Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25244
2026-08-25
Bestuursrecht
SGR 25/4729
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om een verkeersbesluit te nemen tot het instellen van een inrijverbod voor vrachtverkeer.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:943 Raad van State 06-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.555 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4729
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B. de Jong),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. F. van Ommeren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft verweerder verzocht om een verkeersbesluit te nemen tot het instellen
van een inrijverbod voor vrachtverkeer zwaarder dan 3,5 ton op de Loosduinse Hoofdstraat ter hoogte van huisnummers 1184-1186, richting Stadsboerderij Pluk. Dit verzoek is ingegeven door zorgen over verkeersveiligheid, schade aan eigendommen (door bijvoorbeeld trillingen) en de beperkte toegankelijkheid voor voetgangers en omwonenden als gevolg van het zware vrachtverkeer. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.
Wat zijn de regels?
3. Op grond van artikel 18 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) wordt in het verkeersbesluit de aard en de omvang van de maatregelen aangegeven. Op grond van artikel 21 van het BABW en artikel 2, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval de doelstellingen die met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2 eerste en tweede lid van de WVW genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert – samengevat – aan dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van eiser en andere omwonenden bij verkeersveiligheid, leefbaarheid en bescherming van hun eigendommen. Deze belangen worden volgens eiser expliciet beschermd door de WVW. De huidige verkeerssituatie leidt tot gevaarlijke situaties, ernstige hinder en mogelijke materiële schade door trillingen en aantasting van het woonklimaat in de straat. Het college heeft deze belangen ondergeschikt gemaakt aan andere overwegingen zonder deugdelijk te motiveren waarom. Kennelijk heeft verweerder het belang van een onbelemmerde doorgang voor vrachtverkeer laten prevaleren. Nu het besluit op bezwaar niet laat zien óf en hoe een belangenafweging heeft plaatsgevonden, is de afweging onvolledig en onevenwichtig.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW. Verweerder moet dit naar behoren motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop verweerder van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of verweerder redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat verweerder heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet hij de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het - niet nemen van een - verkeersbesluit. Bij die afweging heeft verweerder beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Beoordelingsruimte
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat de bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste lid en tweede lid, onder a, van de WVW is gediend met de afwijzing van het door eiser gewenste inrijverbod. Wat eiser aanvoert leidt niet tot het oordeel dat verweerder zijn beoordelingsruimte redelijkerwijs niet op die manier heeft kunnen invullen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
6.1.
Niet is komen vast te staan dat het inrijverbod nodig is om de verkeersveiligheid te waarborgen. Verweerder heeft onderzoek laten uitvoeren naar de verkeersveiligheid ter plaatse en daaruit is naar voren gekomen dat de huidige verkeerssituatie voldoet aan de normen van het CROW Handboek Wegontwerp. Er zijn ook geen ongevallen bekend. Verder heeft verweerder voldoende onderbouwd dat het noodzakelijk is dat vrachtverkeer de straat kan inrijden. Alleen op die manier kan de kinderboerderij door leveranciers worden bereikt en bevoorraad. Het instellen van een inrijverbod zou dan ook het belang van vrij verkeer schaden, aangezien het, zoals verweerder ter zitting heeft aangevoerd, de leveranciers zou beperken in hun bedrijfsvoering. Dit geldt ook voor een eventueel gedeeltelijk inrijverbod voor vrachtverkeer. Verweerder heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen alternatieve route beschikbaar is. Om een alternatieve route mogelijk te maken zou een nieuwe toegangsweg aangelegd moeten worden en daarvoor zouden meerdere bomen gekapt moeten worden. Verweerder acht dit een onwenselijk gevolg voor het milieu. Ook kan een inrijverbod tot gevolg hebben dat er juist meer verkeersbewegingen zullen ontstaan door kleiner vrachtverkeer. Dit zorgt voor meer uitstoot, wat eveneens onwenselijk is. Ter zitting heeft verweerder bovendien onweersproken gesteld dat er binnen de gemeente geen andere wegen zijn waar een dergelijk inrijverbod geldt.
Belangenafweging
7. In het kader van de belangenafweging is het vervolgens de vraag of de nadelige gevolgen voor eiser van het afwijzen van het door hem gewenste een inrijverbod onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen verkeersbelangen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder in redelijkheid de verkeersbelangen die zijn gediend bij het in stand laten van de huidige verkeerssituatie zwaarder laten wegen dan de door eiser genoemde belangen. Verweerder heeft er tijdens de zitting op gewezen dat alleen bestemmingsverkeer in de straat is toegestaan, waardoor het (vracht)verkeer al wordt beperkt. Het is een erftoegangsweg, met als kenmerk dat er een menging van verkeer is. Het is aan de verschillende weggebruikers, waaronder voetgangers, die gebruik maken van deze erftoegangsweg om zich daarvan bewust te zijn en goed op te letten. Daarbij komt dat verweerder een aantal maatregelen heeft genomen om aan eiser tegemoet te komen, zoals het ophogen en herstellen van het (deels verzakte) wegdek, het snoeien van heggen om de zichtbaarheid te verbeteren, het plaatsen van een verkeerspaal en het plaatsen van rubberen materiaal om trillingen te voorkomen. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat eiser (en anderen) hinder ondervinden van het vrachtverkeer. De rechtbank vindt het besluit dan ook niet onevenredig.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder geen inrijverbod hoeft in te stellen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.D. Ruis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:943.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4729
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B. de Jong),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. F. van Ommeren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft verweerder verzocht om een verkeersbesluit te nemen tot het instellen
van een inrijverbod voor vrachtverkeer zwaarder dan 3,5 ton op de Loosduinse Hoofdstraat ter hoogte van huisnummers 1184-1186, richting Stadsboerderij Pluk. Dit verzoek is ingegeven door zorgen over verkeersveiligheid, schade aan eigendommen (door bijvoorbeeld trillingen) en de beperkte toegankelijkheid voor voetgangers en omwonenden als gevolg van het zware vrachtverkeer. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.
Wat zijn de regels?
3. Op grond van artikel 18 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) wordt in het verkeersbesluit de aard en de omvang van de maatregelen aangegeven. Op grond van artikel 21 van het BABW en artikel 2, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval de doelstellingen die met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2 eerste en tweede lid van de WVW genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert – samengevat – aan dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van eiser en andere omwonenden bij verkeersveiligheid, leefbaarheid en bescherming van hun eigendommen. Deze belangen worden volgens eiser expliciet beschermd door de WVW. De huidige verkeerssituatie leidt tot gevaarlijke situaties, ernstige hinder en mogelijke materiële schade door trillingen en aantasting van het woonklimaat in de straat. Het college heeft deze belangen ondergeschikt gemaakt aan andere overwegingen zonder deugdelijk te motiveren waarom. Kennelijk heeft verweerder het belang van een onbelemmerde doorgang voor vrachtverkeer laten prevaleren. Nu het besluit op bezwaar niet laat zien óf en hoe een belangenafweging heeft plaatsgevonden, is de afweging onvolledig en onevenwichtig.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW. Verweerder moet dit naar behoren motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop verweerder van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of verweerder redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat verweerder heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet hij de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het - niet nemen van een - verkeersbesluit. Bij die afweging heeft verweerder beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Beoordelingsruimte
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat de bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste lid en tweede lid, onder a, van de WVW is gediend met de afwijzing van het door eiser gewenste inrijverbod. Wat eiser aanvoert leidt niet tot het oordeel dat verweerder zijn beoordelingsruimte redelijkerwijs niet op die manier heeft kunnen invullen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
6.1.
Niet is komen vast te staan dat het inrijverbod nodig is om de verkeersveiligheid te waarborgen. Verweerder heeft onderzoek laten uitvoeren naar de verkeersveiligheid ter plaatse en daaruit is naar voren gekomen dat de huidige verkeerssituatie voldoet aan de normen van het CROW Handboek Wegontwerp. Er zijn ook geen ongevallen bekend. Verder heeft verweerder voldoende onderbouwd dat het noodzakelijk is dat vrachtverkeer de straat kan inrijden. Alleen op die manier kan de kinderboerderij door leveranciers worden bereikt en bevoorraad. Het instellen van een inrijverbod zou dan ook het belang van vrij verkeer schaden, aangezien het, zoals verweerder ter zitting heeft aangevoerd, de leveranciers zou beperken in hun bedrijfsvoering. Dit geldt ook voor een eventueel gedeeltelijk inrijverbod voor vrachtverkeer. Verweerder heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen alternatieve route beschikbaar is. Om een alternatieve route mogelijk te maken zou een nieuwe toegangsweg aangelegd moeten worden en daarvoor zouden meerdere bomen gekapt moeten worden. Verweerder acht dit een onwenselijk gevolg voor het milieu. Ook kan een inrijverbod tot gevolg hebben dat er juist meer verkeersbewegingen zullen ontstaan door kleiner vrachtverkeer. Dit zorgt voor meer uitstoot, wat eveneens onwenselijk is. Ter zitting heeft verweerder bovendien onweersproken gesteld dat er binnen de gemeente geen andere wegen zijn waar een dergelijk inrijverbod geldt.
Belangenafweging
7. In het kader van de belangenafweging is het vervolgens de vraag of de nadelige gevolgen voor eiser van het afwijzen van het door hem gewenste een inrijverbod onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen verkeersbelangen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder in redelijkheid de verkeersbelangen die zijn gediend bij het in stand laten van de huidige verkeerssituatie zwaarder laten wegen dan de door eiser genoemde belangen. Verweerder heeft er tijdens de zitting op gewezen dat alleen bestemmingsverkeer in de straat is toegestaan, waardoor het (vracht)verkeer al wordt beperkt. Het is een erftoegangsweg, met als kenmerk dat er een menging van verkeer is. Het is aan de verschillende weggebruikers, waaronder voetgangers, die gebruik maken van deze erftoegangsweg om zich daarvan bewust te zijn en goed op te letten. Daarbij komt dat verweerder een aantal maatregelen heeft genomen om aan eiser tegemoet te komen, zoals het ophogen en herstellen van het (deels verzakte) wegdek, het snoeien van heggen om de zichtbaarheid te verbeteren, het plaatsen van een verkeerspaal en het plaatsen van rubberen materiaal om trillingen te voorkomen. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat eiser (en anderen) hinder ondervinden van het vrachtverkeer. De rechtbank vindt het besluit dan ook niet onevenredig.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder geen inrijverbod hoeft in te stellen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.D. Ruis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:943.