Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24994
2026-08-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.47946
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ophouding - ongegrond
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:3719 Raad van State 08-08-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.979 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.47946 en NL26.49141
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).
Procesverloop
1. Op 4 augustus 2026 is eiser opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op 6 augustus 2026 is eiser opnieuw opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw.
1.1.
Eiser heeft tegen beide ophoudingen beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. Het beroep tegen de ophouding van 4 augustus 2026 is geregistreerd onder zaaknummer NL26.49141. Het beroep tegen de ophouding van 6 augustus 2026 is geregistreerd onder zaaknummer NL26.47946.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 21 augustus 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 26 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 27 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser is op 4 augustus 2026 om 14:50 uur opgehouden, omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Tijdens het gehoor gaf eiser aan asiel te willen aanvragen. Daarop is eiser diezelfde dag om 15:45 uur vrijgelaten en is hij gevorderd om naar Ter Apel te gaan om een asielaanvraag in te dienen. Op 6 augustus 2026 is eiser om 21:15 uur opnieuw opgehouden, omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Tijdens het gehoor op 7 augustus 2026 gaf eiser aan nog steeds asiel te willen aanvragen. Vervolgens is eiser om 11:35 uur vrijgelaten en is voor hem een taxi gebeld om hem naar Ter Apel te brengen.
Wat voert eiser aan?
3. Ten aanzien van de ophouding van 4 augustus 2026 voert eiser aan dat hij ten onrechte is opgehouden. Uit het proces-verbaal van de ophouding blijkt dat de personalia van eiser bekend waren bij verweerder en dat onderzoek in Eurodac een positieve identificatie opleverde.
3.1.
Ten aanzien van de ophouding van 6 augustus 2026 voert eiser, kort samengevat, het volgende aan. Verweerder heeft eiser ten onrechte opgehouden, omdat eiser twee dagen daarvoor ook al was opgehouden. Eiser was dus bekend bij verweerder. Daarnaast is niet geloofwaardig dat het proces-verbaal vermeldt dat eiser niet voorkomt in de registers, omdat er twee dagen eerder wel een positieve identificatie was met Eurodac. Verder heeft verweerder eiser ten onrechte zonder advocaat gehoord. Eiser heeft aangegeven dat hij een advocaat wilde. Eiser heeft weliswaar ook ingestemd met het beantwoorden van verweerders vragen, maar dit kan niet worden beschouwd als een duidelijke, ondubbelzinnige en voldoende geïnformeerde afstand van het eerder uitdrukkelijk ingeroepen recht op rechtsbijstand. Daarbij is van belang dat eiser minderjarig is en dat verweerder daarmee rekening moet houden. Volgens Eurodac is eisers geboortedatum [geboortedatum 1] 2000. Eiser stelt dat hij deze geboortedatum in Spanje heeft opgegeven omdat hij daar niet wilde blijven. Zijn werkelijke geboortedatum is [geboortedatum 2] 2009. Deze geboortedatum is ook gevolgd door de verbalisant. Daarnaast is eiser na het gehoor te lang opgehouden. Het gehoor is aangevangen om 8:59 uur. Niet valt in te zien waarom de ophouding pas om 11:35 is beëindigd. Tot slot is het proces-verbaal van 7 augustus 2026 innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds is eiser opgehouden om zijn identiteit vast te stellen, maar anderzijds vermeldt het proces-verbaal dat eiser rechtmatig verblijf heeft in verband met zijn aanvraag.
4. De rechtbank oordeelt als volgt.
Ophouding 4 augustus 2026
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ophouding van 4 augustus 2026 rechtmatig plaatsgevonden. Eiser had geen identificerende documenten bij zich. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mocht verweerder eiser daarom met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw ophouden. De treffer in Eurodac maakt het oordeel niet anders, omdat deze treffer pas tijdens het onderzoek naar boven is gekomen.
Ophouding 6 augustus 2026
6. De rechtbank oordeelt verder dat ook de ophouding van 6 augustus 2026 rechtmatig heeft plaatsgevonden. Eiser had geen identificerende documenten bij zich, zodat volgens vaste Afdelingsjurisprudentie verweerder eiser met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw mocht ophouden. Dat eiser twee dagen daarvoor ook al was opgehouden en daarom bekend zou zijn bij verweerder, doet hier niet aan af. Die ophouding neemt namelijk niet weg dat eiser op 6 augustus 2026 nog steeds geen identificerende documenten bij zich had en dat zijn identiteit daardoor niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Dat komt voor eigen rekening en risico.
7. Verder is weliswaar opmerkelijk dat eiser op 4 augustus 2026 een treffer oplevert in Eurodac en op 6 augustus 2026 niet, maar dat betekent niet dat de ophouding daarmee onrechtmatig was. Op dat moment stond de identiteit niet vast en verweerder mocht dan ook nader onderzoek doen naar de identiteit van eiser.
8. Daarnaast heeft verweerder ook mogen uitgaan van de instemming van eiser om hem zonder de aanwezigheid van een advocaat te horen. Weliswaar heeft eiser op 6 augustus 2026 om 22:05 uur aangegeven dat hij tijdens het gehoor bijstand wenst van een advocaat, maar op 7 augustus 2026 om 08:59 uur heeft hij voorafgaand aan het gehoor verklaard dat hij geen behoefte had aan een bijstand van een raadsman bij het verhoor. Ook heeft hij verklaard dat hij vragen wenste te beantwoorden zonder advocaat. Daarna heeft hij dit nogmaals bevestigd. Nu eiser is gehoord met behulp van een beëdigde tolk en niet is gebleken dat eiser de tolk niet begreep of niet wist waar hij mee instemde mocht verweerder deze uitlatingen zien als een ondubbelzinnige toezegging van eiser dat hij vragen wilde beantwoorden zonder bijstand van een advocaat.
9. Ten aanzien van het standpunt dat eiser minderjarig is, overweegt de rechtbank als volgt. Over de leeftijd van eiser heeft de verbalisant het volgende opgemerkt:
“Ik geloof niet dat je 26 bent zoals nu in de systemen staat. Ik ga je geboortedatum weer wijzigen naar de datum die je eerder hebt opgegeven. Dat is [geboortedatum 2]-2009.”
De rechtbank leest deze opmerking zo dat de verbalisant niet gelooft dat eiser 26 jaar oud is en bij gebrek aan informatie de geboortedatum heeft aangepast naar de andere opgegeven geboortedatum. De rechtbank leest hierin echter niet dat de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2009 door verweerder geloofwaardig wordt geacht. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser verschillende geboortedata heeft opgegeven en bovendien niet beschikt over identificerende documenten. De minderjarigheid staat aldus niet vast. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook minderjarigen mogen worden opgehouden.
10. Ten aanzien van het standpunt dat eiser te lang is opgehouden overweegt de rechtbank dat uit artikel 50, tweede lid, Vw, volgt dat eiser niet langer dan zes uur mag worden opgehouden, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ‘s ochtends niet wordt meegerekend. Eiser is 2 uur en 45 minuten voor middernacht en 2 uur en 35 minuten na negen uur ’s ochtends opgehouden. De rechtbank stelt vast dat de ophouding dus niet langer heeft geduurd dan de maximale termijn van zes uur. Dat het gehoor is aangevangen om 08:59 uur en de ophouding om 11:35 uur is beëindigd maakt ook niet dat de ophouding onnodig lang heeft geduurd.
11. Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat het proces-verbaal van 6 augustus 2026 innerlijk tegenstrijdig is. Redengevend daarvoor is dat de rechtbank het proces-verbaal zo leest dat het niet onmiddellijk kunnen vaststellen van eisers identiteit de aanleiding is geweest voor de ophouding en dat het rechtmatige verblijf in verband met de asielaanvraag de conclusie is van de ophouding.
12. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de ophoudingen onrechtmatig waren, zijn de beroepen ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 4 augustus 2026.
Proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 7 augustus 2026.
Proces-verbaal van bevindingen van 4 augustus 2026.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3719, rechtsoverweging 3.1.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.47946 en NL26.49141
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).
Procesverloop
1. Op 4 augustus 2026 is eiser opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op 6 augustus 2026 is eiser opnieuw opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw.
1.1.
Eiser heeft tegen beide ophoudingen beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. Het beroep tegen de ophouding van 4 augustus 2026 is geregistreerd onder zaaknummer NL26.49141. Het beroep tegen de ophouding van 6 augustus 2026 is geregistreerd onder zaaknummer NL26.47946.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 21 augustus 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 26 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 27 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser is op 4 augustus 2026 om 14:50 uur opgehouden, omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Tijdens het gehoor gaf eiser aan asiel te willen aanvragen. Daarop is eiser diezelfde dag om 15:45 uur vrijgelaten en is hij gevorderd om naar Ter Apel te gaan om een asielaanvraag in te dienen. Op 6 augustus 2026 is eiser om 21:15 uur opnieuw opgehouden, omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Tijdens het gehoor op 7 augustus 2026 gaf eiser aan nog steeds asiel te willen aanvragen. Vervolgens is eiser om 11:35 uur vrijgelaten en is voor hem een taxi gebeld om hem naar Ter Apel te brengen.
Wat voert eiser aan?
3. Ten aanzien van de ophouding van 4 augustus 2026 voert eiser aan dat hij ten onrechte is opgehouden. Uit het proces-verbaal van de ophouding blijkt dat de personalia van eiser bekend waren bij verweerder en dat onderzoek in Eurodac een positieve identificatie opleverde.
3.1.
Ten aanzien van de ophouding van 6 augustus 2026 voert eiser, kort samengevat, het volgende aan. Verweerder heeft eiser ten onrechte opgehouden, omdat eiser twee dagen daarvoor ook al was opgehouden. Eiser was dus bekend bij verweerder. Daarnaast is niet geloofwaardig dat het proces-verbaal vermeldt dat eiser niet voorkomt in de registers, omdat er twee dagen eerder wel een positieve identificatie was met Eurodac. Verder heeft verweerder eiser ten onrechte zonder advocaat gehoord. Eiser heeft aangegeven dat hij een advocaat wilde. Eiser heeft weliswaar ook ingestemd met het beantwoorden van verweerders vragen, maar dit kan niet worden beschouwd als een duidelijke, ondubbelzinnige en voldoende geïnformeerde afstand van het eerder uitdrukkelijk ingeroepen recht op rechtsbijstand. Daarbij is van belang dat eiser minderjarig is en dat verweerder daarmee rekening moet houden. Volgens Eurodac is eisers geboortedatum [geboortedatum 1] 2000. Eiser stelt dat hij deze geboortedatum in Spanje heeft opgegeven omdat hij daar niet wilde blijven. Zijn werkelijke geboortedatum is [geboortedatum 2] 2009. Deze geboortedatum is ook gevolgd door de verbalisant. Daarnaast is eiser na het gehoor te lang opgehouden. Het gehoor is aangevangen om 8:59 uur. Niet valt in te zien waarom de ophouding pas om 11:35 is beëindigd. Tot slot is het proces-verbaal van 7 augustus 2026 innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds is eiser opgehouden om zijn identiteit vast te stellen, maar anderzijds vermeldt het proces-verbaal dat eiser rechtmatig verblijf heeft in verband met zijn aanvraag.
4. De rechtbank oordeelt als volgt.
Ophouding 4 augustus 2026
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ophouding van 4 augustus 2026 rechtmatig plaatsgevonden. Eiser had geen identificerende documenten bij zich. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mocht verweerder eiser daarom met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw ophouden. De treffer in Eurodac maakt het oordeel niet anders, omdat deze treffer pas tijdens het onderzoek naar boven is gekomen.
Ophouding 6 augustus 2026
6. De rechtbank oordeelt verder dat ook de ophouding van 6 augustus 2026 rechtmatig heeft plaatsgevonden. Eiser had geen identificerende documenten bij zich, zodat volgens vaste Afdelingsjurisprudentie verweerder eiser met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw mocht ophouden. Dat eiser twee dagen daarvoor ook al was opgehouden en daarom bekend zou zijn bij verweerder, doet hier niet aan af. Die ophouding neemt namelijk niet weg dat eiser op 6 augustus 2026 nog steeds geen identificerende documenten bij zich had en dat zijn identiteit daardoor niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Dat komt voor eigen rekening en risico.
7. Verder is weliswaar opmerkelijk dat eiser op 4 augustus 2026 een treffer oplevert in Eurodac en op 6 augustus 2026 niet, maar dat betekent niet dat de ophouding daarmee onrechtmatig was. Op dat moment stond de identiteit niet vast en verweerder mocht dan ook nader onderzoek doen naar de identiteit van eiser.
8. Daarnaast heeft verweerder ook mogen uitgaan van de instemming van eiser om hem zonder de aanwezigheid van een advocaat te horen. Weliswaar heeft eiser op 6 augustus 2026 om 22:05 uur aangegeven dat hij tijdens het gehoor bijstand wenst van een advocaat, maar op 7 augustus 2026 om 08:59 uur heeft hij voorafgaand aan het gehoor verklaard dat hij geen behoefte had aan een bijstand van een raadsman bij het verhoor. Ook heeft hij verklaard dat hij vragen wenste te beantwoorden zonder advocaat. Daarna heeft hij dit nogmaals bevestigd. Nu eiser is gehoord met behulp van een beëdigde tolk en niet is gebleken dat eiser de tolk niet begreep of niet wist waar hij mee instemde mocht verweerder deze uitlatingen zien als een ondubbelzinnige toezegging van eiser dat hij vragen wilde beantwoorden zonder bijstand van een advocaat.
9. Ten aanzien van het standpunt dat eiser minderjarig is, overweegt de rechtbank als volgt. Over de leeftijd van eiser heeft de verbalisant het volgende opgemerkt:
“Ik geloof niet dat je 26 bent zoals nu in de systemen staat. Ik ga je geboortedatum weer wijzigen naar de datum die je eerder hebt opgegeven. Dat is [geboortedatum 2]-2009.”
De rechtbank leest deze opmerking zo dat de verbalisant niet gelooft dat eiser 26 jaar oud is en bij gebrek aan informatie de geboortedatum heeft aangepast naar de andere opgegeven geboortedatum. De rechtbank leest hierin echter niet dat de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2009 door verweerder geloofwaardig wordt geacht. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser verschillende geboortedata heeft opgegeven en bovendien niet beschikt over identificerende documenten. De minderjarigheid staat aldus niet vast. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook minderjarigen mogen worden opgehouden.
10. Ten aanzien van het standpunt dat eiser te lang is opgehouden overweegt de rechtbank dat uit artikel 50, tweede lid, Vw, volgt dat eiser niet langer dan zes uur mag worden opgehouden, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ‘s ochtends niet wordt meegerekend. Eiser is 2 uur en 45 minuten voor middernacht en 2 uur en 35 minuten na negen uur ’s ochtends opgehouden. De rechtbank stelt vast dat de ophouding dus niet langer heeft geduurd dan de maximale termijn van zes uur. Dat het gehoor is aangevangen om 08:59 uur en de ophouding om 11:35 uur is beëindigd maakt ook niet dat de ophouding onnodig lang heeft geduurd.
11. Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat het proces-verbaal van 6 augustus 2026 innerlijk tegenstrijdig is. Redengevend daarvoor is dat de rechtbank het proces-verbaal zo leest dat het niet onmiddellijk kunnen vaststellen van eisers identiteit de aanleiding is geweest voor de ophouding en dat het rechtmatige verblijf in verband met de asielaanvraag de conclusie is van de ophouding.
12. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de ophoudingen onrechtmatig waren, zijn de beroepen ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 4 augustus 2026.
Proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 7 augustus 2026.
Proces-verbaal van bevindingen van 4 augustus 2026.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3719, rechtsoverweging 3.1.