Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25200
2026-07-29
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.38481
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 59 (AMP) / vervolgberoep / Poolse Unieburger / ondanks lopen asielaanvraag geen rechtmatig verblijf / juiste juridische grondslag / ongegrond
Citeert (4)
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
- ECLI:EU:C:2026:243
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.981 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38481
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).
Procesverloop
1. Met het besluit van 25 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij uitspraak van 9 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
Verweerder heeft op 10 juli 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.4.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 14 juli 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 juli 2026 (in de zaak NL26.35374) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
5. De gemachtigde van eiser geeft aan dat eiser op 25 juni 2026 in bewaring is gesteld. Vervolgens heeft eiser op 29 juni 2026 een asielaanvraag gedaan, welke bij beschikking van 6 juli 2026 niet in behandeling is genomen. Verweerder heeft echter de maatregel nooit omgezet. Dit maakt dat eiser vanaf 1 juli 2026 op de verkeerde grondslag in bewaring heeft gezeten. Dat maakt de maatregel onrechtmatig vanaf 1 juli 2026.
6. De rechtbank overweegt het volgende
7. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat, anders dan voorheen, een EU-burger die asiel aanvraagt een bewaringsmaatregel dient te worden opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, in plaats van artikel 59b, eerste lid, van de Vw, en dat dit een gevolg is van het Asiel- en migratiepact dat op 12 juni 2026 in werking is getreden.7.1. Uit artikel 2, eerste lid, van de Procedureverordening zou kunnen volgen dat een asielverzoek door een EU-burger ook onder de reikwijdte van de Procedureverordening kan vallen. In artikel 3, onder 12, van de Procedureverordening wordt gedefinieerd wat onder“verzoek om internationale bescherming” of “verzoek” wordt verstaan, namelijk: een verzoek om bescherming van een lidstaat door een onderdaan van een derde land of een staatloze die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst.
Gezien deze definitie en nu eiser, als onderdaan van EU-lidstaat Polen, geen onderdaan van een derde land noch een staatloze is, concludeert de rechtbank dat eisers asielaanvraag niet onder de Procedureverordening valt en eiser aan die verordening ook geen rechten kan ontlenen.
7.2.
Kijkend naar de nationale wetgeving volgt uit artikel 1 van de Vw dat onder “aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel” het volgende wordt verstaan: een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van de Procedureverordening dan wel een aanvraag om verblijf als gezinslid van een vreemdeling die internationale bescherming geniet, als bedoeld in de artikelen 29b, 29c en 29d.Eisers asielaanvraag is dan ook geen aanvraag zoals bedoeld in artikel 1 van de Vw.
7.3.
Als de rechtbank dan kijkt naar wat is opgenomen in artikel 59b, eerste lid, van de Vw dan volgt uit dit artikel dat verweerder een vreemdeling alleen in bewaring kan stellen op grond van dit artikel als de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw - dit is een verblijfsvergunning asiel - en als aan een van de daarna in dit artikellid benoemde voorwaarden is voldaan. Een vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf als voldaan is artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw.
7.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers asielaanvraag geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is als bedoeld in de Vw en dat eiser daarmee niet op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Ook op grond van de Procedureverordening heeft eiser geen verblijfsrecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht gesteld dat inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet meer mogelijk is en is terecht de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing, waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Zie het arrest het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243, r.o. 24 en 31
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38481
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).
Procesverloop
1. Met het besluit van 25 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij uitspraak van 9 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
Verweerder heeft op 10 juli 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.4.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 14 juli 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 juli 2026 (in de zaak NL26.35374) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
5. De gemachtigde van eiser geeft aan dat eiser op 25 juni 2026 in bewaring is gesteld. Vervolgens heeft eiser op 29 juni 2026 een asielaanvraag gedaan, welke bij beschikking van 6 juli 2026 niet in behandeling is genomen. Verweerder heeft echter de maatregel nooit omgezet. Dit maakt dat eiser vanaf 1 juli 2026 op de verkeerde grondslag in bewaring heeft gezeten. Dat maakt de maatregel onrechtmatig vanaf 1 juli 2026.
6. De rechtbank overweegt het volgende
7. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat, anders dan voorheen, een EU-burger die asiel aanvraagt een bewaringsmaatregel dient te worden opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, in plaats van artikel 59b, eerste lid, van de Vw, en dat dit een gevolg is van het Asiel- en migratiepact dat op 12 juni 2026 in werking is getreden.7.1. Uit artikel 2, eerste lid, van de Procedureverordening zou kunnen volgen dat een asielverzoek door een EU-burger ook onder de reikwijdte van de Procedureverordening kan vallen. In artikel 3, onder 12, van de Procedureverordening wordt gedefinieerd wat onder“verzoek om internationale bescherming” of “verzoek” wordt verstaan, namelijk: een verzoek om bescherming van een lidstaat door een onderdaan van een derde land of een staatloze die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst.
Gezien deze definitie en nu eiser, als onderdaan van EU-lidstaat Polen, geen onderdaan van een derde land noch een staatloze is, concludeert de rechtbank dat eisers asielaanvraag niet onder de Procedureverordening valt en eiser aan die verordening ook geen rechten kan ontlenen.
7.2.
Kijkend naar de nationale wetgeving volgt uit artikel 1 van de Vw dat onder “aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel” het volgende wordt verstaan: een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van de Procedureverordening dan wel een aanvraag om verblijf als gezinslid van een vreemdeling die internationale bescherming geniet, als bedoeld in de artikelen 29b, 29c en 29d.Eisers asielaanvraag is dan ook geen aanvraag zoals bedoeld in artikel 1 van de Vw.
7.3.
Als de rechtbank dan kijkt naar wat is opgenomen in artikel 59b, eerste lid, van de Vw dan volgt uit dit artikel dat verweerder een vreemdeling alleen in bewaring kan stellen op grond van dit artikel als de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw - dit is een verblijfsvergunning asiel - en als aan een van de daarna in dit artikellid benoemde voorwaarden is voldaan. Een vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf als voldaan is artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw.
7.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers asielaanvraag geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is als bedoeld in de Vw en dat eiser daarmee niet op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Ook op grond van de Procedureverordening heeft eiser geen verblijfsrecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht gesteld dat inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet meer mogelijk is en is terecht de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing, waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Zie het arrest het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243, r.o. 24 en 31