Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25373

2026-09-02 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.48487 en NL26.49200
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.48487 en NL26.49200
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring. Grensdetentie artikel zes, eerste en derde lid Vw. Aansluitend aan elkaar opgelegde maatregelen. Informatiefolder in taal die eiser niet machtig is belangenafweging valt uit in voordeel minister. Grensbewakingsbelang en lichter middel. Beroepen ongegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.959 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummers: NL26.48487 en NL26.49200


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),


en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S. Bozkurt-Chhiba).




Procesverloop


Bij besluit van 20 augustus 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiser met toepassing van artikel 6, eerste lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij besluit van 21 augustus 2026 (bestreden besluit 2) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de besluiten tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen in kennis gesteld. Deze kennisgevingen worden gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 27 augustus 2026 gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 1 september 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten op 1 september 2026 om 17:01 uur.




Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.



Feiten en omstandigheden


2. Eiser is op 20 augustus 2026 aangekomen op Schiphol met een vlucht vanuit Jordanië. Aan eiser is vervolgens een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Vw, opgelegd. Eiser heeft toen de aanwijzing gekregen om zich op te houden in de internationale lounge op de luchthaven Schiphol van 20 augustus 2026 om 21:06 uur tot 21 augustus 2026 om 07:00 uur. Vervolgens is de maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw opgeheven vanwege de asielaanvraag die eiser heeft ingediend op 21 augustus 2026. Aansluitend is aan eiser op 21 augustus 2026 een maatregel zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw, opgelegd.



Over bestreden besluit 1


3. Eiser voert aan dat beide maatregelen onrechtmatig zijn omdat er geen twee maatregelen naast elkaar kunnen lopen. Uit het dossier volgt enkel dat de eerste maatregel aan eiser is opgelegd op 20 augustus 2026 op 20:44 uur en de tweede maatregel op 21 augustus 2026 om 12:34 uur.

4. Uit de toelichting van de minister in het verweerschrift en uit de M113, die later aan het dossier is toegevoegd, volgt dat de eerste maatregel is opgeheven met ingang van 21 augustus 2026 vanwege de asielaanvraag die eiser heeft ingediend. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de tweede maatregel aansluitend op de eerste aan eiser is opgelegd en dat geen sprake is geweest van twee gelijktijdig lopende maatregelen.


4.1.
Omdat de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de vrijheidsbeperkende maatregel al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van deze maatregel, aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.



4.2.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de maatregel tot de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest. De beroepsgrond slaagt niet.



Over bestreden besluit 2


Inleiding


5. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.



Informatiefolder


6. Eiser voert tot slot aan dat de informatiefolder over grensdetentie in de zin van artikel 6, derde lid van de Vw in het Engels aan eiser is uitgereikt, een taal die hij niet machtig is. Eiser is daardoor niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte gebracht van de redenen van grensdetentie.

7. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser door deze gang van zaken niet in zijn belangen is geschaad. De informatiefolder is niet beschikbaar in de Sorani taal en om die reden is een informatiefolder in de Engelse taal aan eiser uitgereikt. Daarbij is eiser direct voorafgaand aan het opleggen van de maatregel en in het bijzijn van een tolk
in de Sorani taal de inhoud van de informatiefolder met eiser besproken, zoals ook blijkt uit de motivering van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Subsidiair moet het gebrek volgens de minister leiden tot een belangenafweging die in het voordeel van de minister moet uitvallen.

8. In artikel 5.10 van het Vb staat dat de vreemdeling schriftelijk in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat, op de hoogte wordt gebracht van de redenen van de maatregel en van de rechtsmiddelen die daartegen openstaan, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen. De rechtbank stelt met eiser vast dat aan dit artikel niet is voldaan. Aan eiser is een informatiefolder in de Engelse taal uitgereikt. Niet in geschil is dat eiser die taal niet machtig is. Dat de inhoud van de informatiefolder direct voorafgaand aan het opleggen van de maatregel, in het bijzijn van een tolk die eiser wel verstaat, met eiser is besproken, maakt dat niet anders.



8.1.

Dit gebrek leidt echter niet tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard. In het geval van eiser is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de vrijheidsontneming gediend zijn. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder het grensbewakingsbelang in aanmerking. Eiser is voorafgaand aan het opleggen van de maatregel gehoord met behulp van een tolk in Sorani-taal, en heeft hij aangegeven deze goed te kunnen verstaan. Uit de maatregel blijkt dat de strekking en inhoud daarvan mondeling, met behulp van een tolk in de Koerdische taal, aan eiser is voorgehouden. Eiser is met behulp van een tolk in een taal die hij machtig is mondeling op de hoogte geraakt van de redenen van de grensdetentie. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser door bovengeschetste gang van zaken niet in zijn belangen geschaad. Ondanks de schending van de informatieplicht is eiser namelijk wel in staat gesteld tegen de vrijheidsontneming rechtsmiddelen effectief uit te oefenen en is niet gebleken dat hij door het ontbreken van de vertaling in zijn belangen is geschaad.

Ten aanzien van het grensbewakingsbelang en een lichter middel


9. Eiser voert aan dat in zijn geval geen noodzaak bestaat om grensdetentie toe te passen en dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid om een lichter middel toe te passen. Eisers individuele omstandigheden hadden bij die beoordeling moeten worden betrokken. Uit artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening volgt slechts dat in de daarin genoemde situaties de verplichting bestaat om de grensprocedure toe te passen. In alle andere gevallen – zo ook in de zaak van eiser – is een lidstaat niet verplicht om de asielgrensprocedure toe te passen. De noodzaak daartoe moet nader onderbouwd worden door bijvoorbeeld een risico op onderduiken aannemelijk te maken. Dat heeft de minister nagelaten. Eiser heeft een echt paspoort overlegd waardoor zijn identiteit en nationaliteit vaststaan. Tijdens het gehoor zijn eiser geen vragen gesteld over de mogelijkheid van de toepassing van een lichter middel. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026.

10. De minister stelt zich op het standpunt dat uit vaste rechtspraak volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Van dit uitgangspunt wordt enkel in bijzondere gevallen afgeweken, waarvan bij eiser volgens de minister geen sprake is. De minister heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel uitdrukkelijk aan eiser gevraagd of hij medische problemen of andere (spoedeisende) omstandigheden heeft die aan het opleggen van de maatregel in de weg staan. Hierop heeft eiser ontkennend geantwoord. Verder heeft de minister erop gewezen dat hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraken waar eiser zich op beroept, de minister heeft het hoger beroepschrift in die zaak geüpload in het digitale dossier.

11. Niet in geschil is dat eiser aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend, terwijl hij niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldeed. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt voldaan.



11.1.
Zoals de minister terecht opmerkt, rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. De minister dient steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan - ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Uit de maatregel blijkt dat de minister die beoordeling heeft verricht. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de maatregel. Eiser heeft desgevraagd verklaard het geen probleem te vinden om in een gesloten opvangcentrum te verblijven, zolang hij maar veilig is. Ten aanzien van de medische omstandigheden heeft eiser verklaard dat er geen bijzonderheden zijn waarmee rekening moet worden gehouden. Daarnaast is, ook in beroep, niet gebleken van individuele omstandigheden op grond waarvan de vreemdelingenbewaring achterwege dient te blijven. Niet gesteld of gebleken is dat eiser detentieongeschikt is, het dossier biedt hiervoor ook geen aanknopingspunten. Dat eiser een geldig paspoort heeft overgelegd maakt dit, gelet op het grensbewakingsbelang, niet anders. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser met de gestelde vragen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om alles naar voren te kunnen brengen wat van belang kon zijn. De minister heeft dan ook aan de op hem rustende onderzoekplicht voldaan. Nu eiser heeft verklaard dat die bijzondere feiten en omstandigheden er niet zijn, heeft de minister zich in het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel terecht op het standpunt gesteld dat de vrijheidsontnemende maatregel in de situatie van eiser niet onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.




Ambtshalve toets


12. Ook is overigens niet gebleken dat het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.



Conclusie en gevolgen



13. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




Vreemdelingenwet 2000.


Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.


Vreemdelingenbesluit 2000.


ECLI:NL:RBDHA:2026:19756.


Verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.


Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, r.o. 10.