Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24999
2026-08-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.47970
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - ongegrond
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.927 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47970
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).
Procesverloop
1. Bij bestreden besluit van 19 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 21 augustus 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 26 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 27 augustus 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat het volgende aan. Verweerder heeft op 16 augustus 2026 de asielaanvraag van eiser afgewezen. Dat betekent dat de vrijheidsontnemende maatregel van 19 augustus 2026 prematuur is genomen. Voor zover de grondslag van de bewaring terecht is gewijzigd, voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door niet uiterlijk op de tweede dag na de asielbeschikking de grondslag te wijzigen. Verder wordt in het terugkeerbesluit ten onrechte geen land genoemd waar eiser naar terug moet keren. Daarnaast werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiser niet zou willen terugkeren naar Turkije. Uit het gehoor voorafgaande aan oplegging van de maatregel van 19 augustus 2026 blijkt juist dat eiser terug wil om zo snel mogelijk herenigd te worden met zijn vrouw en dochters. Eiser heeft financiële mogelijkheden om een vliegticket te kopen en zou een dag later, op 20 augustus 2026 in gesprek gaan met het IOM. Daarbij heeft eiser een geldig paspoort. In het licht hiervan had verweerder kunnen en moeten volstaan met een lichter middel.
5. Naar het oordeel van de rechtbank berust de vrijheidsontnemende maatregel op de juiste grondslag en overweegt daartoe als volgt.
5.1.
De asielaanvraag van eiser is in de versnelde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b Vw in samenhang met artikel 42, eerste lid, onder c, d, e, h en j van de Procedureverordening. Uit artikel 68, derde lid, onder a, van de Procedureverordening volgt dat als een asielaanvraag in de versnelde procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen, er geen sprake is van een recht om op het grondgebied te blijven als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening. Volgens de nationale wetgeving houdt dit in dat eiser niet onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw valt. Dat houdt in dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had nadat op 16 augustus 2026 op zijn asielaanvraag was beslist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht gesteld dat de inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet meer mogelijk is.
6. Ten aanzien van de vraag of de grondslag van de vrijheidsontnemende maatregel te laat is omgezet, oordeelt de rechtbank dat deze vraag niet in deze procedure aan de orde kan komen. Daarvoor dient eiser een vervolgberoep in te stellen tegen de voorgaande maatregel.
7. Verder stelt de rechtbank vast dat, anders dan eiser betoogt, het terugkeerbesluit van 16 augustus 2026 wel degelijk het land noemt waar eiser naar terug moet keren. Op pagina 1 van de meeromvattende beschikking van 16 augustus 2026 staat: “U moet terug naar Turkije. Dit heet een terugkeerbesluit” Het betoog van eiser slaagt daarom niet.
8. De rechtbank stelt ook vast dat de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel van bewaring niet worden betwist. De rechtbank oordeelt ambtshalve dat verweerder onvoldoende gemotiveerd grond a heeft tegengeworpen. Verweerder heeft namelijk overwogen dat eiser de vaststelling van zijn identiteit belemmert door niet te beschikken over een paspoort. Uit het gehoor voorafgaande aan oplegging van de maatregel blijkt echter dat verweerder wel beschikt over het paspoort van eiser.
8.1.
Niettemin kunnen naar het oordeel van de rechtbank de overige gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen. Deze gronden tezamen zijn voldoende om ten aanzien van eiser een risico op onderduiken aan te nemen.
9. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder terecht geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Redengevend daarvoor is dat eiser zijn vertrekwens onvoldoende heeft geconcretiseerd. Er is namelijk niet gebleken dat het geplande gesprek met het IOM op 20 augustus 2026 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daarnaast is evenmin gebleken dat eiser inmiddels een ticket heeft gekocht voor een vlucht naar Turkije. Het enkel verklaren dat hij terug wil naar Turkije is onvoldoende. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat een aan eiser eerder opgelegd inreisverbod hem er niet van heeft weerhouden om terug te keren naar Nederland.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Internationale Organisatie voor Migratie.
Verordening (EU) 2024/1348.
Proces-verbaal van gehoor, 19 augustus 2026, bladzijde 4.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47970
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).
Procesverloop
1. Bij bestreden besluit van 19 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 21 augustus 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 26 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 27 augustus 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat het volgende aan. Verweerder heeft op 16 augustus 2026 de asielaanvraag van eiser afgewezen. Dat betekent dat de vrijheidsontnemende maatregel van 19 augustus 2026 prematuur is genomen. Voor zover de grondslag van de bewaring terecht is gewijzigd, voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door niet uiterlijk op de tweede dag na de asielbeschikking de grondslag te wijzigen. Verder wordt in het terugkeerbesluit ten onrechte geen land genoemd waar eiser naar terug moet keren. Daarnaast werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiser niet zou willen terugkeren naar Turkije. Uit het gehoor voorafgaande aan oplegging van de maatregel van 19 augustus 2026 blijkt juist dat eiser terug wil om zo snel mogelijk herenigd te worden met zijn vrouw en dochters. Eiser heeft financiële mogelijkheden om een vliegticket te kopen en zou een dag later, op 20 augustus 2026 in gesprek gaan met het IOM. Daarbij heeft eiser een geldig paspoort. In het licht hiervan had verweerder kunnen en moeten volstaan met een lichter middel.
5. Naar het oordeel van de rechtbank berust de vrijheidsontnemende maatregel op de juiste grondslag en overweegt daartoe als volgt.
5.1.
De asielaanvraag van eiser is in de versnelde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b Vw in samenhang met artikel 42, eerste lid, onder c, d, e, h en j van de Procedureverordening. Uit artikel 68, derde lid, onder a, van de Procedureverordening volgt dat als een asielaanvraag in de versnelde procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen, er geen sprake is van een recht om op het grondgebied te blijven als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening. Volgens de nationale wetgeving houdt dit in dat eiser niet onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw valt. Dat houdt in dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had nadat op 16 augustus 2026 op zijn asielaanvraag was beslist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht gesteld dat de inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet meer mogelijk is.
6. Ten aanzien van de vraag of de grondslag van de vrijheidsontnemende maatregel te laat is omgezet, oordeelt de rechtbank dat deze vraag niet in deze procedure aan de orde kan komen. Daarvoor dient eiser een vervolgberoep in te stellen tegen de voorgaande maatregel.
7. Verder stelt de rechtbank vast dat, anders dan eiser betoogt, het terugkeerbesluit van 16 augustus 2026 wel degelijk het land noemt waar eiser naar terug moet keren. Op pagina 1 van de meeromvattende beschikking van 16 augustus 2026 staat: “U moet terug naar Turkije. Dit heet een terugkeerbesluit” Het betoog van eiser slaagt daarom niet.
8. De rechtbank stelt ook vast dat de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel van bewaring niet worden betwist. De rechtbank oordeelt ambtshalve dat verweerder onvoldoende gemotiveerd grond a heeft tegengeworpen. Verweerder heeft namelijk overwogen dat eiser de vaststelling van zijn identiteit belemmert door niet te beschikken over een paspoort. Uit het gehoor voorafgaande aan oplegging van de maatregel blijkt echter dat verweerder wel beschikt over het paspoort van eiser.
8.1.
Niettemin kunnen naar het oordeel van de rechtbank de overige gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen. Deze gronden tezamen zijn voldoende om ten aanzien van eiser een risico op onderduiken aan te nemen.
9. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder terecht geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Redengevend daarvoor is dat eiser zijn vertrekwens onvoldoende heeft geconcretiseerd. Er is namelijk niet gebleken dat het geplande gesprek met het IOM op 20 augustus 2026 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daarnaast is evenmin gebleken dat eiser inmiddels een ticket heeft gekocht voor een vlucht naar Turkije. Het enkel verklaren dat hij terug wil naar Turkije is onvoldoende. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat een aan eiser eerder opgelegd inreisverbod hem er niet van heeft weerhouden om terug te keren naar Nederland.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Internationale Organisatie voor Migratie.
Verordening (EU) 2024/1348.
Proces-verbaal van gehoor, 19 augustus 2026, bladzijde 4.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.