleken. De rechtbank houdt het er met verweerder voor dat eiser zijn zoon een keer per week ziet. Voor eisers stelling dat zijn psychische problematiek frequenter contact belemmert, ontbreekt objectieve onderbouwing. De rechtbank leidt daaruit tevens af dat eiser zelf onderkent dat het (fysieke) contact met zijn zoon minder is dan gesteld. Voor de financiële ondersteuning van zijn zoon heeft eiser ook geen stukken overgelegd. Daaraan heeft verweerder ter zitting toegevoegd dat aan financiële ondersteuning geen doorslaggevende betekenis toekomt, mede omdat die steun van afstand kan worden voortgezet. De rechtbank volgt, met verweerder, eiser verder niet in het standpunt dat zijn banden met Nederland sterker zijn dan met Nigeria. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is daar geboren en getogen. Hij heeft het grootste deel van zijn leven (waaronder tussen 2005 en 2019) in Nigeria gewoond en zich daar staande kunnen houden. Er bestaat geen objectieve belemmering om terug te keren. Hoewel eiser ter zitting heeft gewezen op de gevaarlijke situatie in bepaalde gebieden in Nigeria, geldt dat dus niet voor heel Nigeria en zijn er – zoals verweerder terecht heeft overwogen in het bestreden besluit – geen persoonlijke omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat eiser heeft te vrezen voor zijn eigen veiligheid. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte overwogen dat het familieleven ook op afstand kan worden voortgezet. Verweerder heeft de belangenafweging voor wat betreft het familieleven in het nadeel van eiser kunnen laten uitvallen. Eisers uitzetting is op dat punt dan ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.
5.4.
Ten aanzien van eisers privéleven heeft verweerder, in navolging van het voorgaande, kunnen betrekken dat de in Nederland opgebouwde banden niet zwaar wegen, omdat deze zijn opgebouwd en geïntensiveerd zonder dat eiser beschikte over een geldige verblijfsvergunning. Zoals hiervoor al is overwogen heeft verweerder kunnen menen dat de banden van eiser met Nederland beperkt zijn, terwijl eiser daarentegen kan worden geacht sterke banden te hebben met Nigeria. Eiser kan, zoals verweerder heeft opgemerkt, ook op afstand contact met zijn zoon onderhouden. Dat geldt ook voor zijn kennissen en vrienden. Daarbij heeft verweerder het economisch belang van de Nederlandse overheid zwaar kunnen laten meewegen, waaronder een mogelijk beroep van eiser op de - toch al onder druk staande - gezondheidszorg. Eiser heeft daarover zelf verklaard – zo volgt ook uit het bestreden besluit – dat hij graag een verblijfsvergunning wil om naar het ziekenhuis te kunnen voor zijn medische klachten. Ook anderszins kan en zal eiser – ook als hij werkt – aanspraak maken op publieke voorzieningen, zodat verweerder dat in het nadeel van eiser heeft kunnen meewegen. Het feit dat eiser een beetje Nederlands spreekt, hier (illegaal) heeft gewerkt en vrienden en kennissen heeft, betekent nog niet dat hij is ingeburgerd en zijn banden met Nederland zodanig sterk zijn dat de belangenafweging alsnog in zijn voordeel zou moeten uitvallen, zoals verweerder niet ten onrechte naar voren heeft gebracht. Die omstandigheden zijn inherent aan eisers verblijf hier in Nederland. Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder ook op het punt van het privéleven de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft kunnen laten uitvallen. Verweerder heeft aldus terecht geconcludeerd dat eisers uitzetting voor wat betreft het privéleven evenmin leidt tot een schending van artikel 8 van het EVRM.
5.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
EVRM
Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Vreemdelingenwet
Artikel 16
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:
a. de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd;
Artikel 17
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het betreft:
g. de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie;
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.71
2. Van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf is, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet, vrijgesteld de vreemdeling:
l. van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354).
Uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:10862).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:116).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Dit volgt uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw in samenhang met artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l van het Vb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2485), onder 2.1.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29182
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel 'familie en gezin'. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikt over een machtiging voorlopig verblijf (mvv). Er bestaat geen reden om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juli 2022 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft een meerderjarige zoon (geboren op [geboortedatum] 2005) met de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft tussen 1995 en 2005 in Nederland verbleven. Tussen 2005 en 2019 heeft eiser in Nigeria gewoond. Eiser is op 12 juli 2019 Nederland ingereisd met een faciliterend Schengenvisum. Hij heeft vervolgens een aanvraag ingediend voor verblijf op grond van het arrest Chavez-Vilchez (de Chavez-procedure). Deze aanvraag is afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een afhankelijkheidsverhouding die ertoe leidt dat de zoon van eiser gedwongen is de Europese Unie (EU) te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Deze rechtbank heeft de afwijzing met de uitspraak van 12 november 2021 bevestigd. De Afdeling heeft de uitspraak en de onderliggende beslissing op bezwaar in hoger beroep uitsluitend vernietigd voor zover de rechtbank heeft overwogen dat eiser voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM een aparte aanvraag had moeten indienen. Op 11 februari 2026 heeft verweerder een nieuw besluit genomen en het beroep op artikel 8 van het EVRM in de Chavez-procedure afgewezen, mede onder verwijzing naar het bestreden besluit.
3.1.
Op 26 januari 2022 heeft eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend met verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de artikel 8 EVRM-procedure). Deze aanvraag is met het besluit van 13 juli 2022 afgewezen. Verweerder verwijst daarbij onder meer naar de besluitvorming en de uitspraak van deze rechtbank in de Chavez-procedure. Verweerder geeft verder aan dat eiser niet beschikt over een mvv en ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder neemt zowel familieleven als privéleven aan, maar stelt, na het maken van een belangenafweging (zie verder hieronder), dat uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ook komt eiser niet in aanmerking voor de hardheidsclausule.
3.2.
Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 wordt het bezwaar ongegrond verklaard.
Toetsingskader
4. Een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier kan worden afgewezen als de vreemdeling niet beschikt over een mvv die overeenkomt met het doel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Een vreemdeling kan van deze verplichting worden vrijgesteld bijvoorbeeld als uitzetting in strijd is met het recht of familie- of gezinsleven en/of het privéleven zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM.
4.1.
Het wettelijke kader van deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Leidt een beroep op artikel 8 van het EVRM tot vrijstelling van het mvv-vereiste?
5. Het staat niet ter discussie dat eiser familieleven heeft met zijn zoon. Ook staat niet ter discussie dat eiser privéleven heeft in Nederland. De vraag die voorligt, is of de uitzetting van eiser in strijd is met het familie- en privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarbij toetst de rechtbank of verweerder alle relevante gegevens en belangen van eiser kenbaar heeft meegenomen in de belangenafweging. De rechtbank toetst vervolgens of de afweging van verweerder heeft geresulteerd in een fair balance tussen enerzijds het belang van eiser bij het uitoefenen van het familieleven en privéleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Het betreft een enigszins terughoudende toetsing.
5.1.
Eiser stelt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM onterecht in zijn nadeel is uitgevallen. Eiser geeft ten aanzien van het familieleven aan dat het contact en de zorg- en opvoedingstaken met zijn zoon meer dan marginaal zijn. Verweerder houdt volgens eiser onvoldoende rekening met de invloed van de psychische problematiek van eiser op de frequentie van het contact met zijn zoon. Hoewel eiser geen maandelijkse vaste financiële bijdrage kan betalen, koopt hij nog steeds eten, spullen, etc. voor zijn zoon. Verder stelt eiser dat de banden met Nederland sterker zijn dan met Nigeria. Dat komt niet alleen door de relatie met zijn zoon, maar ook omdat de moeder van zijn zoon in Nederland woont en eiser hier een uitgebreid netwerk van vrienden en kennissen heeft opgebouwd. Dat is ook van belang in het kader van eisers privéleven. Eiser stelt daaromtrent verder dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat en in welke mate eiser de gezondheidszorg zal belasten. Ook geeft eiser aan dat hij wel is ingeburgerd. Hij spreekt een beetje Nederlands, heeft in Nederland gewerkt en heeft zich zelfstandig staande kunnen houden in de Nederlandse samenleving.
5.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank acht de door verweerder in dat kader verrichte belangenafweging volledig, voldoende gemotiveerd en navolgbaar. Zij overweegt daaromtrent als volgt.
5.3.
Verweerder heeft ten aanzien van het familieleven mogen betrekken dat eiser nooit een verblijfsvergunning heeft gehad, en zijn uitgangspositie daarom minder sterk is. Verweerder heeft in het voordeel van eiser betrokken dat zijn zoon in Nederland is geboren en de Nederlandse nationaliteit heeft, maar in het nadeel van eiser kunnen betrekken dat slechts is gebleken van een marginale invulling van het familieleven door eiser met zijn zoon. Hoewel de rechtbank begrijpt dat niet van elk contact tussen eiser en zijn zoon bewijs is, is het aan eiser om te onderbouwen dat sprake is van dusdanig frequent contact dat uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is met verweerder eens dat daarvan uit de overgelegde informatie niet is gebleken. De rechtbank houdt het er met verweerder voor dat eiser zijn zoon een keer per week ziet. Voor eisers stelling dat zijn psychische problematiek frequenter contact belemmert, ontbreekt objectieve onderbouwing. De rechtbank leidt daaruit tevens af dat eiser zelf onderkent dat het (fysieke) contact met zijn zoon minder is dan gesteld. Voor de financiële ondersteuning van zijn zoon heeft eiser ook geen stukken overgelegd. Daaraan heeft verweerder ter zitting toegevoegd dat aan financiële ondersteuning geen doorslaggevende betekenis toekomt, mede omdat die steun van afstand kan worden voortgezet. De rechtbank volgt, met verweerder, eiser verder niet in het standpunt dat zijn banden met Nederland sterker zijn dan met Nigeria. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is daar geboren en getogen. Hij heeft het grootste deel van zijn leven (waaronder tussen 2005 en 2019) in Nigeria gewoond en zich daar staande kunnen houden. Er bestaat geen objectieve belemmering om terug te keren. Hoewel eiser ter zitting heeft gewezen op de gevaarlijke situatie in bepaalde gebieden in Nigeria, geldt dat dus niet voor heel Nigeria en zijn er – zoals verweerder terecht heeft overwogen in het bestreden besluit – geen persoonlijke omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat eiser heeft te vrezen voor zijn eigen veiligheid. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte overwogen dat het familieleven ook op afstand kan worden voortgezet. Verweerder heeft de belangenafweging voor wat betreft het familieleven in het nadeel van eiser kunnen laten uitvallen. Eisers uitzetting is op dat punt dan ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.
5.4.
Ten aanzien van eisers privéleven heeft verweerder, in navolging van het voorgaande, kunnen betrekken dat de in Nederland opgebouwde banden niet zwaar wegen, omdat deze zijn opgebouwd en geïntensiveerd zonder dat eiser beschikte over een geldige verblijfsvergunning. Zoals hiervoor al is overwogen heeft verweerder kunnen menen dat de banden van eiser met Nederland beperkt zijn, terwijl eiser daarentegen kan worden geacht sterke banden te hebben met Nigeria. Eiser kan, zoals verweerder heeft opgemerkt, ook op afstand contact met zijn zoon onderhouden. Dat geldt ook voor zijn kennissen en vrienden. Daarbij heeft verweerder het economisch belang van de Nederlandse overheid zwaar kunnen laten meewegen, waaronder een mogelijk beroep van eiser op de - toch al onder druk staande - gezondheidszorg. Eiser heeft daarover zelf verklaard – zo volgt ook uit het bestreden besluit – dat hij graag een verblijfsvergunning wil om naar het ziekenhuis te kunnen voor zijn medische klachten. Ook anderszins kan en zal eiser – ook als hij werkt – aanspraak maken op publieke voorzieningen, zodat verweerder dat in het nadeel van eiser heeft kunnen meewegen. Het feit dat eiser een beetje Nederlands spreekt, hier (illegaal) heeft gewerkt en vrienden en kennissen heeft, betekent nog niet dat hij is ingeburgerd en zijn banden met Nederland zodanig sterk zijn dat de belangenafweging alsnog in zijn voordeel zou moeten uitvallen, zoals verweerder niet ten onrechte naar voren heeft gebracht. Die omstandigheden zijn inherent aan eisers verblijf hier in Nederland. Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder ook op het punt van het privéleven de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft kunnen laten uitvallen. Verweerder heeft aldus terecht geconcludeerd dat eisers uitzetting voor wat betreft het privéleven evenmin leidt tot een schending van artikel 8 van het EVRM.
5.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
EVRM
Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Vreemdelingenwet
Artikel 16
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:
a. de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd;
Artikel 17
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het betreft:
g. de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie;
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.71
2. Van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf is, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet, vrijgesteld de vreemdeling:
l. van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354).
Uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:10862).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:116).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Dit volgt uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw in samenhang met artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l van het Vb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2485), onder 2.1.