Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24890

2026-08-28 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.48536
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.48536
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring art. 59 Vw. Eiser zat op moment van inbewaringstelling al meer dan zes maanden vast (vreemdelingenbewaring – strafdetentie – vreemdelingenbewaring). In dat geval is een kenbare verzwaarde belangenafweging vereist, waarvan in dit geval niet is gebleken. Beroep gegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.755 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.48536


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is vanaf aanvang onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 23 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Mourabit als tolk en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader


3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring


4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat.


4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

5. Eiser heeft voorafgaand aan de maatregel van vreemdelingenbewaring van 30 juni 2026 tot en met 22 augustus 2026 in strafrechtelijke detentie gezeten. Eiser heeft daarvóór van 12 februari 2026 tot en met 30 juni 2026 op verschillende wettelijke grondslagen in vreemdelingenbewaring gezeten. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de minister in een dergelijk geval na ommekomst van een termijn van zes maanden een kenbare verzwaarde belangenafweging dient te maken.



5.1.
De rechtbank constateert dat de minister in de maatregel geen verzwaarde belangenafweging heeft opgenomen, terwijl eiser op het moment van de inbewaringstelling al meer dan zes maanden aaneengesloten in detentie zat. Uit het dossier blijkt ook niet dat de minister op een ander moment een voor eiser kenbare en toetsbare verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt. Dat in de maatregel wel melding is gemaakt van het aantal maanden dat eiser in detentie zit acht de rechtbank onvoldoende. Onder verwijzing naar het arrest Aroja heeft de minister hierover immers enkel overwogen dat eiser niet zes maanden grond van de Terugkeerrichtlijn in vreemdelingenbewaring heeft gezeten. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek, op grond waarvan de maatregel vanaf aanvang onrechtmatig moet worden geacht.


6. Eisers beroepsgrond dat de aan de bewaring voorafgaande ophouding op grond van artikel 50 van de Vw niet op grond van het vierde lid kon worden verlengd, slaagt ook. Verlenging op grond van het vierde lid is immers alleen mogelijk als er nog grond bestaat voor het vermoeden dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft. Daar was in eisers geval geen sprake van, omdat gedurende de eerste zes uren van de ophouding al was vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf had. Overigens heeft de minister ook niet gespecificeerd of eiser op grond van het tweede of het derde lid is opgehouden, ook dat is een gebrek. Aan eiser zal daarom ook schadevergoeding worden toegekend voor de onrechtmatige (verlenging van de) ophouding.





Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag. Verder is de rechtbank van oordeel dat ook de aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande ophouding onrechtmatig was. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 2 dagen onrechtmatige ophouding (2 x € 160,-) en zes dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 5 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.080,-.

9. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.



Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.080,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 28 augustus 2026;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


Zie onder meer de uitspraak van 21 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2831.


ECLI:EU:C:2026:148.