Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25398
2026-05-22
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.2743
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenrecht. Aanvraag verlenging verblijfsvergunning. Beroep gegrond. Verweerder heeft ten onrechte geen beoordeling gemaakt als bedoeld in artikel 17 van de Gri. Ook geen deugdelijke motivering van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM (privéleven). Hoorplicht geschonden.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2017:1252 Raad van State 10-05-2017
- ECLI:NL:RVS:2022:2485 Raad van State 25-08-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.592 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2743
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning, de intrekking van haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 5 augustus 2022 en het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Eiseres is het daar niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een beoordeling te maken als bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingrichtlijn. Ook is het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en de daartoe strekkende belangenafweging niet deugdelijk gemotiveerd. Tot slot heeft verweerder niet mogen afzien van het horen van eiseres in bezwaar. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 juni 2023 afgewezen. Ook is de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 5 augustus 2022 ingetrokken en is een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 29 december 2023 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag, de intrekking met terugwerkende kracht en het terugkeerbesluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft de Mongolische nationaliteit. Op 5 mei 2018 heeft zij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ gekregen. Eiseres verbleef op dat moment bij haar partner met de Nederlandse nationaliteit. De verblijfsvergunning was geldig tot 5 mei 2023. Op 19 februari 2023 heeft eiseres een aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning ingediend.
3.1.
Met het besluit van 2 juni 2023 is de aanvraag van eiseres om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning afgewezen. Verweerder heeft de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 5 augustus 2022 ingetrokken, omdat vanaf dat moment niet meer werd voldaan aan het samenwoonvereiste en er geen sprake (meer) was van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en haar partner. Het besluit geldt tevens als terugkeerbesluit op grond waarvan eiseres moet terugkeren naar Mongolië. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.2.
Met het bestreden besluit van 29 december 2023 stelt verweerder dat niet wordt bestreden dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder stelt verder dat de Gezinsherenigingsrichtlijn is verdisconteerd in de nationale wet- en regelgeving. Daaruit volgt dat de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken als aan de voorwaarden voor de verlening daarvan niet meer wordt voldaan. Verweerder stelt verder dat geen sprake is van gezins- of familieleven zodat geen sprake kan zijn van een schending van artikel 8 van het EVRM. Voor het aannemen van privéleven stelt verweerder dat het verblijf van eiseres ruimschoots te kort is waarbij verweerder uitsluitend kijkt naar de periode vanaf 4 mei 2018 tot 5 augustus 2022 (de datum van de beëindiging van de samenwoning). Ook vindt verweerder dat de binding met Nederland, anders dan dat eiseres hier werkt, niet is onderbouwd. Omdat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond acht, heeft verweerder afgezien van het horen van eiseres.
Toetsingskader
4. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken of niet worden verlengd als aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning niet meer wordt voldaan. Een verblijfsvergunning kan alsnog ambtshalve worden verleend als uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM (het recht op familie- of gezinsleven en/of het privéleven).
4.1.
Het wettelijk kader van deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Kan de verblijfsvergunning regulier met terugwerkende kracht worden ingetrokken?
5. Eiseres stelt dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken. Eiseres verwijst daarbij naar de Gezinsherenigingsrichtlijn waarin bepalingen over terugwerkende kracht ontbreken.
5.1.
Uit vaste rechtspraak volgt niet dat een verblijfsvergunning die is verleend uit hoofde van gezinshereniging niet met terugwerkende kracht mag worden ingetrokken. De bevoegdheid tot intrekking ontstaat op het moment waarop de gezinshereniger en het gezinslid geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven meer onderhouden. Dat duidt erop dat de verblijfsvergunning zo nodig met terugwerkende kracht mag worden ingetrokken tot het tijdstip waarop het werkelijke huwelijks- of gezinsleven is beëindigd. Omdat eiseres niet betwist dat aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ niet meer wordt voldaan, oordeelt de rechtbank dat verweerder de verblijfsvergunning van eiseres per 5 augustus 2022 heeft kunnen intrekken.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd?
6. Bij de intrekking van de onderhavige verblijfsvergunning dient verweerder acht te slaan op het bepaalde in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Daarnaast kan verweerder gelet op artikel 3.6 van het Vb ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen als de uitzetting van eiseres in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. In dat kader, en in het licht van wat door eiseres naar voren toe is gebracht, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Verweerder heeft ten onrechte geen beoordeling gemaakt als bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn
7. Eiseres doet een beroep op de Gezinsherenigingsrichtlijn. Zij stelt dat op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn rekening gehouden moet worden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van het verblijf in de lidstaat, alsmede, onder meer in geval van een intrekking van een verblijfstitel, met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst. Verweerder heeft geen rekening gehouden met haar specifieke situatie en in strijd gehandeld met het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, aldus eiseres.
7.1.
Zoals verweerder in beroep heeft erkend, is artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing. Verweerder kan in dat kader niet volstaan met de stelling dat de Gezinsherenigingsrichtlijn is verdisconteerd in nationale wet- en regelgeving, maar dient een individuele beoordeling te verrichten. Deze beoordeling heeft verweerder echter, anders dan verweerder in het verweerschrift stelt, niet verricht. De enkele verwijzing naar het ontbreken van huwelijks- en gezinsleven in het besluit van 2 juni 2023 en het ontbreken van privéleven in het bestreden besluit volstaat daartoe niet. Deze passages komen immers niet voort uit de (ruimere) beoordeling onder artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, en zijn bovendien uitsluitend opgesomd in het kader van het privéleven van artikel 8 van het EVRM.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt.
Verweerder heeft ten onrechte geen belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM (privéleven)
8. Eiseres heeft (ter zitting) aangegeven dat ten onrechte voorbij is gegaan aan het standpunt dat sprake is van privéleven. Verweerder had een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM moeten maken, zoals eiseres in bezwaar ook naar voren heeft gebracht. Om aan te tonen dat sprake is van privéleven heeft eiseres heeft in beroep aanvullende stukken, waaronder de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en recente loonstroken, ingebracht. Op dat dienstverband had zij eerder al gewezen.
8.1.
Verweerder heeft ter zitting erkend dat in het bestreden besluit niet duidelijk is aangegeven dat sprake is van privéleven, maar dat verweerder ervan uitgaat dat er wel privéleven is. Ook heeft verweerder erkend dat geen volledige belangenafweging heeft plaatsgevonden, maar is volstaan met het benoemen van de belangrijkste punten en de daaruit volgende conclusie dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat hiermee geen sprake is van een deugdelijke belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM waarbij de belangen van eiseres worden afgezet tegen de belangen van de Nederlandse staat, en alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt.
Had verweerder eiseres moeten horen?
9. Eiseres stelt tot slot dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres in bezwaar. Daarbij geeft eiseres aan dat alleen in hele evidente gevallen van horen kan worden afgezien. Onder meer omdat het bezwaar was onderbouwd met stukken, had verweerder niet kunnen stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
9.1.
De wettelijke plicht om een vreemdeling in de bezwaarfase te horen volgt uit artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit vaste rechtspraak volgt dat horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure en dat de uitzonderingsgronden uit artikel 7:3 van de Awb terughoudend moeten worden toepast. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer als het gaat om zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt, zoals in dit geval. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en hetgeen eiseres in bezwaar (en daaraan voorafgaand: in de zienswijze) naar voren had gebracht, oordeelt de rechtbank dat verweerder redelijkerwijs niet tot het oordeel had kunnen komen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Verweerder had eiseres dus moeten horen over haar bezwaar en moet dit nu alsnog doen.
9.2.
Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb (zorgvuldigheidsbeginsel) en artikel 7:12 van de Awb (motiveringsbeginsel). Ook heeft verweerder in strijd met artikel 7:2 van de Awb nagelaten eiseres in bezwaar te horen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10.1.
De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan verweerder is om de beoordeling onder artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 8 van het EVRM zelf te maken en eiseres in dat kader te horen.
10.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak en eiseres voorafgaand aan dat besluit moet horen.
10.3.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 december 2023;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG)
Artikel 17
In geval van afwijzing van een verzoek, intrekking of niet-verlenging van een verblijfstitel, alsmede in geval van een verwijderingsmaatregel tegen de gezinshereniger of leden van diens gezin houden de lidstaten terdege rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in de lidstaat, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
EVRM
Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 18
1. Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:
f. niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden;
Artikel 19
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel e, wordt verleend.
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.6
1. Bij afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan alsnog ambtshalve een dergelijke verblijfsvergunning worden verleend:
a. aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
5. Het eerste, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingetrokken of de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Dit volgt uit artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, in samenhang met artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Dit volgt uit artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, en het vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1252), onder 47.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2485), onder 2.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918), onder 5 en 5.2.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2743
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning, de intrekking van haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 5 augustus 2022 en het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Eiseres is het daar niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een beoordeling te maken als bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingrichtlijn. Ook is het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en de daartoe strekkende belangenafweging niet deugdelijk gemotiveerd. Tot slot heeft verweerder niet mogen afzien van het horen van eiseres in bezwaar. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 juni 2023 afgewezen. Ook is de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 5 augustus 2022 ingetrokken en is een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 29 december 2023 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag, de intrekking met terugwerkende kracht en het terugkeerbesluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft de Mongolische nationaliteit. Op 5 mei 2018 heeft zij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ gekregen. Eiseres verbleef op dat moment bij haar partner met de Nederlandse nationaliteit. De verblijfsvergunning was geldig tot 5 mei 2023. Op 19 februari 2023 heeft eiseres een aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning ingediend.
3.1.
Met het besluit van 2 juni 2023 is de aanvraag van eiseres om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning afgewezen. Verweerder heeft de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 5 augustus 2022 ingetrokken, omdat vanaf dat moment niet meer werd voldaan aan het samenwoonvereiste en er geen sprake (meer) was van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en haar partner. Het besluit geldt tevens als terugkeerbesluit op grond waarvan eiseres moet terugkeren naar Mongolië. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.2.
Met het bestreden besluit van 29 december 2023 stelt verweerder dat niet wordt bestreden dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verweerder stelt verder dat de Gezinsherenigingsrichtlijn is verdisconteerd in de nationale wet- en regelgeving. Daaruit volgt dat de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken als aan de voorwaarden voor de verlening daarvan niet meer wordt voldaan. Verweerder stelt verder dat geen sprake is van gezins- of familieleven zodat geen sprake kan zijn van een schending van artikel 8 van het EVRM. Voor het aannemen van privéleven stelt verweerder dat het verblijf van eiseres ruimschoots te kort is waarbij verweerder uitsluitend kijkt naar de periode vanaf 4 mei 2018 tot 5 augustus 2022 (de datum van de beëindiging van de samenwoning). Ook vindt verweerder dat de binding met Nederland, anders dan dat eiseres hier werkt, niet is onderbouwd. Omdat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond acht, heeft verweerder afgezien van het horen van eiseres.
Toetsingskader
4. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken of niet worden verlengd als aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning niet meer wordt voldaan. Een verblijfsvergunning kan alsnog ambtshalve worden verleend als uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM (het recht op familie- of gezinsleven en/of het privéleven).
4.1.
Het wettelijk kader van deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Kan de verblijfsvergunning regulier met terugwerkende kracht worden ingetrokken?
5. Eiseres stelt dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken. Eiseres verwijst daarbij naar de Gezinsherenigingsrichtlijn waarin bepalingen over terugwerkende kracht ontbreken.
5.1.
Uit vaste rechtspraak volgt niet dat een verblijfsvergunning die is verleend uit hoofde van gezinshereniging niet met terugwerkende kracht mag worden ingetrokken. De bevoegdheid tot intrekking ontstaat op het moment waarop de gezinshereniger en het gezinslid geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven meer onderhouden. Dat duidt erop dat de verblijfsvergunning zo nodig met terugwerkende kracht mag worden ingetrokken tot het tijdstip waarop het werkelijke huwelijks- of gezinsleven is beëindigd. Omdat eiseres niet betwist dat aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ niet meer wordt voldaan, oordeelt de rechtbank dat verweerder de verblijfsvergunning van eiseres per 5 augustus 2022 heeft kunnen intrekken.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd?
6. Bij de intrekking van de onderhavige verblijfsvergunning dient verweerder acht te slaan op het bepaalde in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Daarnaast kan verweerder gelet op artikel 3.6 van het Vb ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen als de uitzetting van eiseres in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. In dat kader, en in het licht van wat door eiseres naar voren toe is gebracht, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Verweerder heeft ten onrechte geen beoordeling gemaakt als bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn
7. Eiseres doet een beroep op de Gezinsherenigingsrichtlijn. Zij stelt dat op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn rekening gehouden moet worden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van het verblijf in de lidstaat, alsmede, onder meer in geval van een intrekking van een verblijfstitel, met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst. Verweerder heeft geen rekening gehouden met haar specifieke situatie en in strijd gehandeld met het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, aldus eiseres.
7.1.
Zoals verweerder in beroep heeft erkend, is artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing. Verweerder kan in dat kader niet volstaan met de stelling dat de Gezinsherenigingsrichtlijn is verdisconteerd in nationale wet- en regelgeving, maar dient een individuele beoordeling te verrichten. Deze beoordeling heeft verweerder echter, anders dan verweerder in het verweerschrift stelt, niet verricht. De enkele verwijzing naar het ontbreken van huwelijks- en gezinsleven in het besluit van 2 juni 2023 en het ontbreken van privéleven in het bestreden besluit volstaat daartoe niet. Deze passages komen immers niet voort uit de (ruimere) beoordeling onder artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, en zijn bovendien uitsluitend opgesomd in het kader van het privéleven van artikel 8 van het EVRM.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt.
Verweerder heeft ten onrechte geen belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM (privéleven)
8. Eiseres heeft (ter zitting) aangegeven dat ten onrechte voorbij is gegaan aan het standpunt dat sprake is van privéleven. Verweerder had een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM moeten maken, zoals eiseres in bezwaar ook naar voren heeft gebracht. Om aan te tonen dat sprake is van privéleven heeft eiseres heeft in beroep aanvullende stukken, waaronder de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en recente loonstroken, ingebracht. Op dat dienstverband had zij eerder al gewezen.
8.1.
Verweerder heeft ter zitting erkend dat in het bestreden besluit niet duidelijk is aangegeven dat sprake is van privéleven, maar dat verweerder ervan uitgaat dat er wel privéleven is. Ook heeft verweerder erkend dat geen volledige belangenafweging heeft plaatsgevonden, maar is volstaan met het benoemen van de belangrijkste punten en de daaruit volgende conclusie dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat hiermee geen sprake is van een deugdelijke belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM waarbij de belangen van eiseres worden afgezet tegen de belangen van de Nederlandse staat, en alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt.
Had verweerder eiseres moeten horen?
9. Eiseres stelt tot slot dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres in bezwaar. Daarbij geeft eiseres aan dat alleen in hele evidente gevallen van horen kan worden afgezien. Onder meer omdat het bezwaar was onderbouwd met stukken, had verweerder niet kunnen stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
9.1.
De wettelijke plicht om een vreemdeling in de bezwaarfase te horen volgt uit artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit vaste rechtspraak volgt dat horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure en dat de uitzonderingsgronden uit artikel 7:3 van de Awb terughoudend moeten worden toepast. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer als het gaat om zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt, zoals in dit geval. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en hetgeen eiseres in bezwaar (en daaraan voorafgaand: in de zienswijze) naar voren had gebracht, oordeelt de rechtbank dat verweerder redelijkerwijs niet tot het oordeel had kunnen komen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Verweerder had eiseres dus moeten horen over haar bezwaar en moet dit nu alsnog doen.
9.2.
Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb (zorgvuldigheidsbeginsel) en artikel 7:12 van de Awb (motiveringsbeginsel). Ook heeft verweerder in strijd met artikel 7:2 van de Awb nagelaten eiseres in bezwaar te horen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10.1.
De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan verweerder is om de beoordeling onder artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 8 van het EVRM zelf te maken en eiseres in dat kader te horen.
10.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak en eiseres voorafgaand aan dat besluit moet horen.
10.3.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 december 2023;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG)
Artikel 17
In geval van afwijzing van een verzoek, intrekking of niet-verlenging van een verblijfstitel, alsmede in geval van een verwijderingsmaatregel tegen de gezinshereniger of leden van diens gezin houden de lidstaten terdege rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in de lidstaat, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
EVRM
Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 18
1. Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:
f. niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden;
Artikel 19
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel e, wordt verleend.
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.6
1. Bij afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan alsnog ambtshalve een dergelijke verblijfsvergunning worden verleend:
a. aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
5. Het eerste, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingetrokken of de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Dit volgt uit artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, in samenhang met artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Dit volgt uit artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, en het vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1252), onder 47.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2485), onder 2.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918), onder 5 en 5.2.