Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24830

2026-07-31 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/707770 / JE RK 26-1111
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/707770 / JE RK 26-1111
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.024 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Jeugd- en Zorgrecht



Zaaknummer: C/09/707770 / JE RK 26-1111
Datum uitspraak: 31 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juni 2026;
- het gezinsplan van de gecertificeerde instelling, ontvangen op 25 juni 2026.



1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:



[naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;


de moeder;


de vader, ondersteund door een tolk.





1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.


2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.3.

[minderjarige] woont bij de vader.


2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 4 augustus 2026.





3Het verzoek


3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] wordt nog altijd blootgesteld aan spanningen en conflicten tussen zijn ouders. De afgelopen jaren is middels diverse hulpverleningstrajecten, het stellen van voorwaarden aan de ouders en het geven van schriftelijke aanwijzingen geprobeerd invloed uit te oefenen op de houding en het gedrag van de ouders en de wijze waarop zij (gezags)beslissingen over [minderjarige] nemen. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn inmiddels grotendeels behaald. Met [minderjarige] gaat het op veel vlakken goed en hij ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. Toch vindt de gecertificeerde instelling een verlenging van de ondertoezichtstelling nog noodzakelijk. Hoewel er voor [minderjarige] inmiddels duidelijkheid bestaat over de meeste (praktische) zaken tot zijn meerderjarigheid en hij zich beter staande kan houden tussen zijn ouders, ervaart hij nog altijd spanning en onzekerheid over reizen naar het buitenland. [minderjarige] maakt zich nog steeds zorgen of de moeder tijdig en onvoorwaardelijk toestemming zal verlenen voor deze reizen. Voor [minderjarige] zijn deze reizen van wezenlijk belang, omdat een groot deel van zijn familie in het buitenland woont. De gecertificeerde instelling meent dat [minderjarige] hierin niet aan zijn lot overgelaten kan worden. De verlenging van de ondertoezichtstelling zou dan ook specifiek gericht moeten zijn op het wegnemen van deze resterende onzekerheid. Dit past binnen het kader van de ondertoezichtstelling, omdat [minderjarige] op dit punt nog altijd in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast is het belangrijk dat gemonitord wordt of het goed met [minderjarige] blijft gaan, onder meer door het voortzetten van de inmiddels gestarte begeleiding van [hulpverlener] .





4De standpunten


4.1.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder ziet geen meerwaarde in een verlenging van de ondertoezichtstelling. Het gaat goed met [minderjarige] . Er is geen actieve betrokkenheid van de jeugdbeschermer en er wordt ook geen hulpverlening voor het gezin ingezet. De ondertoezichtstelling is niet bedoeld voor het regelen van toestemming voor buitenlandse reizen. Bovendien geeft de moeder aan dat de zorgen over het verlenen van toestemming onterecht zijn. De moeder merkt dat de ondertoezichtstelling alleen maar belastend is voor [minderjarige] . De rechtszaken zorgen voor spanning en daarnaast blijft [minderjarige] het gevoel houden in twee kampen te zitten.



4.2.
De vader heeft ingestemd met het verzoek. De vader vindt het belangrijk dat hij en [minderjarige] tot zijn meerderjarigheid kunnen terugvallen op de ondersteuning en begeleiding van de jeugdbeschermer. Het lukt de ouders al jaren niet om onderling tot afspraken te komen en de vader verwacht niet dat dit nog zal veranderen. Met name de toestemming voor buitenlandse reizen zorgt voor veel spanning en onrust bij [minderjarige] . De vader benadrukt dat de moeder van alle belangrijke zaken op de hoogte wordt gehouden door de vader, de jeugdbeschermer of [minderjarige] zelf.





5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat nog aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.



5.2.

De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Het is positief dat het op veel vlakken goed gaat met [minderjarige] . Hij heeft zijn diploma behaald, gaat na de zomervakantie starten met een mbo-opleiding. Dat neemt niet weg dat de zorgen over zijn ontwikkeling nog niet volledig zijn weggenomen. [minderjarige] heeft al het nodige meegemaakt in zijn leven.
Hij is na de scheiding van zijn ouders structureel blootgesteld aan spanningen en conflicten. Het lukt de ouders nog altijd niet voldoende om constructief met elkaar in gesprek te gaan en gezamenlijk (gezags)beslissingen over [minderjarige] te nemen. Hoewel de meeste (gezags)beslissingen inmiddels genomen zijn, blijven buitenlandse reizen een heikel punt.
In het kindgesprek dat [minderjarige] met de kinderrechter heeft gevoerd, heeft hij duidelijk aangegeven hier veel onrust en onvoorspelbaarheid door te ervaren. Ook heeft hij aangegeven behoefte te hebben aan een langere betrokkenheid van de jeugdbeschermer, die de ouders hierin kan aansturen en waar nodig juridisch actie kan ondernemen. De kinderrechter ziet daarnaast nog als taak voor de jeugdbeschermer het monitoren van het traject van [minderjarige] bij [hulpverlener] . [minderjarige] heeft baat bij dit traject en het is daarom noodzakelijk dat dit gecontinueerd wordt. Gelet op het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds noodzakelijk is. De kinderrechter zal het verzoek dan ook toewijzen voor de verzochte duur van een jaar.




5.3.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 4 augustus 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026 door
mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 11 augustus 2026.


Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.