Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24997
2026-08-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.47379
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - ongegrond
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.828 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47379
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. El Mathari als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat het volgende aan. Veel van de tegengeworpen gronden zijn al eerder tegengeworpen. Verweerder heeft nagelaten een actuele beoordeling te maken van deze gronden en kan ze daarom niet zonder meer opnieuw tegenwerpen. Eiser betwist grond a, omdat hij op gecontroleerde wijze door Zwitserland aan Nederland is overgedragen. Ten aanzien van grond b voert eiser aan dat hij het terugkeerbesluit van 16 juni 2025 niet aan hem is uitgereikt. Eiser betwist grond c omdat zijn personalia al bij de autoriteiten bekend zijn. Dat er geen originele documenten zijn, betekent niet dat eiser niet aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit meewerkt. Ten aanzien van grond h voert eiser aan dat zijn verklaring om niet terug te willen keren samenhangt met zijn vrees voor discriminatie, geweld en met zijn psychische klachten. Over grond j voert eiser aan dat de kennelijke ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag niets zegt over de vraag of hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser voert ten aanzien van grond p aan dat de verwijzing naar het vertrek met onbekende bestemming in 2023 onvoldoende actueel is om thans nog een risico op onttrekking op te leveren. Ten aanzien van grond q voert eiser aan dat hij gebruikt maakt van de wettelijke mogelijkheden en dat het indienen van meerdere aanvragen niet zonder meer een risico op onttrekking oplevert. Daarbij heeft verweerder niet concreet gemotiveerd dat eiser de procedures gebruikt om terugkeer te frustreren. Eiser betwist ook grond r, omdat hij niet de kans heeft gekregen om zich elders in te schrijven. Bovendien levert het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats geen risico op onttrekking op, omdat eiser al in vreemdelingendetentie verblijft. Verder betwist eiser ook grond s, omdat de motivering niet op eiser is toegespitst. Bovendien kan eiser geen inkomen verkrijgen omdat hij vast zit.
4.1.
Ten aanzien van het toepassen van een lichter middel voert eiser aan dat inbewaringstelling een ultimum remedium is. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij zich bij vrijlating wil melden en alle medewerking heeft verleend. Niet valt in te zien waarom een meldplicht, gebiedsaanwijzing, intensief toezicht of een combinatie daarvan onvoldoende toereikend is. Daarnaast zou eiser eerder een meldplicht hebben gehad, maar uit de beschikbare stukken blijkt niet dat er daadwerkelijk een meldplicht is geweest. In zoverre is het besluit onvoldoende gemotiveerd. Verder heeft eiser medische klachten die niet of onvoldoende behandeld worden in het detentiecentrum. Verblijf in vreemdelingendetentie is daarom onevenredig bezwarend. Daarnaast heeft eiser familie in Spanje wonen. Deze omstandigheden zijn niet nader bevraagd. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het familieleven van eiser. Tot slot is heeft verweerder geen actuele beoordeling gemaakt van het risico op non-refoulement. De verwijzing naar de afwijzende asielbeschikking van 11 augustus 2026 is daarvoor onvoldoende.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank stelt vast dat grond d niet is bestreden. Verder heeft verweerder grond a terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser is weliswaar gecontroleerd overgedragen van Zwitserland aan Nederland, maar daarmee beschikt hij niet over geldige grensoverschrijdingsdocumenten. Daarnaast heeft verweerder ook grond b terecht aan eiser tegengeworpen. Verweerder heeft in het bestreden besluit opgemerkt dat het terugkeerbesluit van 16 juni 2025 op de voorgeschreven wijze aan eiser kenbaar is gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Bovendien heeft eiser in het gehoor van 28 juli 2026 nog verklaard dat hij wist dat hij niet in Nederland mocht zijn en dat hij geen gehoor heeft gegeven aan zijn vertrekplicht. Daarbij ligt het terugkeerbesluit van 16 juni 2025 niet zo ver in het verleden dat er geen sprake is van een actuele beoordeling door verweerder. Ook grond c heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen. Eisers paspoort ligt in Spanje. Tijdens zijn vertrekgesprek op 19 augustus 2026 heeft eiser verklaard dat hij niet van plan is deze naar DCR te sturen en dat hij niet meewerkend is. Ook overigens blijkt niet dat hij pogingen heeft ondernomen om het paspoort naar Nederland te krijgen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen gronden a, b, c, en d en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser een risico op onderduiken aan te nemen. Gelet hierop hoeven de door eiser bestreden gronden geen bespreking meer.
8. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Redengevend hiervoor is dat eiser in 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Daarbij is deze gebeurtenis recent genoeg om nog bij de beoordeling te mogen worden betrokken. Daarnaast heeft eiser in het vertrekgesprek van 19 augustus 2026 nog aangegeven niet mee te zullen werken met zijn vertrek. De stelling van eiser dat hij meewerkt, komt de rechtbank daarom niet geloofwaardig voor.
9. Ten aanzien van eisers medische klachten overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de medische zorg in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend is geweest, dat de omstandigheden in het detentiecentrum de bewaring onevenredig bezwarend hebben gemaakt of dat eiser detentieongeschikt is dan wel een aanvraag heeft gedaan zijn detentiegeschiktheid te beoordelen. Eisers medische klachten zijn niet met stukken onderbouwd. Hoewel de rechtbank voorstelbaar acht dat de bewaring eiser zwaar valt, maakt dit op zichzelf nog niet dat de bewaring onevenredig bezwarend is.
10. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van familie- en gezinsleven in Spanje dat zich verzet tegen zijn verwijdering. Eiser heeft op geen enkele manier zijn familierechtelijke relatie onderbouwd (ook niet in beroep). Daarnaast heeft eiser niet toegelicht en geconcretiseerd, laat staan onderbouwd, op welke wijze hij invulling geeft aan zijn gestelde familieleven, en op welke wijze de inbewaringstelling hem belemmert in het uitoefenen van dit (gestelde) familieleven.
11. Ten aanzien van het standpunt van de gemachtigde van eiser dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar het non-refoulementrisico, merkt de rechtbank het volgende op. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen op 11 augustus 2026. Tijdens het gehoor voorafgaand aan inbewaringstelling heeft eiser niet wezenlijk anders verklaard over zijn vrees bij terugkeer dan tijdens zijn asielprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook in het bestreden besluit, mede gelet op de korte tijd tussen de afwijzende asielbeschikking en de opgelegde maatregel, terecht mogen verwijzen naar de afwijzende asielbeschikking.
12. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Gehoor, 28 juli 2026.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47379
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. El Mathari als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat het volgende aan. Veel van de tegengeworpen gronden zijn al eerder tegengeworpen. Verweerder heeft nagelaten een actuele beoordeling te maken van deze gronden en kan ze daarom niet zonder meer opnieuw tegenwerpen. Eiser betwist grond a, omdat hij op gecontroleerde wijze door Zwitserland aan Nederland is overgedragen. Ten aanzien van grond b voert eiser aan dat hij het terugkeerbesluit van 16 juni 2025 niet aan hem is uitgereikt. Eiser betwist grond c omdat zijn personalia al bij de autoriteiten bekend zijn. Dat er geen originele documenten zijn, betekent niet dat eiser niet aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit meewerkt. Ten aanzien van grond h voert eiser aan dat zijn verklaring om niet terug te willen keren samenhangt met zijn vrees voor discriminatie, geweld en met zijn psychische klachten. Over grond j voert eiser aan dat de kennelijke ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag niets zegt over de vraag of hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser voert ten aanzien van grond p aan dat de verwijzing naar het vertrek met onbekende bestemming in 2023 onvoldoende actueel is om thans nog een risico op onttrekking op te leveren. Ten aanzien van grond q voert eiser aan dat hij gebruikt maakt van de wettelijke mogelijkheden en dat het indienen van meerdere aanvragen niet zonder meer een risico op onttrekking oplevert. Daarbij heeft verweerder niet concreet gemotiveerd dat eiser de procedures gebruikt om terugkeer te frustreren. Eiser betwist ook grond r, omdat hij niet de kans heeft gekregen om zich elders in te schrijven. Bovendien levert het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats geen risico op onttrekking op, omdat eiser al in vreemdelingendetentie verblijft. Verder betwist eiser ook grond s, omdat de motivering niet op eiser is toegespitst. Bovendien kan eiser geen inkomen verkrijgen omdat hij vast zit.
4.1.
Ten aanzien van het toepassen van een lichter middel voert eiser aan dat inbewaringstelling een ultimum remedium is. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij zich bij vrijlating wil melden en alle medewerking heeft verleend. Niet valt in te zien waarom een meldplicht, gebiedsaanwijzing, intensief toezicht of een combinatie daarvan onvoldoende toereikend is. Daarnaast zou eiser eerder een meldplicht hebben gehad, maar uit de beschikbare stukken blijkt niet dat er daadwerkelijk een meldplicht is geweest. In zoverre is het besluit onvoldoende gemotiveerd. Verder heeft eiser medische klachten die niet of onvoldoende behandeld worden in het detentiecentrum. Verblijf in vreemdelingendetentie is daarom onevenredig bezwarend. Daarnaast heeft eiser familie in Spanje wonen. Deze omstandigheden zijn niet nader bevraagd. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het familieleven van eiser. Tot slot is heeft verweerder geen actuele beoordeling gemaakt van het risico op non-refoulement. De verwijzing naar de afwijzende asielbeschikking van 11 augustus 2026 is daarvoor onvoldoende.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank stelt vast dat grond d niet is bestreden. Verder heeft verweerder grond a terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser is weliswaar gecontroleerd overgedragen van Zwitserland aan Nederland, maar daarmee beschikt hij niet over geldige grensoverschrijdingsdocumenten. Daarnaast heeft verweerder ook grond b terecht aan eiser tegengeworpen. Verweerder heeft in het bestreden besluit opgemerkt dat het terugkeerbesluit van 16 juni 2025 op de voorgeschreven wijze aan eiser kenbaar is gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Bovendien heeft eiser in het gehoor van 28 juli 2026 nog verklaard dat hij wist dat hij niet in Nederland mocht zijn en dat hij geen gehoor heeft gegeven aan zijn vertrekplicht. Daarbij ligt het terugkeerbesluit van 16 juni 2025 niet zo ver in het verleden dat er geen sprake is van een actuele beoordeling door verweerder. Ook grond c heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen. Eisers paspoort ligt in Spanje. Tijdens zijn vertrekgesprek op 19 augustus 2026 heeft eiser verklaard dat hij niet van plan is deze naar DCR te sturen en dat hij niet meewerkend is. Ook overigens blijkt niet dat hij pogingen heeft ondernomen om het paspoort naar Nederland te krijgen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen gronden a, b, c, en d en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser een risico op onderduiken aan te nemen. Gelet hierop hoeven de door eiser bestreden gronden geen bespreking meer.
8. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Redengevend hiervoor is dat eiser in 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Daarbij is deze gebeurtenis recent genoeg om nog bij de beoordeling te mogen worden betrokken. Daarnaast heeft eiser in het vertrekgesprek van 19 augustus 2026 nog aangegeven niet mee te zullen werken met zijn vertrek. De stelling van eiser dat hij meewerkt, komt de rechtbank daarom niet geloofwaardig voor.
9. Ten aanzien van eisers medische klachten overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de medische zorg in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend is geweest, dat de omstandigheden in het detentiecentrum de bewaring onevenredig bezwarend hebben gemaakt of dat eiser detentieongeschikt is dan wel een aanvraag heeft gedaan zijn detentiegeschiktheid te beoordelen. Eisers medische klachten zijn niet met stukken onderbouwd. Hoewel de rechtbank voorstelbaar acht dat de bewaring eiser zwaar valt, maakt dit op zichzelf nog niet dat de bewaring onevenredig bezwarend is.
10. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van familie- en gezinsleven in Spanje dat zich verzet tegen zijn verwijdering. Eiser heeft op geen enkele manier zijn familierechtelijke relatie onderbouwd (ook niet in beroep). Daarnaast heeft eiser niet toegelicht en geconcretiseerd, laat staan onderbouwd, op welke wijze hij invulling geeft aan zijn gestelde familieleven, en op welke wijze de inbewaringstelling hem belemmert in het uitoefenen van dit (gestelde) familieleven.
11. Ten aanzien van het standpunt van de gemachtigde van eiser dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar het non-refoulementrisico, merkt de rechtbank het volgende op. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen op 11 augustus 2026. Tijdens het gehoor voorafgaand aan inbewaringstelling heeft eiser niet wezenlijk anders verklaard over zijn vrees bij terugkeer dan tijdens zijn asielprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook in het bestreden besluit, mede gelet op de korte tijd tussen de afwijzende asielbeschikking en de opgelegde maatregel, terecht mogen verwijzen naar de afwijzende asielbeschikking.
12. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Gehoor, 28 juli 2026.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.