Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25134

2026-08-28 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12354013
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-09-01
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12354013
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gezamenlijk verzoek tot goedkeuring afwijkend beding als bedoeld in artikel 7:291 BW. Partijen zijn wel ontvankelijk in hun verzoek omdat de door hen getekende "Vaststellingsovereenkomst" kwalificeert als een voortzetting van de huurovereenkomst en niet als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900, ondanks de titel die partijen aan de overeenkomst hebben gegeven. Het verzoek wordt toegewezen omdat de maatschappelijke positie van huurder zodanis is dat het geen bescherming behoefd. als bedoeld in artikel 7:291 lid 3 BW.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.604 tekens)
Rechtbank den haag


Team Kanton Den Haag



AR/a
Rep.nr.: 12354013 RP VERZ 26-50945
28 augustus 2026




Beschikking op het verzoek ex artikel 7:291 lid 2 juncto artikel 7:291 lid 3 BW van:






1de stichtingSTICHTING STAEDION,gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

gemachtigde: mr. P.A.A. du Perron,hierna: Staedion,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SPAR HOLDING B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Waalwijk,
gemachtigde: mr. P.A.A. du Perron,hierna: Spar.





1Procedure


Op 13 augustus 2026 is een gezamenlijk verzoekschrift binnengekomen van Staedion en Spar, waarin wordt verzocht om goedkeuring van afwijkende bedingen als bedoeld in artikel 7:291, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in een overeenkomst tussen Staedion en Spar. Staedion en Spar betogen overigens dat zij niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard in hun verzoek.





2Beoordeling



ontvankelijkheid




2.1
Op 21 februari 2017 hebben Staedion en Spar een huurovereenkomst voor 290-bedrijfsruimte met elkaar gesloten voor een periode van vijf jaar, ingaande op 22 februari 2022. Op 17 februari 2021 heeft Staedion die huurovereenkomst opgezegd. Spar heeft niet met die opzegging ingestemd.


2.2
In februari 2026 hebben Staedion en Spar een overeenkomst met de titel “Vaststellingsovereenkomst” gesloten, waarbij in de aanhef – voor zover van belang – het volgende staat opgenomen:


“NEMEN IN AANMERKING DAT:
(…)
- partijen hierover met elkaar in overleg zijn getreden en afspraken hebben gemaakt omtrent de tijdelijke voortzetting van de huurovereenkomst tegen aangepaste (huur)condities.”




2.3
Verder houdt de overeenkomst onder andere het volgende in:


“1.1) Partijen zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst met ingang van 22 februari 2022 zal worden voortgezet voor een termijn van 3 (drie) jaar (…).”



en



“2.1) Partijen zijn met ingang van 22 februari 2022 een nieuwe huurprijs overeengekomen van € 80.000,- exclusief btw op jaarbasis (…).”



en



“3.1) Tenzij daarvan in deze overeenkomst wordt afgeweken, blijft het bepaalde in de huurovereenkomst onverminderd van kracht.




2.4
Volgens artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in samenhang met artikel 7:902 BW, is een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk gebied in beginsel ook geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht. Op grond van deze bepalingen hebben verzoekers betoogd dat de overeenkomst tussen hen een vaststellingsovereenkomst is, die bedoeld is om een einde te maken aan het geschil tussen hen dat is ontstaan toen Spar niet met de opzegging van de huurovereenkomst door Staedion wilde instemmen. Volgens verzoekers zijn de in die vaststellingsovereenkomst opgenomen afspraken dus geldig, ook als die afwijken van (semi)dwingend recht. Daarom zou de kantonrechter hen niet-ontvankelijk moeten verklaren in hun verzoek tot goedkeuring.


2.5
De kantonrechter is van oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst. Artikel 7:900 BW bepaalt dat bij een vaststellingsovereenkomst partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan verbinden. In het geval van partijen kon er redelijkerwijs geen onzekerheid of geschil bestaan over wat tussen hen rechtens gold toen Spar niet met de opzegging van de huurovereenkomst wilde instemmen. Artikel 7:295 BW bepaalt voor een dergelijk geval dat de huurovereenkomst na de dag waartegen rechtsgeldig is opgezegd, van rechtswege van kracht blijft tot de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verhuurder tot vaststelling van het tijdstip waarop de overeenkomst zal eindigen. Rechtens gold dus nog steeds de oorspronkelijke huurovereenkomst.


2.6

Gelet op de hiervoor aangehaalde passages uit de nieuwe overeenkomst tussen partijen heeft deze bovendien materieel het karakter van een voortzetting van de huurovereenkomst. Dit weegt zwaarder dan het feit dat de titel van de overeenkomst “Vaststellingsovereenkomst” is en dat partijen – gelet op het voorgaande: ten onrechte – hebben opgenomen dat het een vaststellingsovereenkomst ex artikel 7:900 BW betreft. Verzoekers zijn dus ontvankelijk in hun verzoek.

inhoudelijk




2.7
Verzoekers vragen om goedkeuring van de in het verzoekschrift vermelde afwijkende bedingen als bedoeld in artikel 7:291 lid 3 BW. Volgens dit artikellid kan de rechter de goedkeuring alleen geven als de bedingen de rechten die de huurder aan afdeling 6 van titel 4 van boek 7 BW kan ontlenen, niet wezenlijk aantast, of als de maatschappelijke positie van de huurder in vergelijking met die van de verhuurder zodanig is dat hij de bescherming van de onderhavige afdeling in redelijkheid niet behoeft.


2.8
In het verzoekschrift hebben partijen voldoende toegelicht dat de maatschappelijke positie van Spar als huurder in vergelijking met die van Staedion als verhuurder zodanig is, dat Spar de bescherming zoals bedoeld in afdeling 6 van titel 4 van boek 7 van het BW niet behoeft, omdat zij een grootschalige, internationaal opererende, professionele en deskundige organisatie is, die voldoende op de hoogte is van haar rechten ter zake.



2.9
Het verzoek zal, gelet op het voorgaande, worden toegewezen.



Beslissing




De kantonrechter:
- verleent goedkeuring aan de van de wettelijke voorschriften afwijkende bedingen, neergelegd in artikelen 1.1, 1.2 en 1.4 van de in februari 2026 tussen partijen gesloten huurovereenkomst, getiteld “Vaststellingsovereenkomst”, met betrekking tot de bedrijfsruimte, gelegen aan de [adres] te [plaats].



De beschikking is gegeven door mr. N.B. Verkleij, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.