Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24987

2026-08-20 Civiel recht 11808528 RL EXPL 25-13591
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-20
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11808528 RL EXPL 25-13591
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Effectenlease. Zorgplichtzaak. Dexia heeft onrechtmatig tegenover Afnemer gehandeld nu sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last als gevolg van het aangaan van de overeenkomst. De resterende schade wegens verschuldigde termijnen als ook de resterende schade wegens restschuld blijft voor 1/3 deel voor rekening van Afnemer.

Citeert (12)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.259 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Den Haag



NAV/c
Zaak-/rolnr.: 11808528 RL EXPL 25-13591
20 augustus 2026




Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:






[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: Afnemer,gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),



tegen




de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: Dexia,gemachtigde: USG Legal Professionals.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juli 2025;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
- de rolbeslissing van 9 oktober 2025;
- de akte uitlaten van Afnemer;
- de akte uitlaten van Dexia tevens houdende de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
- de antwoordakte tevens houdende de conclusie van dupliek in reconventie en akte vermeerdering van eis;
- de akte uitlaten van Dexia;
- de akte uitlaten eiswijziging van Dexia.


1.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.





2De feiten

2.1.
Afnemer heeft de volgende effectenleaseovereenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:












Contractnr.




Datum




Naam overeenkomst




Looptijd




Leasesom





76100614


5 oktober 2000


WinstVer10Dubbelaar


120 mnd


€ 30.341,40







2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:










Datum eindafrekening




Resultaat




Betaald?





7 februari 2006


- € 2.755,99


Nee








2.3.
Volgens opgave van Dexia heeft Afnemer op grond van de overeenkomst in totaal een bedrag van € 7.260,80 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft Afnemer geen bedrag aan dividenden ontvangen en € 24,09 aan fiscaal voordeel genoten.



2.4.
Bij e-mail van 23 juli 2025 heeft de gemachtigde van Afnemer aan de gemachtigde van Dexia het volgende geschreven:



“In het onderhavige dossier heeft cliënt ons zojuist meegedeeld op 22 juli jl. een waiver-dagvaarding te hebben ontvangen. Wij merken echter op dat in deze zaak reeds op 16 juli jl. een dagvaarding is betekend aan Dexia. Graag ontvangen wij van u een bevestiging dat de waiver-dagvaarding wordt ingetrokken, conform de gemaakte afspraken in eerdere gevallen”





2.5.
In reactie op de onder rechtsoverweging 2.5. bedoelde e-mail heeft de gemachtigde van Dexia op 29 juli 2025 aan de gemachtigde van Afnemer het volgende geschreven:



“Wij gaan die van onas niet aanbrengen”







3De vorderingen en het verweer in conventie en in reconventie


3.1.
Afnemer vordert bij dagvaarding, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemer en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
- voor recht zal verklaren dat er ten aanzien van de overeenkomst sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het Hofmodel,
- Dexia zal veroordelen tot voldoening aan Afnemer van al datgene dat Afnemer aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
- Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Afnemer,
- Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.



3.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen van Afnemer. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- Afnemer zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 918,66, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
- voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en Afnemer gesloten overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan Afnemer verschuldigd is,
- Afnemer zal veroordelen in de proceskosten.



3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.





4De beoordeling in conventie en in reconventie



eerdere verstekvonnis en eisvermeerdering



4.1.

Tussen partijen heeft een andere procedure gelopen over dezelfde rechtsbetrekking als de onderhavige. Dexia heeft namelijk op 22 juli 2025 een dagvaarding laten betekenen en Afnemer opgeroepen tegen de openbare terechtzitting van donderdag 14 augustus 2025. In deze dagvaarding heeft Dexia dezelfde vorderingen ingesteld als zij thans in reconventie heeft ingesteld. Dexia heeft op 29 juli 2025, en dus ruim voor de eerst dienende dag, aan de
griffie van deze rechtbank bericht dat de zaak wordt ingetrokken. Dat heeft Dexia Afnemer ook bericht. Door een administratieve fout is de intrekking niet door de griffie verwerkt. De vorderingen van Dexia zijn in een verstekvonnis van 14 augustus 2025, gewezen onder het zaak- en rolnummer 11824971 RL EXPL 25-14421, grotendeels toegewezen.




4.2.
Aanvankelijk heeft Dexia zich erop beroepen dat aan het verstekvonnis gezag van gewijsde toekomt. Dat verweer heeft zij later weer ingetrokken. De kantonrechter mag niet ambtshalve beoordelen of aan een eerder gewezen vonnis gezag van gewijsde toekomt. Nu Dexia zich niet langer op het gezag van gewijsde beroept, kunnen de vorderingen, zowel in conventie als in reconventie, inhoudelijk worden behandeld. De vermeerdering van eis van Afnemer zal buiten beschouwing worden gelaten, omdat de voorwaarde die Afnemer heeft verbonden aan die vermeerdering van eis - namelijk het slagen van het beroep op het gezag van gewijsde van het verstekvonnis - niet in vervulling is gegaan.



4.3.
Afnemer verzoekt de kantonrechter verder nog om het verstekvonnis (ambtshalve) te vernietigen. Het verstekvonnis kan alleen worden vernietigd door het instellen van verzet tegen het verstekvonnis zodra Afnemer daarmee bekend werd. Dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter kan het verstekvonnis niet ambtshalve vernietigen. Een en ander betekent dat het verzoek wordt afgewezen. De kantonrechter gaat er echter vanuit dat Dexia - in lijn met de tussen partijen gemaakte afspraak dat de geschillen ten aanzien van de (afwikkeling van de) overeenkomst in deze procedure zullen worden beslecht - niet tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zal overgaan.



algemeen
4.4. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een optoutverklaring ingediend, onder wie Afnemer.




4.5.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.



4.6.

Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
A. er is sprake van huurkoop;
B. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
C. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
D. Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
E. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.




4.7.
Hierna zal achtereenvolgend worden ingegaan op:
- de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld;- het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel;
- de eigen schuld (artikel 6:101 BW);
- een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last;
- de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade;
- wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is;- wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.


4.8.
Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’, ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de overeenkomst worden vermeld op het door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu Afnemer de juistheid van de daarop vermelde gegevens niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist, wordt daarvan uitgegaan.



de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld




4.9.
De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan bestaat uit de schade wegens de door Afnemer verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen, en uit een (eventuele) restschuld.



het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel




4.10.
Op de door Afnemer geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en het genoten fiscaal voordeel. Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen.


4.11.
Indien daarvan sprake is, behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de afnemer in mindering zijn gebracht.



4.12.
Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld, dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die Afnemer heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomst(en), en daarna met de restschuld, tot alle voordeel is verrekend.



de eigen schuld (artikel 6:101 BW); wel of niet een onaanvaardbare financiële last




4.13.
Op grond van artikel 6:101 BW moet Afnemer een deel van de na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld resterende schade (hierna te noemen: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf dragen. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen de resterende schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de resterende schade bestaande uit een (eventuele) restschuld.



4.14.
Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomst had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op Afnemer werd gelegd. Als het aangaan van de overeenkomst voor Afnemer een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht, moet Afnemer een derde deel van de resterende schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf dragen.



4.15.
Als geen sprake was van een dergelijke last moet Afnemer de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981). Afnemer moet de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling verstrekken en met stukken onderbouwen.


4.16.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hof-formule, luidt: X - W - A - B - C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y). De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van Afnemer. De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur- of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de effectenleaseovereenkomst. De factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane leaseovereenkomsten. De factor C staat voor eventuele daadwerkelijk bestaande rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten. Als sprake is van vermogen van méér dan € 5.000,00 (bij alleenstaanden) of € 10.000,00 (bij een meerpersoonshuishouden) waaruit de verplichtingen uit de overeenkomst hadden kunnen worden voldaan, dan moet dit meerdere worden gedeeld door het aantal maanden waarvoor de overeenkomst is aangegaan, waarbij de uitkomst (‘factor V’) moet worden opgeteld bij de bestedingsruimte.



wel of geen onaanvaardbaar zware financiële last in dit geval




4.17.
Tussen partijen is (onder meer) in geschil of het aangaan van de overeenkomst voor Afnemer een onaanvaardbaar zware financiële met zich bracht. Tussen partijen is in het bijzonder in geschil of Afnemer ziektekosten onder factor D mocht meenemen in de berekening.



factor D ziektekosten




4.18.
Afnemer heeft onder verwijzing naar het door hem overgelegde Biljet van Proces over het jaar 2000 in zijn (toelichting op de) berekening een bedrag van € 701,35 aan ziektekosten opgenomen. Afnemer is van mening dat in de Hof-formule met een bedrag aan bijzondere lasten, te weten ziektekosten, rekening moet worden gehouden. Dexia betwist dit. Zij stelt dat onder de Hof-formule geen ruimte is voor factor D en dat Afnemer ook nalaat te bewijzen dat het hier om structurele uitgaven voor ziektekosten gaat.



4.19.
De kantonrechter overweegt als volgt. Dexia heeft terecht aangevoerd dat in de Hof-formule geen factor D is begrepen. Dat neemt echter niet weg dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last op grond van het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4012) alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte in aanmerking moeten worden genomen. Verder heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978) reeds overwogen dat de inkomens- en vermogenspositie van een afnemer door een Biljet van een Proces kan worden bewezen, behoudens te leveren tegenbewijs. Uit het hiervoor genoemde Biljet van een Proces blijkt dat de Belastingdienst de door Afnemer opgevoerde ziektekosten als bijzondere last heeft aangemerkt. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat deze lasten destijds daadwerkelijk op het besteedbaar inkomen van Afnemer hebben gedrukt.



4.20.
Met betrekking tot de overeenkomst volgt uit het voorgaande dat wel sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last als gevolg van het aangaan daarvan. Omdat Dexia desondanks met Afnemer de overeenkomst is aangegaan, heeft zij ten opzichte van Afnemer onrechtmatig gehandeld. De door Afnemer gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen.



de consequenties voor de verdeling van de (resterende) schade.




4.21.
Uit het voorgaande volgt dat zowel de resterende schade wegens verschuldigde termijnen als de resterende schade wegens restschuld voor 1/3e deel voor rekening van Afnemer blijft.



wat elke partij nog aan de andere partij verschuldigd is




4.22.
Nu de overeenkomst niet rechtsgeldig is vernietigd of ontbonden zal Afnemer aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen. Anderzijds zal Dexia de resterende schade dienen te vergoeden die volgens het bovenstaande voor haar rekening komt.


4.23.
Op grond van het voorgaande en de door Dexia overgelegde financiële gegevens van de overeenkomst zullen partijen in staat zijn te berekenen:


wat de schade is aan verschuldigde termijnen en restschuld;


wat de in mindering te brengen voordelen zijn (inclusief eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten) en wat na aftrek daarvan aan schade resteert;


of, en zo ja tot welk bedrag, Afnemer een resterende schade wegens termijnen en wegens restschuld moet dragen;


wat Afnemer op grond van nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit de overeenkomst in totaal aan Dexia verschuldigd is.





4.24.
Afnemer heeft in verband met de overeenkomst jegens Dexia aanspraak op schadevergoeding, bestaande uit hetgeen Afnemer méér aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen en verminderd met een (eventueel) reeds door Dexia betaalde schadevergoeding (exclusief wettelijke rente).



wettelijke rente




4.25.

Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door Dexia verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910).

buitengerechtelijke kosten




4.26.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.



vorderingen Dexia
4.27. Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.




proceskosten




4.28.
Nu Afnemer inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van Afnemer gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van Afnemer in conventie worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 720,00 (2½ x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 1.098,47





5De beslissing


De kantonrechter:




in conventie




5.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld;



5.2.
verklaart voor recht dat ten aanzien van de overeenkomst met het contractnummer 76100614 sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last;



5.3.
veroordeelt Dexia aan Afnemer te betalen het bedrag dat Dexia volgens r.o. 4.24. nog verschuldigd is aan Afnemer, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf het moment dat alle voordeel is verrekend en met toepassing van de uitgangspunten als geformuleerd in r.o. 4.25. tot de dag van algehele voldoening;



5.4.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 1.098,47, te betalen binnen veertien (14) dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;



5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie





5.7.
wijst de vorderingen af,



5.8.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van Afnemer gevallen, tot op heden begroot op nihil.


Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2026.









In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).