Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24996
2026-08-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.47971
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring - 59b Vw
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:3739 Raad van State 18-09-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.522 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47971
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
1. Bij bestreden besluit van 19 augustus 2026 heeft verweerder op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Op 24 augustus 2026 heeft verweerder de maatregel van bewaring opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser is op 18 augustus 2026 opgehouden en heeft een dag later de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd gekregen. Verweerder heeft op 24 augustus 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat deze van meet af aan onrechtmatig was. Ook heeft verweerder schadevergoeding aangeboden vanaf 19 augustus tot en met 24 augustus 2026. Ter zitting heeft verweerder eveneens aangeboden om twee punten proceskostenvergoeding te betalen.
Wat vindt eiser?
3. Eiser heeft het aanbod van verweerder van de schadevergoeding en de twee punten aan proceskostenvergoeding geaccepteerd. Wel stelt eiser stelt zich nog op het standpunt dat verweerder ook over 18 augustus 2026 schadevergoeding moet betalen. Redengevend daarvoor is dat verweerder eiser al om 20:08 uur BVV-geregistreerd heeft en eiser zich op dat moment in de macht van verweerder bevond. Verweerder had daarom al eerder kunnen beginnen met horen van eiser. Daarnaast voert eiser aan dat tijdens het gehoor van 18 augustus 2026 een tolk Pools is gebruikt. Het tolkennummer bij het gehoor is namelijk herleidbaar tot een tolk Pools.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De door verweerder aangeboden schadevergoeding vanaf 19 augustus 2026 tot en met 24 augustus 2026 en ook de twee punten aan proceskostenvergoeding is door eiser geaccepteerd. De enige vraag die thans in dit beroep nog voorligt is de vraag of de ophouding op 18 augustus 2026 al dan niet onrechtmatig was en verweerder daarom ook voor die dag schadevergoeding moet betalen.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank was de ophouding op 18 augustus 2026 rechtmatig en hoeft verweerder geen schadevergoeding te betalen voor die dag en overweegt daartoe als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) begint de ophouding zodra eiser aankomt op een plaats bestemd voor verhoor. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat eiser op 18 augustus 2026 om 22:10 uur aankwam op een plaats bestemd voor verhoor. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit proces-verbaal. Dat eiser om 20:08 uur BVV geregistreerd is, maakt dit niet anders nu dat niet betekent dat de ophouding op dat moment is begonnen.
3.2.
Het standpunt dat eiser gehoord is met een tolk Pools en dat daarom de ophouding op 18 augustus 2026 onrechtmatig was slaagt ook niet. De rechtbank stelt op basis van het proces-verbaal ophouding en onderzoek vast dat eiser op 18 augustus 2026 om 22:14 uur is gehoord met een tolk in de Punjabi taal. Het tolkennummer is, anders dan eiser stelt, herleidbaar tot een tolk Punjabi. Daarnaast heeft eiser over de verstaanbaarheid verklaard dat hij de tolk verstaat.
Conclusie en gevolgen
4. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de ophouding op 18 augustus 2026 rechtmatig was. Verweerder was dan ook niet gehouden tot het vergoeden van schade.
5. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om een ruimere schadevergoeding toe te kennen dan reeds is aangeboden. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3739, rechtsoverweging 4.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47971
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
1. Bij bestreden besluit van 19 augustus 2026 heeft verweerder op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Op 24 augustus 2026 heeft verweerder de maatregel van bewaring opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser is op 18 augustus 2026 opgehouden en heeft een dag later de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd gekregen. Verweerder heeft op 24 augustus 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat deze van meet af aan onrechtmatig was. Ook heeft verweerder schadevergoeding aangeboden vanaf 19 augustus tot en met 24 augustus 2026. Ter zitting heeft verweerder eveneens aangeboden om twee punten proceskostenvergoeding te betalen.
Wat vindt eiser?
3. Eiser heeft het aanbod van verweerder van de schadevergoeding en de twee punten aan proceskostenvergoeding geaccepteerd. Wel stelt eiser stelt zich nog op het standpunt dat verweerder ook over 18 augustus 2026 schadevergoeding moet betalen. Redengevend daarvoor is dat verweerder eiser al om 20:08 uur BVV-geregistreerd heeft en eiser zich op dat moment in de macht van verweerder bevond. Verweerder had daarom al eerder kunnen beginnen met horen van eiser. Daarnaast voert eiser aan dat tijdens het gehoor van 18 augustus 2026 een tolk Pools is gebruikt. Het tolkennummer bij het gehoor is namelijk herleidbaar tot een tolk Pools.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De door verweerder aangeboden schadevergoeding vanaf 19 augustus 2026 tot en met 24 augustus 2026 en ook de twee punten aan proceskostenvergoeding is door eiser geaccepteerd. De enige vraag die thans in dit beroep nog voorligt is de vraag of de ophouding op 18 augustus 2026 al dan niet onrechtmatig was en verweerder daarom ook voor die dag schadevergoeding moet betalen.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank was de ophouding op 18 augustus 2026 rechtmatig en hoeft verweerder geen schadevergoeding te betalen voor die dag en overweegt daartoe als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) begint de ophouding zodra eiser aankomt op een plaats bestemd voor verhoor. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat eiser op 18 augustus 2026 om 22:10 uur aankwam op een plaats bestemd voor verhoor. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit proces-verbaal. Dat eiser om 20:08 uur BVV geregistreerd is, maakt dit niet anders nu dat niet betekent dat de ophouding op dat moment is begonnen.
3.2.
Het standpunt dat eiser gehoord is met een tolk Pools en dat daarom de ophouding op 18 augustus 2026 onrechtmatig was slaagt ook niet. De rechtbank stelt op basis van het proces-verbaal ophouding en onderzoek vast dat eiser op 18 augustus 2026 om 22:14 uur is gehoord met een tolk in de Punjabi taal. Het tolkennummer is, anders dan eiser stelt, herleidbaar tot een tolk Punjabi. Daarnaast heeft eiser over de verstaanbaarheid verklaard dat hij de tolk verstaat.
Conclusie en gevolgen
4. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de ophouding op 18 augustus 2026 rechtmatig was. Verweerder was dan ook niet gehouden tot het vergoeden van schade.
5. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om een ruimere schadevergoeding toe te kennen dan reeds is aangeboden. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3739, rechtsoverweging 4.