Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25288
2026-08-03
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/682450 / FA RK 25-2253
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verklaring van overlijden. Betrokkene overleden in Somalië.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.463 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2253
Zaaknummer: C/09/682450
Datum beschikking: 3 augustus 2026
Verklaring van overlijden
Beschikking op het op 11 maart 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster]
,
verzoekster, hierna ook: de echtgenote,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Apistola te Zwijndrecht.
betreffende het overlijden van:
[betrokkene]
,
de betrokkene,
laatstelijk verblijvende te [plaats 1], [land].
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
1
[belanghebbende 1],
dochter van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
2
[belanghebbende 2],
zoon van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres buiten Nederland,
3
[belanghebbende 3],
zoon van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
4
[belanghebbende 4],
dochter van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
5
[belanghebbende 5],
zoon van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres buiten Nederland,
6
[belanghebbende 6],
dochter van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
7
[belanghebbende 7],
zoon van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de schriftelijke conclusie van de officier van justitie, ingekomen op 6 augustus 2025;
- de brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage (de ambtenaar) van 4 november 2025;
- de brief van verzoekster van 9 december 2025, met als bijlage de instemmings-verklaringen van [belanghebbende 1], [belanghebbende 3], [belanghebbende 4], [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7].
Op 13 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
verzoekster, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;
[belanghebbende 1], [belanghebbende 3], [belanghebbende 4], [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7].
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het F9-bericht van verzoekster van 9 juni 2026, met als bijlage de instemmingsverklaringen van [belanghebbende 5] en [belanghebbende 2] en een (nieuwe) beëdigde vertaling van de uitspraak van de lokale rechtbank in [land].
Verzoek
Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank:
primair: zal verklaren dat [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1937 te [geboorteplaats], [geboorteland], gewoond hebbende te [plaats 2] op [datum] 2024, te [land] is overleden;
subsidiair: zal gelasten om betrokkene op te roepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken, en zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat een rechtsvermoeden van overlijden van de man bestaat;
bepaalt dat de kosten die verzoekster op grond van artikel 1:426 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gemaakt, ten laste komen van het vermogen van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank is op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd van de voorliggende verzoeken kennis te nemen en past bij gebrek aan nadere conflictregels het Nederlands recht toe.
Relatieve bevoegdheid
Op grond van artikel 267 Rv is de rechtbank Den Haag bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Verklaring van overlijden
Ontvankelijkheid
Op grond van het tweede lid van artikel 1:426 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, indien een persoon buiten Nederland is overleden en geen overlijdensakte is opgemaakt of kan worden overgelegd, op verzoek van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende de rechtbank verklaren dat die persoon is overleden:
indien het overlijden heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een in Nederland thuisbehorend schip of luchtvaartuig;
indien de overledene Nederlander was;
indien de overledene zijn woon- of verblijfplaats in Nederland had.
Omdat de betrokkene Nederlander was en hier zijn woonplaats had, is het verzoek ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de verklaring van verzoekster op de zitting is het volgende gebleken. Verzoekster is de echtgenote van betrokkene. Zij zijn op 14 april 2024, samen met twee kinderen ([belanghebbende 2] en [belanghebbende 7]) naar [land] gereisd. Betrokkene is vervolgens op [datum] 2024 in een ziekenhuis in [plaats 1], [land] overleden. De vrouw heeft een (vertaling van) een uitspraak van de rechtbank van het district [district] van 5 november 2024, overgelegd, waarin is vastgesteld dat betrokkene inderdaad op de genoemde datum en plaats is overleden. In deze akte van overlijden wordt ook verwezen naar een overlijdensverklaring die is afgegeven door het [ziekenhuis] in [plaats 1]. De rechtbank beschikt niet over deze overlijdensverklaring.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de door verzoekster overgelegde Somalische overlijdensakte niet kan worden gelegaliseerd in [land]. [land] kent geen organisatie van een burgerlijke stand of nationaal registratiesysteem. Dit volgt uit het Algemeen ambtsbericht [land] van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van maart 2025. Het verifiëren van de authenticiteit van de door verzoekster overgelegde uitspraak is dan ook niet mogelijk. Een overlijdensakte van betrokkene ontbreekt daarmee.
Echter, alle overgelegde stukken tezamen, waaronder de foto van de uitvaart van betrokkene, voornoemde uitspraak van de districtsrechtbank in [land] en de instemmingsverklaringen van alle kinderen van betrokkene, samen met de verklaringen op de zitting, leiden er toe dat naar het oordeel van de rechtbank vastgesteld kan worden dat betrokkene, op de wijze zoals hiervoor weergegeven, is overleden. De rechtbank neemt in haar oordeel mee dat de advocaat van verzoekster heeft aangevoerd dat het niet mogelijk is om andere stukken te verkrijgen, waaronder de overlijdensverklaring van het ziekenhuis in [land]. De rechtbank begrijpt dat het overlijden van betrokkene niet anders onderbouwd kan worden, mede gezien het zeer gebrekkige registratiesysteem in [land] (zie voornoemd ambtsbericht).
Het verzoek is gegrond op artikel 1:426 tweede lid, sub b BW en zal als na te melden worden toegewezen.
Kosten
Verzoekster vraagt om de kosten die op grond van artikel 1:426 BW worden gemaakt ten laste van het vermogen van de overledene te brengen. De rechtbank zal dit verzoek als niet op de wet gegrond afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart dat op [datum] 2024 in [plaats 1], [land] is overleden:
[betrokkene], man, geboren te [geboorteplaats], [geboorteland] op [geboortedatum] 1937, gewoond hebbende te [plaats 2] en tot aan zijn overlijden gehuwd geweest met [verzoekster];
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2253
Zaaknummer: C/09/682450
Datum beschikking: 3 augustus 2026
Verklaring van overlijden
Beschikking op het op 11 maart 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster]
,
verzoekster, hierna ook: de echtgenote,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Apistola te Zwijndrecht.
betreffende het overlijden van:
[betrokkene]
,
de betrokkene,
laatstelijk verblijvende te [plaats 1], [land].
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
1
[belanghebbende 1],
dochter van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
2
[belanghebbende 2],
zoon van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres buiten Nederland,
3
[belanghebbende 3],
zoon van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
4
[belanghebbende 4],
dochter van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
5
[belanghebbende 5],
zoon van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres buiten Nederland,
6
[belanghebbende 6],
dochter van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
7
[belanghebbende 7],
zoon van betrokkene,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de schriftelijke conclusie van de officier van justitie, ingekomen op 6 augustus 2025;
- de brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage (de ambtenaar) van 4 november 2025;
- de brief van verzoekster van 9 december 2025, met als bijlage de instemmings-verklaringen van [belanghebbende 1], [belanghebbende 3], [belanghebbende 4], [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7].
Op 13 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
verzoekster, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;
[belanghebbende 1], [belanghebbende 3], [belanghebbende 4], [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7].
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het F9-bericht van verzoekster van 9 juni 2026, met als bijlage de instemmingsverklaringen van [belanghebbende 5] en [belanghebbende 2] en een (nieuwe) beëdigde vertaling van de uitspraak van de lokale rechtbank in [land].
Verzoek
Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank:
primair: zal verklaren dat [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1937 te [geboorteplaats], [geboorteland], gewoond hebbende te [plaats 2] op [datum] 2024, te [land] is overleden;
subsidiair: zal gelasten om betrokkene op te roepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken, en zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat een rechtsvermoeden van overlijden van de man bestaat;
bepaalt dat de kosten die verzoekster op grond van artikel 1:426 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gemaakt, ten laste komen van het vermogen van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank is op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd van de voorliggende verzoeken kennis te nemen en past bij gebrek aan nadere conflictregels het Nederlands recht toe.
Relatieve bevoegdheid
Op grond van artikel 267 Rv is de rechtbank Den Haag bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Verklaring van overlijden
Ontvankelijkheid
Op grond van het tweede lid van artikel 1:426 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, indien een persoon buiten Nederland is overleden en geen overlijdensakte is opgemaakt of kan worden overgelegd, op verzoek van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende de rechtbank verklaren dat die persoon is overleden:
indien het overlijden heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een in Nederland thuisbehorend schip of luchtvaartuig;
indien de overledene Nederlander was;
indien de overledene zijn woon- of verblijfplaats in Nederland had.
Omdat de betrokkene Nederlander was en hier zijn woonplaats had, is het verzoek ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de verklaring van verzoekster op de zitting is het volgende gebleken. Verzoekster is de echtgenote van betrokkene. Zij zijn op 14 april 2024, samen met twee kinderen ([belanghebbende 2] en [belanghebbende 7]) naar [land] gereisd. Betrokkene is vervolgens op [datum] 2024 in een ziekenhuis in [plaats 1], [land] overleden. De vrouw heeft een (vertaling van) een uitspraak van de rechtbank van het district [district] van 5 november 2024, overgelegd, waarin is vastgesteld dat betrokkene inderdaad op de genoemde datum en plaats is overleden. In deze akte van overlijden wordt ook verwezen naar een overlijdensverklaring die is afgegeven door het [ziekenhuis] in [plaats 1]. De rechtbank beschikt niet over deze overlijdensverklaring.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de door verzoekster overgelegde Somalische overlijdensakte niet kan worden gelegaliseerd in [land]. [land] kent geen organisatie van een burgerlijke stand of nationaal registratiesysteem. Dit volgt uit het Algemeen ambtsbericht [land] van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van maart 2025. Het verifiëren van de authenticiteit van de door verzoekster overgelegde uitspraak is dan ook niet mogelijk. Een overlijdensakte van betrokkene ontbreekt daarmee.
Echter, alle overgelegde stukken tezamen, waaronder de foto van de uitvaart van betrokkene, voornoemde uitspraak van de districtsrechtbank in [land] en de instemmingsverklaringen van alle kinderen van betrokkene, samen met de verklaringen op de zitting, leiden er toe dat naar het oordeel van de rechtbank vastgesteld kan worden dat betrokkene, op de wijze zoals hiervoor weergegeven, is overleden. De rechtbank neemt in haar oordeel mee dat de advocaat van verzoekster heeft aangevoerd dat het niet mogelijk is om andere stukken te verkrijgen, waaronder de overlijdensverklaring van het ziekenhuis in [land]. De rechtbank begrijpt dat het overlijden van betrokkene niet anders onderbouwd kan worden, mede gezien het zeer gebrekkige registratiesysteem in [land] (zie voornoemd ambtsbericht).
Het verzoek is gegrond op artikel 1:426 tweede lid, sub b BW en zal als na te melden worden toegewezen.
Kosten
Verzoekster vraagt om de kosten die op grond van artikel 1:426 BW worden gemaakt ten laste van het vermogen van de overledene te brengen. De rechtbank zal dit verzoek als niet op de wet gegrond afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart dat op [datum] 2024 in [plaats 1], [land] is overleden:
[betrokkene], man, geboren te [geboorteplaats], [geboorteland] op [geboortedatum] 1937, gewoond hebbende te [plaats 2] en tot aan zijn overlijden gehuwd geweest met [verzoekster];
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026.