Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25278

2026-08-03 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/706901 / FA RK 26-5968
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-03
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/706901 / FA RK 26-5968
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.339 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer


Rekestnummer: FA RK 26-5849
Zaaknummer: C/09/706901
Datum beschikking: 3 augustus 2026


Voorlopige voorzieningen



Beschikking op het op 11 juni 2026 ingekomen verzoek van:




[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Todorov te Maasdijk.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift;


het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;


- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken.


Op 20 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de man, bijgestaan door zijn advocaat;



[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).





Feiten


Partijen zijn op [datum] 2008 in [plaats 1] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.


Zij zijn de ouders van de volgende minderjarigen:


- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2].


De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.


De kinderen staan ingeschreven op het adres van de vrouw.


De vrouw heeft op 12 juni 2026 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend, dat onder zaak- en rekestnummer C/09/707117 / FA RK 26-5968 in behandeling is.




Verzoek en verweer
Het verzoek van vrouw strekt ertoe dat:
- de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 445,- per maand per kind wordt vastgesteld, met ingang van 1 juli 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 1.391,- bruto per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 juli 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad .


De man voert – onder referte voor het overige – nog verweer tegen de verzochte voorlopige kinder- en partneralimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



Daarnaast verzoekt de man zelfstandig dat:

- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] te [plaats 2];
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de kinderen van partijen wordt vastgesteld, in die zin dat zij in de even weken op maandag en dinsdag bij de vrouw verblijven en op de overige dagen bij de man, en in de oneven weken op woensdag en donderdag bij de man verblijven en op de overige dagen bij de vrouw, met een wisselmoment op school;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 415,- per maand per kind wordt vastgesteld, met ingang van de datum van de beschikking;
- de partneralimentatie wordt afgewezen, althans voorlopig wordt vast gesteld op € 794,- bruto per maand.


De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en voert verweer tegen de overige (zelfstandige) verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.




Beoordeling



Toevertrouwing van de kinderen

De vrouw verzoekt de kinderen voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan haar toe te vertrouwen. Omdat de man hiermee instemt en niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek verzet, zal de rechtbank daartoe overgaan.




Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning

De man verzoekt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te kennen. De vrouw heeft zich in dat kader aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. Omdat de rechtbank is gebleken dat de vrouw inmiddels een eigen woonruimte heeft gevonden, zal zij het verzoek van de man toewijzen.




Voorlopige zorgregeling

De man verzoekt een voorlopige zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen in de even weken op maandag en dinsdag bij de vrouw verblijven en op de overige dagen bij de man, en in de oneven weken op woensdag en donderdag bij de man verblijven en op de overige dagen bij de vrouw. Deze regeling kent minder wisselmomenten dan de huidige tijdelijke regeling. Volgens de man geeft de voorgestelde regeling meer rust, ritme en regelmaat, hetgeen beter aansluit bij de behoefte van de kinderen.



De vrouw voert verweer en stelt dat de huidige zorgregeling, waarbij de kinderen in de even weken op maandag en donderdag bij de vrouw verblijven en op de overige dagen bij de man, en in de oneven weken op de dinsdag en woensdag bij de man verblijven en op de overige dagen bij de vrouw, definitief tussen partijen is afgesproken. Deze regeling sluit aan bij de belangen van de kinderen. Zij vinden deze regeling prettig, omdat zij de andere ouder dan slechts voor een korte periode niet zien. Daarnaast is deze regeling afgestemd op de werktijden van de vrouw en het contact met de grootouders.



Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat partijen de huidige zorgregeling in mediation met elkaar zijn overeengekomen. Partijen verschillen van mening over de vraag of de regeling definitief of voorlopig was. De rechtbank kan dat niet vaststellen. Wel staat vast dat de regeling nu een aantal maanden loopt. Volgens de moeder is deze regeling in het belang van de kinderen, terwijl de vader van mening is dat de huidige zorgregeling te veel onrust met zich meebrengt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet, dan wel onvoldoende, door de man aannemelijk gemaakt dat de huidige zorgregeling nadelig is voor de kinderen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de huidige zorgregeling in deze voorlopige voorzieningen procedure te wijzigen, zeker nu hier nog definitief beslist op moet worden in de bodemprocedure. De rechtbank zal een voorlopige zorgregeling vaststellen, conform de huidige zorgregeling.




Verwijzing ouderschapsbemiddeling

Beide partijen hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling, met als doel de onderlinge verstandhouding en communicatie te verbeteren. De rechtbank zal de ouders daarom in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan Ouderschapsbemiddeling en aanmelding bij de desbetreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal verder deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio. De rechtbank zal niet de zogenoemde ‘lus’ naar de Raad opnemen indien het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat. Dat neemt niet weg dat de rechtbank ervan uitgaat dat partijen zich in het belang van de kinderen tot het uiterste zullen inspannen voor het ouderschapsbemiddelingstraject.




Voorlopige kinderalimentatie

De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.



Bij de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, zoals opgenomen in het Rapport alimentatienormen, als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.





Behoefte van de kinderen

Om te berekenen welke bijdrage elk van partijen moet leveren in de kosten van de kinderen, moet eerst worden bepaald wat de kosten van de kinderen zijn (de behoefte). Partijen komen in hun berekening uit op dezelfde behoefte, maar hanteren daarbij andere uitgangspunten. Daarom zal de rechtbank hierna alsnog de behoefte van de kinderen vaststellen.



Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) tijdens het geregistreerd partnerschap worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van beide partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget.



Tussen partijen is in geschil van welk inkomen moet worden uitgegaan bij de berekening van het NBI van de man. De vrouw gaat in haar berekening ervan uit dat de man een winst uit onderneming heeft van € 146.407,- bruto per jaar. Zij sluit hierbij aan bij de winst en verlies rekening van 2024. De man voert hiertegen verweer. Hij stelt dat hij op dit moment geen opdrachten heeft, waardoor zijn winst uit onderneming in 2026 een stuk lager zal uitvallen dan de jaren daarvoor. Gelet daarop is de man van mening dat uit moet worden gegaan van een winst uit onderneming van € 129.206,- bruto per jaar, te weten de gemiddelde winst uit onderneming over de boekjaren 2024 (€ 146.407), 2025 (€ 148.211) en 2026 (€ 93.000; prognose).



De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn in januari 2026 uit elkaar gegaan. Voor het vaststellen van het NBI van de man is zijn inkomen over 2026 daarom niet relevant. De rechtbank zal uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de boekjaren 2024 en 2025, te weten € 147.309,- bruto per jaar.



Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek en de MKB Winstvrijstelling berekent de rechtbank het NBI van de man op € 7.336,- per maand.



Bij de berekening van het NBI van de vrouw is de rechtbank uitgegaan van een inkomen van € 2.004,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, zoals volgt uit de loonstroken van de vrouw van april en mei 2026.



Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie van € 48,- per maand.



Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.116,- per maand.



Het NBGI ten tijde van het geregistreerd partnerschap bedraagt dus € 9.452,- per maand. Op basis van de ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’ levert dit een behoefte op van € 1.695,- per maand in 2026, te weten € 848,- per maand per kind.




Draagkracht

De behoefte van de kinderen moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen van het rapport in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].




- draagkracht van de man

De man voert aan dat hij op dit moment geen opdrachten heeft, waardoor zijn winst uit onderneming in 2026 een stuk lager zal uitvallen dan de jaren daarvoor. Gelet daarop is de man van mening dat uit moet worden gegaan van een winst uit onderneming van € 129.206,- bruto per jaar, te weten de gemiddelde winst uit onderneming over de boekjaren 2024 (€ 146.407), 2025 (€ 148.211) en 2026 (€ 93.000; prognose). De vrouw meent dat moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming over 2024. De rechtbank overweegt als volgt. Op de winst en verlies rekening(en) is te zien dat de omzet van de man in de afgelopen jaren varieert. Hoewel de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment geen opdrachten heeft, valt de prognose over 2026 naar het oordeel van de rechtbank te laag uit. Immers, volgens deze prognose betreft de omzet van de man tot 15 juni 2026 € 98.514,- en zal hij over heel 2026 € 120.000,- aan omzet genereren. Voorgaande betekent dat de man volgens de prognose tussen 15 juni 2026 en 31 december 2026 slechts € 21.486,- aan omzet zal draaien. Dat vindt de rechtbank niet aannemelijk. Zij gaat er namelijk vanuit dat man, zoals hij ook op de zitting heeft aangegeven, hard op zoek is naar nieuwe opdrachten. De man heeft ook aangevoerd dat hij minder is gaan werken nu hij de zorg voor de kinderen draagt. Dat dat tot een lager inkomen heeft geleid, volgt echter niet uit de prognose over 2026 die hij heeft ingediend. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om bij de berekening van het NBI van de man uit te gaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de boekjaren 2024 en 2025, te weten € 147.309,- bruto per jaar.


Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB Winstvrijstelling en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (in verband met het co-ouderschap van partijen) berekent de rechtbank het NBI van de man op € 7.588,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan € 2.763,- per maand.



- draagkracht van de vrouw

Bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank, net als bij de bepaling van de behoefte, uit van een inkomen van € 2.004,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, zoals volgt uit de loonstroken van de vrouw van april en mei 2026.


Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie van € 48,- per maand.



Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.831,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 432,- per maand.



- gezamenlijke draagkracht

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (2.763 + 432 =) € 3.195,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken, waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.


Het eigen aandeel van de man bedraagt: 2.763 / 3.195 * 1.696 = € 1.467,-
Het eigen aandeel van de echtgenote bedraagt: 432 / 3.195 * 1.696 = € 229,-



Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.467,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 229,- per maand voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gelet op de co-ouderschapsregeling en de uitgangspunten van het Rapport Alimentatienormen, zal de rechtbank een zorgkorting van 35 % hanteren. De behoefte van de kinderen is € 1.696,- per maand, waardoor de zorgkorting (0,35 x 1.696 =) € 594,- per maand bedraagt.



Rekening houdend met een zorgkorting van € 594,- per maand, dient de man aan de vrouw een (voorlopige) kinderalimentatie van (1.467 – 594 =) € 873,- per maand te betalen, te weten € 436,- per maand per kind.




Ingangsdatum

De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv, de datum van deze beschikking, te weten 3 augustus 2026, als ingangsdatum te hanteren.




Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 3 augustus 2026, voorlopig een kinderalimentatie van € 873,- per maand, te weten € 436,- per maand per kind, zal betalen. Het meer ons anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.




Voorlopige partneralimentatie

Daarnaast verzoekt de vrouw een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. De man voert hiertegen verweer en stelt dat de vrouw haar volledige verdiencapaciteit moet benutten en daarmee in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank zal hieronder een berekening maken.




Behoefte

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatie vastgesteld op 60% van het NBGI ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.



In het kader van de kinderalimentatie heeft de rechtbank het NBGI van partijen berekend op € 9.452,- per maand. Hierop dienen de kosten van de kinderen van € 1.696,- per maand nog in mindering te worden gebracht, zodat een bedrag van (9.452 - 1.696 =) € 7.756,- per maand beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte bedraagt dan volgens de hofnorm € 4.654,- netto per maand (60% van € 7.756,- per maand) in 2026.




Aanvullende behoefte

Tussen partijen is in geschil of de vrouw een aanvullende behoefte heeft. De man beroept zich op de verdiencapaciteit van de vrouw. Volgens de man is de vrouw in staat meer te werken dan de 24 uur per week dat zij op dit moment werkt, omdat de kinderen overdag naar school gaan. De vrouw voert hiertegen verweer en stelt zich op het standpunt dat zij geen mogelijkheden heeft om bij haar huidige werkgever meer te werken.



De rechtbank overweegt als volgt. In het kader van de voorlopige voorzieningen procedure wordt zoveel als mogelijk aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met verdiencapaciteit aan de kant van de vrouw bij het berekenen van een voorlopige partneralimentatie, vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is.
De rechtbank zal vervolgens beoordelen in hoeverre de vrouw zelf in haar behoefte kan voorzien door het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in mindering te brengen op de hiervoor berekende netto behoefte van € 4.654,- per maand.



De rechtbank houdt bij de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw rekening met dezelfde uitgangspunten zoals hiervoor vermeld in het kader van de kinderalimentatie, minus het te ontvangen kindgebonden budget. Dit betekent dat de aanvullende behoefte van de vrouw (4.654 – 2.116 =) € 2.538,- netto per maand bedraagt. Gebruteerd is dat € 4.654,- per maand.




Draagkracht man

Ten aanzien van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de voorlopige kinderalimentatie en dus van een NBI van € 7.588,- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 3.947,- per maand. Hiervoor is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 2.368,- per maand.



Op dit bedrag wordt het hierboven berekende aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 1.467,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarmee een draagkracht van € 901,- netto per maand. Gebruteerd komt dit bedrag neer op een bedrag van € 1.443- per maand.




Ingangsdatum

De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv, de datum van deze beschikking, te weten 3 augustus 2026, als ingangsdatum te hanteren.




Conclusie

De vrouw heeft verzocht om een voorlopige partneralimentatie van € 1.391,- bruto per maand vast te stellen. De rechtbank constateert dat dit bedrag minder is dan waar zij in haar berekening op uitkomt. De rechtbank kan echter niet het meerdere toewijzen dan door de vrouw verzocht en zal daarom bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 3 augustus 2026, voorlopig een partneralimentatie van € 1.391,- bruto per maand zal betalen.




Beslissing
De rechtbank:


*
bepaalt dat de minderjarigen:


-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1];

-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2];
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;


*
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] te [plaats 2];




*

bepaalt een voorlopige zorgregeling, waarbij de kinderen in de even weken op maandag en donderdag bij de vrouw verblijven en op de overige dagen bij de man, en in de oneven weken op dinsdag en woensdag bij de man verblijven en op de overige dagen bij vrouw, waarbij de wisselmomenten op school plaatsvinden;

*

stelt vast dat partijen, te weten:




[de vrouw] (de vrouw),
wonende te [woonplaats],



en




[de man] (de man),
wonende te [woonplaats],



bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;



beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) dit vonnis te zenden naar: Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 – 2343 LA Oegstgeest;




*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 3 augustus 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 436,- per maand per kind, te weten € 873,- per maand in totaal, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 3 augustus 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 1.391,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;




*

wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 augustus 2026.