Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25259
2026-06-29
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/706611 / FA RK 26-5670
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Zorgmachtiging, volgens betrokkene niet voldaan aan stelplicht officier en sprake van ongelijke behandeling. Verzoek voor zes maanden toegewezen en resterende duur aangehouden omdat nog niet alle informatie met de advocaat is gedeeld.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2025:1883 Hoge Raad 12-12-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.705 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/706611 / FA RK 26-5670
Datum beschikking: 29 juni 2026
Aansluitende machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accommodatie] te [plaats] ,
advocaat: mr. C.J.M. Dreessen te Sittard.
ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 8 juni 2026, heeft de officier van justitie verzocht om een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twee jaar.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 15 mei 2026 ondertekende medische verklaring van O. Guddat, psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een zorgkaart van 18 mei 2026;
- een zorgplan van 13 mei 2026;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 8 juni 2026;
- een uittreksel uit de justitiële documentatie;
- een brief van de officier van justitie van 7 mei 2026, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn;
- een afschrift van de beschikking waarbij mentorschap is ingesteld;
- het verweerschrift met bijlagen van 26 juni 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door advocaat;
- psychiater, [naam 1] ;
- arts-assistent, [naam 2] ;
- co-assistent, [naam 3] ;
- begeleider [naam 4] .
Nadat betrokkene vragen van de rechtbank had beantwoord, stond betrokkene op en gaf te kennen terug te willen naar de afdeling. De rechtbank heeft hem verzocht te blijven maar dat wilde betrokkene niet. Desgevraagd heeft betrokkene voor het verlaten van de zaal verklaard ‘alles te hebben gezegd wat hij wilde zeggen’.
De mondelinge behandeling is vervolgens voortgezet zonder betrokkene. Voor het sluiten van de mondelinge behandeling heeft zijn advocaat verklaard dat het niet nodig was om betrokkene terug te roepen.
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.
Standpunten
Betrokkene stelt dat de officier van justitie primair niet ontvankelijk is, subsidiair dat het verzoek moet worden afgewezen en meer subsidiair dat het verzoek voor een kortere duur moet worden toegewezen waarbij de accommodatie de adviezen uit de second opinion integraal moet opvolgen
Betrokkene betwist de diagnose en betwist dat sprake is van ernstig nadeel. Daarnaast is de behandeling niet doelmatig en strijdig met het proportionaliteits- en het subsidiariteitsbeginsel. Betrokkene is langdurig verslaafd. Dat wordt als waansysteem geduid, maar niet duidelijk is welk nadeel daaruit voortkomt. Op dit moment voelt betrokkene zich machteloos, het ontbreekt hem aan perspectief, de onrust neemt toe en het draagvlak voor behandeling neemt af.
Betrokkene stelt dat op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de officier van justitie een gemotiveerde stelplicht heeft. De officier van justitie verwijst in het verzoek alleen naar de bijlagen, terwijl betrokkene gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Verder stelt betrokkene dat in zaken waar het CIZ om een rechtelijke machtiging verzoekt, het verzoekschrift wel wordt gemotiveerd en onderbouwd. Cliënten onder de Wet zorg en dwang (Wzd) behoren net zoals betrokkene tot een kwetsbare doelgroep. Het is daarom in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Grondwet dat beter gemotiveerde verzoeken worden ingediend onder de Wzd dan onder de Wvggz.
De psychiater licht toe dat betrokkene een persoon is met een psychiatrisch beeld met waansystemen. Betrokkene is soms een aantal dagen ongeoorloofd afwezig. Hij zoekt dan naar een imaginair meisje, onttrekt zich aan de zorg, neemt zijn medicatie niet in en gebruikt dan middelen. Betrokkene is afhankelijk van insuline en neemt bij ontregeling geen insuline. Na een ontregeling wordt hij steeds weer opgenomen met een meer verward toestandsbeeld. Betrokkene is nu therapieresistent. Als betrokkene langer afwezig is, is sprake van een forse verslechtering ten opzichte van de momenten dat hij goed is ingesteld op de medicatie. Betrokkene wil graag naar een andere accommodatie maar is bij andere accommodaties afgewezen vanwege zijn middelengebruik.
De verzochte vormen van verplichte zorg zijn nodig volgens de psychiater. Betrokkene probeert regelmatig middelen op de afdeling te krijgen, daarom is ook het beperken van bezoek noodzakelijk. Deze beperking geldt uiteraard alleen voor bezoek dat middelen voor betrokkene mee zou kunnen nemen. Soms probeert betrokkene de politie te bellen in verband met zijn waanideeën. Dan is het nodig om de telefoon af te kunnen nemen. In februari en maart 2026 is het ook nodig geweest om hem te separeren na fysieke agressie. Insluiten en het uitoefenen van toezicht is daarom ook noodzakelijk als vorm van verplichte zorg.
Beoordeling
Op 10 juli 2025 is door de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden tot en met 10 juli 2026.
Betrokkene heeft aangevoerd dat de officier van justitie onvoldoende heeft gesteld in het verzoekschrift en betrokkene gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Dit zou tot gevolg moeten hebben dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, dan wel het verzoek moet worden afgewezen.
In artikel 5:17 Wvggz is opgenomen waaraan de inhoud van het verzoekschrift moet voldoen en welke stukken moeten worden bijgevoegd. In aanvulling op hetgeen uit de Wvggz voortvloeit, zijn de regels inzake de verzoekprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De rechtbank is van oordeel dat het verzoekschrift voldoet aan de eisen die artikel 5:17 Wvggz stelt.
De Hoge Raad heeft verder op 12 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1883) geoordeeld dat de informatie waarop de rechter zijn beslissing om een machtiging te verlenen kan baseren, niet is beperkt tot het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken, en dat daartoe ook andere informatie kan behoren, waaronder de informatie die de rechter ter zitting heeft verkregen.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een schizofreniespectrumstoornis en een stoornis in middelengebruik. Die diagnose blijkt uit de medische verklaring en is tijdens de mondelinge behandeling bevestigd door de psychiater.
De stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
- de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Bij betrokkene is sprake van een chronisch psychotisch toestandsbeeld met paranoïde, achtervolgings- en beïnvloedingswanen en hallucinatoire belevingen. Betrokkene is langdurig verslaafd. Hij heeft de neiging de accommodatie te verlaten en dan een paar dagen weg te blijven. Door het gebrek aan medicatie verslechtert zijn toestand dan fors en ontregelt hij. Alhoewel betrokkene therapieresistent is, zou hij zonder medicatie nog meer ontregelen en ernstig lichamelijk letsel kunnen oplopen omdat hij tijdens de ontregeling geen insuline neemt.
Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen zodanig dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene betwist dat hij ziek is en dat hij intensieve zorg nodig heeft. Hij wil de voorgeschreven medicatie niet vrijwillig innemen. Om die reden is verplichte zorg nodig.
De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek met uitzondering van de ouders van betrokkene;
- opnemen in een accommodatie.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De verplichte zorg is bovendien evenredig en naar verwachting effectief. Hiertoe overweegt de rechtbank dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de advocaat van betrokkene niet op de hoogte was gesteld van de laatste ontwikkelingen met betrekking tot de uitvoering van de aanbevelingen uit de second opinion en de afspraken uit de vaststellings-overeenkomst. De psychiater heeft daarom tijdens de mondelinge behandeling toegelicht op welke wijze uitvoering aan de second opinion en de afspraken wordt gegeven en toegezegd de relevante stukken alsnog aan de advocaat te zullen toesturen.
Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
Betrokkene heeft tot slot gesteld dat hij geschonden is in zijn rechtsbelang van een eerlijk proces en gelijke behandeling. Betrokkene beroept zich expliciet op de bescherming van de artikelen 5, 6, 13 EVRM juncto artikel 1 Grondwet. Volgens betrokkene voldoet de wijze van procederen van de officier van justitie niet aan de eisen van het EVRM en valt niet in te zien waarom de officier van justitie zijn verzoekschrift niet opstelt op de manier zoals het CIZ dat doet.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene niet in zijn grondrechten wordt geschaad door de wijze van procederen van de officier van justitie. Het verzoek en verweer is uitgebreid besproken geweest op de mondelinge behandeling en de advocaat van betrokkene heeft voor het sluiten van de mondelinge behandeling verklaard alles naar voren te hebben gebracht wat zij voor ogen had. Evenmin wordt betrokkene achtergesteld bij cliënten in een Wzd-procedure. Het verschil in procedeerstijl tussen de officier van justitie en het CIZ maakt niet dat betrokkene wordt benadeeld of anderszins in zijn grondrechten wordt geschaad.
Gelet op vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat is voldaan aan de criteria voor - en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De rechtbank is wel van oordeel dat de verdere ontwikkelingen in het kader van de aanbevelingen uit de second opinion en de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst uiterlijk over zes maanden opnieuw ter zitting moeten worden besproken. De zorgmachtiging zal daarom voor een kortere duur worden toegewezen met aanhouding van een beslissing op de resterende duur van het verzoek.
Gelet op vorenstaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen voor een periode van zes maanden, tot en met 29 december 2026 en de resterende duur van het verzoek op een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 29 december 2026, verder behandelen.
Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,
inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek met uitzondering van de ouders van betrokkene;
- opnemen in een accommodatie;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 29 december 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 29 december 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, bijgestaan door D. van den Born als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juni 2026.
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/706611 / FA RK 26-5670
Datum beschikking: 29 juni 2026
Aansluitende machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accommodatie] te [plaats] ,
advocaat: mr. C.J.M. Dreessen te Sittard.
ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 8 juni 2026, heeft de officier van justitie verzocht om een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twee jaar.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 15 mei 2026 ondertekende medische verklaring van O. Guddat, psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een zorgkaart van 18 mei 2026;
- een zorgplan van 13 mei 2026;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 8 juni 2026;
- een uittreksel uit de justitiële documentatie;
- een brief van de officier van justitie van 7 mei 2026, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn;
- een afschrift van de beschikking waarbij mentorschap is ingesteld;
- het verweerschrift met bijlagen van 26 juni 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door advocaat;
- psychiater, [naam 1] ;
- arts-assistent, [naam 2] ;
- co-assistent, [naam 3] ;
- begeleider [naam 4] .
Nadat betrokkene vragen van de rechtbank had beantwoord, stond betrokkene op en gaf te kennen terug te willen naar de afdeling. De rechtbank heeft hem verzocht te blijven maar dat wilde betrokkene niet. Desgevraagd heeft betrokkene voor het verlaten van de zaal verklaard ‘alles te hebben gezegd wat hij wilde zeggen’.
De mondelinge behandeling is vervolgens voortgezet zonder betrokkene. Voor het sluiten van de mondelinge behandeling heeft zijn advocaat verklaard dat het niet nodig was om betrokkene terug te roepen.
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.
Standpunten
Betrokkene stelt dat de officier van justitie primair niet ontvankelijk is, subsidiair dat het verzoek moet worden afgewezen en meer subsidiair dat het verzoek voor een kortere duur moet worden toegewezen waarbij de accommodatie de adviezen uit de second opinion integraal moet opvolgen
Betrokkene betwist de diagnose en betwist dat sprake is van ernstig nadeel. Daarnaast is de behandeling niet doelmatig en strijdig met het proportionaliteits- en het subsidiariteitsbeginsel. Betrokkene is langdurig verslaafd. Dat wordt als waansysteem geduid, maar niet duidelijk is welk nadeel daaruit voortkomt. Op dit moment voelt betrokkene zich machteloos, het ontbreekt hem aan perspectief, de onrust neemt toe en het draagvlak voor behandeling neemt af.
Betrokkene stelt dat op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de officier van justitie een gemotiveerde stelplicht heeft. De officier van justitie verwijst in het verzoek alleen naar de bijlagen, terwijl betrokkene gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Verder stelt betrokkene dat in zaken waar het CIZ om een rechtelijke machtiging verzoekt, het verzoekschrift wel wordt gemotiveerd en onderbouwd. Cliënten onder de Wet zorg en dwang (Wzd) behoren net zoals betrokkene tot een kwetsbare doelgroep. Het is daarom in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Grondwet dat beter gemotiveerde verzoeken worden ingediend onder de Wzd dan onder de Wvggz.
De psychiater licht toe dat betrokkene een persoon is met een psychiatrisch beeld met waansystemen. Betrokkene is soms een aantal dagen ongeoorloofd afwezig. Hij zoekt dan naar een imaginair meisje, onttrekt zich aan de zorg, neemt zijn medicatie niet in en gebruikt dan middelen. Betrokkene is afhankelijk van insuline en neemt bij ontregeling geen insuline. Na een ontregeling wordt hij steeds weer opgenomen met een meer verward toestandsbeeld. Betrokkene is nu therapieresistent. Als betrokkene langer afwezig is, is sprake van een forse verslechtering ten opzichte van de momenten dat hij goed is ingesteld op de medicatie. Betrokkene wil graag naar een andere accommodatie maar is bij andere accommodaties afgewezen vanwege zijn middelengebruik.
De verzochte vormen van verplichte zorg zijn nodig volgens de psychiater. Betrokkene probeert regelmatig middelen op de afdeling te krijgen, daarom is ook het beperken van bezoek noodzakelijk. Deze beperking geldt uiteraard alleen voor bezoek dat middelen voor betrokkene mee zou kunnen nemen. Soms probeert betrokkene de politie te bellen in verband met zijn waanideeën. Dan is het nodig om de telefoon af te kunnen nemen. In februari en maart 2026 is het ook nodig geweest om hem te separeren na fysieke agressie. Insluiten en het uitoefenen van toezicht is daarom ook noodzakelijk als vorm van verplichte zorg.
Beoordeling
Op 10 juli 2025 is door de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden tot en met 10 juli 2026.
Betrokkene heeft aangevoerd dat de officier van justitie onvoldoende heeft gesteld in het verzoekschrift en betrokkene gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Dit zou tot gevolg moeten hebben dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, dan wel het verzoek moet worden afgewezen.
In artikel 5:17 Wvggz is opgenomen waaraan de inhoud van het verzoekschrift moet voldoen en welke stukken moeten worden bijgevoegd. In aanvulling op hetgeen uit de Wvggz voortvloeit, zijn de regels inzake de verzoekprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De rechtbank is van oordeel dat het verzoekschrift voldoet aan de eisen die artikel 5:17 Wvggz stelt.
De Hoge Raad heeft verder op 12 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1883) geoordeeld dat de informatie waarop de rechter zijn beslissing om een machtiging te verlenen kan baseren, niet is beperkt tot het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken, en dat daartoe ook andere informatie kan behoren, waaronder de informatie die de rechter ter zitting heeft verkregen.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een schizofreniespectrumstoornis en een stoornis in middelengebruik. Die diagnose blijkt uit de medische verklaring en is tijdens de mondelinge behandeling bevestigd door de psychiater.
De stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
- de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Bij betrokkene is sprake van een chronisch psychotisch toestandsbeeld met paranoïde, achtervolgings- en beïnvloedingswanen en hallucinatoire belevingen. Betrokkene is langdurig verslaafd. Hij heeft de neiging de accommodatie te verlaten en dan een paar dagen weg te blijven. Door het gebrek aan medicatie verslechtert zijn toestand dan fors en ontregelt hij. Alhoewel betrokkene therapieresistent is, zou hij zonder medicatie nog meer ontregelen en ernstig lichamelijk letsel kunnen oplopen omdat hij tijdens de ontregeling geen insuline neemt.
Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen zodanig dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene betwist dat hij ziek is en dat hij intensieve zorg nodig heeft. Hij wil de voorgeschreven medicatie niet vrijwillig innemen. Om die reden is verplichte zorg nodig.
De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek met uitzondering van de ouders van betrokkene;
- opnemen in een accommodatie.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De verplichte zorg is bovendien evenredig en naar verwachting effectief. Hiertoe overweegt de rechtbank dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de advocaat van betrokkene niet op de hoogte was gesteld van de laatste ontwikkelingen met betrekking tot de uitvoering van de aanbevelingen uit de second opinion en de afspraken uit de vaststellings-overeenkomst. De psychiater heeft daarom tijdens de mondelinge behandeling toegelicht op welke wijze uitvoering aan de second opinion en de afspraken wordt gegeven en toegezegd de relevante stukken alsnog aan de advocaat te zullen toesturen.
Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
Betrokkene heeft tot slot gesteld dat hij geschonden is in zijn rechtsbelang van een eerlijk proces en gelijke behandeling. Betrokkene beroept zich expliciet op de bescherming van de artikelen 5, 6, 13 EVRM juncto artikel 1 Grondwet. Volgens betrokkene voldoet de wijze van procederen van de officier van justitie niet aan de eisen van het EVRM en valt niet in te zien waarom de officier van justitie zijn verzoekschrift niet opstelt op de manier zoals het CIZ dat doet.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene niet in zijn grondrechten wordt geschaad door de wijze van procederen van de officier van justitie. Het verzoek en verweer is uitgebreid besproken geweest op de mondelinge behandeling en de advocaat van betrokkene heeft voor het sluiten van de mondelinge behandeling verklaard alles naar voren te hebben gebracht wat zij voor ogen had. Evenmin wordt betrokkene achtergesteld bij cliënten in een Wzd-procedure. Het verschil in procedeerstijl tussen de officier van justitie en het CIZ maakt niet dat betrokkene wordt benadeeld of anderszins in zijn grondrechten wordt geschaad.
Gelet op vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat is voldaan aan de criteria voor - en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De rechtbank is wel van oordeel dat de verdere ontwikkelingen in het kader van de aanbevelingen uit de second opinion en de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst uiterlijk over zes maanden opnieuw ter zitting moeten worden besproken. De zorgmachtiging zal daarom voor een kortere duur worden toegewezen met aanhouding van een beslissing op de resterende duur van het verzoek.
Gelet op vorenstaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen voor een periode van zes maanden, tot en met 29 december 2026 en de resterende duur van het verzoek op een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 29 december 2026, verder behandelen.
Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,
inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
- toedienen van medicatie;
- verrichten medische controles;
- andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek met uitzondering van de ouders van betrokkene;
- opnemen in een accommodatie;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 29 december 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 29 december 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, bijgestaan door D. van den Born als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juni 2026.