Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:25131
2026-08-28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.52180
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel - bestreden besluit ingetrokken - geen procesbelang - beroep niet-ontvankelijk
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2023:4461 Raad van State 04-12-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.209 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52180
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F.H. van Zande).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 15 december 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Toma als tolk en de gemachtigde van verweerder.
1.2.
De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst. Verweerder had namelijk verzocht om de behandeling van de zaak voor acht weken aan te houden naar aanleiding van de zich snel opvolgende ontwikkelingen in het Midden-Oosten, waaronder in Libanon. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven een aanhouding ook wenselijk te vinden.
1.3.
Op 24 juni 2026 heeft verweerder de rechtbank ervan op de hoogte gesteld dat het bestreden besluit is ingetrokken en dat er opnieuw zal worden beslist op de asielaanvraag van eiser. Van de kant van eiser is, na verschillende rappels, geen reactie op de intrekking gekomen.
1.4.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en doet nu uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Libanese nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij heeft deelgenomen demonstraties tegen Hezbollah en daarom problemen heeft met Hezbollah. Eiser heeft daarom in december 2022 Libanon verlaten.
3. Verweerder heeft drie asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Zijn identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. Ook wordt geloofd dat eiser een politieke mening heeft en dat hij heeft meegedaan aan demonstraties in 2019. Eisers problemen vanwege zijn politieke activiteiten worden niet geloofd. Op basis van de geloofwaardig bevonden asielmotieven is eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Tot slot is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij heeft aangevoerd dat verweerder zijn problemen vanwege zijn politieke activiteiten geloofwaardig moest vinden. Volgens eiser loopt hij gevaar omdat hij behoort tot een identificeerbare groep opposanten van Hezbollah.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet langer procesbelang heeft bij het namens hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit en zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Op 24 juni 2026 heeft verweerder namelijk medegedeeld dat het bestreden besluit is ingetrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser via het digitale dossier en telefonisch verzocht om te reageren op de intrekking van het bestreden besluit. Ondanks verschillende rappels heeft de rechtbank geen reactie op dat verzoek ontvangen. Namens eiser is dus niet gesteld dat hij, ondanks de intrekking, nog procesbelang heeft bij de behandeling van dit beroep.
6. Het bestreden besluit is ingetrokken vanwege het besluit- en vertrekmoratorium voor Libanon dat sinds 1 juni 2026 geldt. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat de intrekking van een besluit in dat geval geen reden vormt om verweerder in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank zal verweerder daarom niet in de proceskosten veroordelen.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 (oud).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4461).
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52180
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F.H. van Zande).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 15 december 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Toma als tolk en de gemachtigde van verweerder.
1.2.
De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst. Verweerder had namelijk verzocht om de behandeling van de zaak voor acht weken aan te houden naar aanleiding van de zich snel opvolgende ontwikkelingen in het Midden-Oosten, waaronder in Libanon. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven een aanhouding ook wenselijk te vinden.
1.3.
Op 24 juni 2026 heeft verweerder de rechtbank ervan op de hoogte gesteld dat het bestreden besluit is ingetrokken en dat er opnieuw zal worden beslist op de asielaanvraag van eiser. Van de kant van eiser is, na verschillende rappels, geen reactie op de intrekking gekomen.
1.4.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en doet nu uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Libanese nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij heeft deelgenomen demonstraties tegen Hezbollah en daarom problemen heeft met Hezbollah. Eiser heeft daarom in december 2022 Libanon verlaten.
3. Verweerder heeft drie asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Zijn identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. Ook wordt geloofd dat eiser een politieke mening heeft en dat hij heeft meegedaan aan demonstraties in 2019. Eisers problemen vanwege zijn politieke activiteiten worden niet geloofd. Op basis van de geloofwaardig bevonden asielmotieven is eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Tot slot is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij heeft aangevoerd dat verweerder zijn problemen vanwege zijn politieke activiteiten geloofwaardig moest vinden. Volgens eiser loopt hij gevaar omdat hij behoort tot een identificeerbare groep opposanten van Hezbollah.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet langer procesbelang heeft bij het namens hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit en zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Op 24 juni 2026 heeft verweerder namelijk medegedeeld dat het bestreden besluit is ingetrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser via het digitale dossier en telefonisch verzocht om te reageren op de intrekking van het bestreden besluit. Ondanks verschillende rappels heeft de rechtbank geen reactie op dat verzoek ontvangen. Namens eiser is dus niet gesteld dat hij, ondanks de intrekking, nog procesbelang heeft bij de behandeling van dit beroep.
6. Het bestreden besluit is ingetrokken vanwege het besluit- en vertrekmoratorium voor Libanon dat sinds 1 juni 2026 geldt. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat de intrekking van een besluit in dat geval geen reden vormt om verweerder in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank zal verweerder daarom niet in de proceskosten veroordelen.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 (oud).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4461).