Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25392

2026-08-31 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.47224
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-31
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.47224
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring eerste beroep; art. 59b, eerste lid, aanhef en onder a (vaststelling identiteit of nationaliteit) en d (gevaar voor nationale veiligheid of openbare orde, art. 1F van het Vluchtelingenverdrag), van de Vw 2000; betwisting gronden a, b, c, d en h; gronden a, b, en c zijn feitelijk juist en voldoende om de maatregel te dragen; grondslag art. 1F van het Vluchtelingenverdrag hoeft niet te worden beoordeeld in de bewaringsprocedure, want deze tegenwerping wordt in de beroepsprocedure tegen de afwijzing van de asielaanvraag beoordeeld; geen lichter middel; ongegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.051 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.47224


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Rasul),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft op 25 februari 2025 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 8 juli 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdrijven in Zuid-Soedan en artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan eiser tegengeworpen. Eiser kan volgens de minister naar Zuid-Soedan terugkeren. Daarom heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.



2.1.
Eiser heeft tot en met 17 augustus 2026 in strafrechtelijke detentie gezeten op grond van een op 29 februari 2024 aan eiser opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel). Aansluitend heeft de minister eiser in vreemdelingenbewaring gesteld.



2.2.
Met het bestreden besluit van 17 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.3.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen met behulp van een beeldverbinding. Verder zijn verschenen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader

3. De minister kan vreemdelingen die een asielverzoek hebben ingediend in vreemdelingenbewaring stellen als dat noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.



3.1.
De minister kan vreemdelingen die een asielverzoek hebben ingediend ook in vreemdelingenbewaring stellen, als de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is in ieder geval aanwezig, indien er is sprake van een aanvraagprocedure waarin vermoedelijk artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.



3.2.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.



Is de vreemdelingenbewaring noodzakelijk met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser?


4. Vast staat dat eiser na aankomst in Nederland aanvankelijk een onjuiste naam en geboortedatum heeft genoemd en heeft verklaard de Soedanese nationaliteit te hebben. Nadat hij werd geconfronteerd met een afbeelding van een Zuid-Soedanese identiteitskaart (ID-kaart), met de in deze uitspraak gehanteerde gegevens, heeft hij eerst erkend dat dat inderdaad zijn gegevens zijn. In een gesprek met de Zuid-Soedanese autoriteiten heeft hij vervolgens verklaard dat dit de ID-kaart van zijn broer zou zijn. Hoewel eiser erop wijst dat de minister uitgaat van de gegevens op de ID-kaart, kan de vreemdelingenbewaring onder deze omstandigheden nog wel worden gebaseerd op de noodzaak voor het vaststellen van de identiteit. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister in de maatregel terecht heeft verwezen naar het voornemen van 23 april 2026 waarin de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn bevonden.

5. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.



5.1.

In de maatregel heeft de minister daarvoor als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet, tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet, dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;i. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de asielgrensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.




5.2.
Op de zitting heeft de minister de grond q laten vallen.



5.3.
Eiser betwist de gronden a, b, c, d en h die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Ten aanzien van grond a voert eiser aan dat het klopt dat hij niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen, omdat hij niet over een paspoort beschikt. Volgens eiser heeft hij zich echter onverwijld tot de autoriteiten gewend door een asielaanvraag in te dienen en heeft hij zich daarmee niet aan het toezicht onttrokken. Ten aanzien van grond b voert eiser aan dat hij het eerdere besluit waarnaar de minister verwijst niet heeft ontvangen. Volgens eiser ziet dit besluit vermoedelijk op de eerste asielprocedure. Het laatste besluit heeft hij wel ontvangen en daartegen loopt nog een procedure. Ten aanzien van grond c voert eiser aan dat zijn identiteit en nationaliteit in de asielprocedure niet ter discussie staan. Volgens eiser is het daarom tegenstrijdig dat hem wordt tegengeworpen dat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.



5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a, b en c feitelijk juist zijn en voldoende zijn om de maatregel te dragen. De minister heeft grond a terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser heeft op zitting erkend dat hij zonder paspoort Nederland is ingereisd. Daarnaast blijkt uit het dossier dat eiser zich eerder zonder toestemming tussen lidstaten van de Europese Unie heeft verplaatst en dat hij in het kader van een eerdere Dublinprocedure met Italië met onbekende bestemming is vertrokken. Dat eiser zich na aankomst onverwijld heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag, maakt niet dat de grond niet feitelijk juist is. Ook grond b is feitelijk juist. De minister heeft erop gewezen dat aan eiser op 28 juli 2023 een terugkeerbesluit is opgelegd waaraan hij niet heeft voldaan en dat op 8 juli 2026 opnieuw een terugkeerbesluit is opgelegd. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn standpunt dat hij de besluiten niet heeft ontvangen. Uit het dossier blijkt dat de besluiten aan de gemachtigde van eiser zijn toegezonden. Ook grond c is feitelijk juist. Zoals hiervoor onder 4 al overwogen, heeft de minister daarbij terecht verwezen naar het voornemen van 23 april 2026 waarin de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn bevonden.



5.5.
Omdat de gronden a, b en c feitelijk juist zijn en voldoende zijn om de maatregel te dragen, beoordeelt de rechtbank de betwisting van de overige gronden niet. Wat eiser verder heeft aangevoerd, kan daaraan niet afdoen.



Vormt eiser een gevaar voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn?

6. De minister heeft de maatregel van bewaring ook gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Op grond van artikel 5.7, vierde lid, van het Vb 2000 is de grond voor vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, van de Vw 2000 in ieder geval aanwezig indien sprake is van een aanvraagprocedure waarin vermoedelijk artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.




6.1.

In dit geval heeft de minister bij besluit van 8 juli 2026 artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan eiser tegengeworpen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in deze bewaringsprocedure te oordelen dat deze grondslag niet kon worden toegepast. Eiser heeft hier ook geen gronden tegen gericht. De vraag of artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag terecht aan eiser is tegengeworpen, maakt onderdeel uit van de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en zal in die procedure worden beoordeeld.Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
7. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Volgens eiser heeft hij zich tijdens zijn verblijf in Nederland aan de regels gehouden, openheid van zaken gegeven en loopt er nog een procedure tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Daarnaast wijst eiser erop dat hij psychische klachten heeft. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij tijdens de ISD-maatregel veel psychische problemen heeft ervaren en dat een traumabehandeling volgens hem beter buiten het detentiecentrum kan plaatsvinden.




7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.



7.2.

De minister stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, hetgeen volgens de minister zwaar weegt in het kader van de openbare orde. Daarnaast heeft de minister gewezen op de aan eiser tegengeworpen gronden van de maatregel, waaronder het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan, het niet beschikken over identiteitsdocumenten, het niet voldoen aan een terugkeerbesluit en het eerder met onbekende bestemming vertrekken. De minister heeft verder de persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder zijn psychische situatie, in de beoordeling betrokken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat zijn psychische situatie aanleiding geeft om een lichter middel toe te passen. Het betoog van eiser dat zijn traumabehandeling beter buiten het detentiecentrum kan plaatsvinden, is onvoldoende in het licht van de aan eiser tegengeworpen gronden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat binnen het detentiecentrum mogelijkheden voor behandeling aanwezig zijn. De minister heeft de persoonlijke omstandigheden van eiser daarom voldoende betrokken bij de beoordeling of met een lichter middel kon worden volstaan.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen


9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb 2000.


Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 5.7, vierde lid, van het Vb 2000.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.


Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.