Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24894
2026-07-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.14531
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel, procesbelang, met onbekende bestemming, beroep niet-ontvankelijk.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10815 Rechtbank Den Haag 07-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:2662 Raad van State 01-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:3068 Raad van State 31-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:3237 Raad van State 08-08-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:3451 Raad van State 26-08-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4049 Raad van State 09-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4333 Raad van State 28-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:2762 Raad van State 20-06-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.703 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14531
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P.P. Jans).
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Bij brief van 10 november 2025 is de behandeling van de zaak op zitting op 13 november 2025 uitgesteld tot op een nader te bepalen datum in afwachting van de uitspraak door de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats over het nieuwe landenbeleid inzake Jemen.
1.3.
Bij brief van 21 april 2026 heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op zitting op 25 juni 2026.
1.4.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft op 11 mei 2026 meegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 1 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank op 9 juni 2026 vragen gesteld aan de gemachtigde van eiser. Op 15 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat de huidige verblijfplaats van eiser onbekend is. Eiser heeft voor het laatst op 2 april 2026 contact opgenomen met zijn gemachtigde, waarna er geen sprake meer is geweest van contact vanuit zijn kant.
3. Uit vaste rechtspraak blijkt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, maar wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde, hij in beginsel geacht moet worden belang te hebben bij het door hem ingestelde rechtsmiddel. Dit is alleen anders als er voldoende concrete aanknopingspunten zijn dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Een vreemdeling heeft dus belang bij het beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de melding vrijwillig/zelfstandig vertrek blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft tevens geoordeeld dat het niet aan de vreemdeling of de gemachtigde is om uit eigen beweging informatie te verstrekken over de aard of de frequentie van hun contact, maar dat de rechtbank dus eerst bij de gemachtigde navraag moet doen naar de relevante feiten en omstandigheden alvorens te concluderen of het procesbelang ontbreekt.
3.1.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 7 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10815.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRVS) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, rechtsoverweging 2.7 en 2.8. Herhaald in de uitspraken van 31 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3068 en 3073), 8 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3237), 26 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3451), 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4049), 28 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4333) en 20 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2762).
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14531
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P.P. Jans).
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Bij brief van 10 november 2025 is de behandeling van de zaak op zitting op 13 november 2025 uitgesteld tot op een nader te bepalen datum in afwachting van de uitspraak door de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats over het nieuwe landenbeleid inzake Jemen.
1.3.
Bij brief van 21 april 2026 heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op zitting op 25 juni 2026.
1.4.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft op 11 mei 2026 meegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 1 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank op 9 juni 2026 vragen gesteld aan de gemachtigde van eiser. Op 15 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat de huidige verblijfplaats van eiser onbekend is. Eiser heeft voor het laatst op 2 april 2026 contact opgenomen met zijn gemachtigde, waarna er geen sprake meer is geweest van contact vanuit zijn kant.
3. Uit vaste rechtspraak blijkt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, maar wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde, hij in beginsel geacht moet worden belang te hebben bij het door hem ingestelde rechtsmiddel. Dit is alleen anders als er voldoende concrete aanknopingspunten zijn dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Een vreemdeling heeft dus belang bij het beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de melding vrijwillig/zelfstandig vertrek blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft tevens geoordeeld dat het niet aan de vreemdeling of de gemachtigde is om uit eigen beweging informatie te verstrekken over de aard of de frequentie van hun contact, maar dat de rechtbank dus eerst bij de gemachtigde navraag moet doen naar de relevante feiten en omstandigheden alvorens te concluderen of het procesbelang ontbreekt.
3.1.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 7 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10815.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRVS) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, rechtsoverweging 2.7 en 2.8. Herhaald in de uitspraken van 31 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3068 en 3073), 8 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3237), 26 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3451), 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4049), 28 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4333) en 20 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2762).