Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24827
2026-07-31
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/709578 / JE RK 26-1290
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.083 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709578 / JE RK 26-1290
Datum uitspraak: 31 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. B.S. van Haeften uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
hierna tezamen te noemen: de ouders,
beiden wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bij beschikking van 21 juli 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling van 21 juli 2026 tot 4 augustus 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt nu ook de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 21 juli 2026;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 25 juli 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] namens de Raad;
[minderjarige] , bijgestaan door haar advocaat;
de moeder;
de vader;
[naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter, in het bijzijn van haar advocaat. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
[minderjarige] verblijft op een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, te weten bij [instelling 1] .
2.2.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 21 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een (spoed)machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De Raad heeft ernstige zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] . Er is sprake van een structureel en herhalend patroon van zich onttrekken aan afspraken, sterke beïnvloeding door haar sociale netwerk en risicovol gedrag, waaronder weglopen, middelengebruik en het opzoeken van onveilige (seksuele) contacten. Ook doet [minderjarige] aan zelfbeschadiging en heeft zij soms depressieve gedachten. Op 22 juni 2026 is zij vrijwillig uit huis geplaatst bij een crisisgroep van [instelling 2] omdat het thuis niet langer ging. Ook hier hield zij zich echter niet aan de regels en liep zij veelvuldig weg. Op 9 juli 2026 is zij daarom overgeplaatst naar [instelling 3] . Daar zijn de zorgen verder toegenomen. Op 20 juli 2026 is zij weggelopen van de groep en heeft zij overnacht in Amsterdam. In eerste instantie hield zij nog wel contact met de begeleiding, maar daar is zij op 21 juli 2026 mee gestopt. Haar verblijfplaats kon daardoor niet langer worden vastgesteld, waarna zij als vermist is opgegeven. Zowel de lange betrokkenheid van ambulante hulpverlening als de vrijwillige uithuisplaatsing in een open kader hebben er niet voor gezorgd dat het gedrag verandert. De enige plek waar haar veiligheid op dit moment gewaarborgd kan worden is op een gesloten groep. De Raad is verder van mening dat er een jeugdbeschermer nodig is die samen met de ouders beslissingen kan nemen in het belang van [minderjarige] .
4De standpunten
4.1.
[minderjarige] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Hoewel [minderjarige] begrijpt dat anderen zich zorgen maken, benadrukt zij dat de zorgen niet zo groot zijn. Een deel van de zorgen ziet op normaal pubergedrag. [minderjarige] is goed in staat risico’s in te schatten en zij weet dan ook wanneer situaties gevaarlijk zijn. Dat neemt niet weg dat [minderjarige] inziet dat zij dingen anders had kunnen aanpakken en beter in contact had moeten blijven met haar ouders en de begeleiders op de open groepen. [minderjarige] meent dat een gesloten plaatsing niet noodzakelijk is. Een gesloten plaatsing is een zeer ingrijpende maatregel en zij vindt het niet fijn bij [instelling 1] . [minderjarige] begrijpt dat zij op dit moment nog niet terug kan naar de ouders. [minderjarige] wil graag terug naar een open groep, bijvoorbeeld naar [instelling 4] in Amsterdam of een andere open groep (behalve de [instelling 3] ), zodat zij kan laten zien dat zij zich wel aan regels kan houden. [minderjarige] verzoekt dan ook primair om het verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt [minderjarige] de termijn te bekorten maar in elk geval de opdracht te geven aan de gecertificeerde instelling dat wordt toegewerkt naar een overplaatsing naar een passende open plek.
4.2.
De ouders hebben ingestemd met het verzoek. Hoewel de ouders het graag anders zouden zien, menen zij dat een gesloten plaatsing op dit moment de enige optie is om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. Zowel in de thuissituatie als op een open groep lukte dat niet. [minderjarige] hield zich niet aan de afspraken en was soms nachtenlang weg. De komende tijd moet er een behandelplan worden opgesteld, zodat uiteindelijk kan worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] .
4.3.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat er al een vaste jeugdbeschermer betrokken is. Het is belangrijk dat [minderjarige] eerst tot rust komt op [instelling 1] waarna in overleg met [instelling 1] gekeken worden welk traject passend is voor [minderjarige] .
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] . [minderjarige] is zelfbepalend in haar gedrag, houdt zich niet aan gemaakte afspraken en laat zich onvoldoende begrenzen. Zij loopt veelvuldig weg, waarbij zij volledig uit het zicht raakt. Hiermee brengt zij zichzelf in (potentieel) gevaarlijke situaties, die naar het oordeel van de kinderrechter echt veel verder gaan dan situaties van normaal pubergedrag. Daarnaast zijn er zorgen over de sociale contacten van [minderjarige] , waarbij er mogelijk sprake is van negatieve beïnvloeding. Ook zijn er zorgen over het psychische welzijn van [minderjarige] . Eerder ingezette ambulante hulpverlening alsmede de vrijwillige uithuisplaatsing van [minderjarige] op een open groep, hebben onvoldoende effect gehad. [minderjarige] lijkt het belang van zich aan (veiligheids)afspraken houden nog niet helemaal in te zien.
De ouders hebben op dit moment geen grip op [minderjarige] en zijn niet in staat haar te begrenzen en haar veiligheid te waarborgen. Het is geen optie om [minderjarige] op dit moment terug te laten keren naar huis of naar een nieuwe open groep. Er is nog geen behandeling ingezet en de kans is groot dat zij zich weer aan het toezicht zal onttrekken en op die manier in gevaarlijke situaties zal belanden. Gelet op de forse zorgen die er zijn vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer bij [minderjarige] betrokken blijft. De jeugdbeschermer moet toezicht houden op de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] en moet ervoor zorgen dat de juiste hulpverlening voor [minderjarige] én de ouders wordt ingezet. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat een voortzetting van de gesloten plaatsing noodzakelijk is. [minderjarige] heeft duidelijke kaders en structuur nodig en dat kan haar binnen de gesloten jeugdzorg geboden worden. De kinderrechter vindt de verzochte duur passend en geboden, omdat [minderjarige] eerst tot rust moet komen binnen de gesloten setting waarna er pas gestart kan worden met een behandeltraject waarin ook aandacht is voor de gezinssystematiek. De kinderrechter zal het verzoek dan ook toewijzen als verzocht.
5.3.
De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 4 augustus 2026 tot 21 oktober 2026;
6.2.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 augustus 2026 tot 21 oktober 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026 door
mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 11 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709578 / JE RK 26-1290
Datum uitspraak: 31 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. B.S. van Haeften uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
hierna tezamen te noemen: de ouders,
beiden wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bij beschikking van 21 juli 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling van 21 juli 2026 tot 4 augustus 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt nu ook de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 21 juli 2026;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 25 juli 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] namens de Raad;
[minderjarige] , bijgestaan door haar advocaat;
de moeder;
de vader;
[naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter, in het bijzijn van haar advocaat. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
[minderjarige] verblijft op een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, te weten bij [instelling 1] .
2.2.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 21 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een (spoed)machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De Raad heeft ernstige zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] . Er is sprake van een structureel en herhalend patroon van zich onttrekken aan afspraken, sterke beïnvloeding door haar sociale netwerk en risicovol gedrag, waaronder weglopen, middelengebruik en het opzoeken van onveilige (seksuele) contacten. Ook doet [minderjarige] aan zelfbeschadiging en heeft zij soms depressieve gedachten. Op 22 juni 2026 is zij vrijwillig uit huis geplaatst bij een crisisgroep van [instelling 2] omdat het thuis niet langer ging. Ook hier hield zij zich echter niet aan de regels en liep zij veelvuldig weg. Op 9 juli 2026 is zij daarom overgeplaatst naar [instelling 3] . Daar zijn de zorgen verder toegenomen. Op 20 juli 2026 is zij weggelopen van de groep en heeft zij overnacht in Amsterdam. In eerste instantie hield zij nog wel contact met de begeleiding, maar daar is zij op 21 juli 2026 mee gestopt. Haar verblijfplaats kon daardoor niet langer worden vastgesteld, waarna zij als vermist is opgegeven. Zowel de lange betrokkenheid van ambulante hulpverlening als de vrijwillige uithuisplaatsing in een open kader hebben er niet voor gezorgd dat het gedrag verandert. De enige plek waar haar veiligheid op dit moment gewaarborgd kan worden is op een gesloten groep. De Raad is verder van mening dat er een jeugdbeschermer nodig is die samen met de ouders beslissingen kan nemen in het belang van [minderjarige] .
4De standpunten
4.1.
[minderjarige] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Hoewel [minderjarige] begrijpt dat anderen zich zorgen maken, benadrukt zij dat de zorgen niet zo groot zijn. Een deel van de zorgen ziet op normaal pubergedrag. [minderjarige] is goed in staat risico’s in te schatten en zij weet dan ook wanneer situaties gevaarlijk zijn. Dat neemt niet weg dat [minderjarige] inziet dat zij dingen anders had kunnen aanpakken en beter in contact had moeten blijven met haar ouders en de begeleiders op de open groepen. [minderjarige] meent dat een gesloten plaatsing niet noodzakelijk is. Een gesloten plaatsing is een zeer ingrijpende maatregel en zij vindt het niet fijn bij [instelling 1] . [minderjarige] begrijpt dat zij op dit moment nog niet terug kan naar de ouders. [minderjarige] wil graag terug naar een open groep, bijvoorbeeld naar [instelling 4] in Amsterdam of een andere open groep (behalve de [instelling 3] ), zodat zij kan laten zien dat zij zich wel aan regels kan houden. [minderjarige] verzoekt dan ook primair om het verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt [minderjarige] de termijn te bekorten maar in elk geval de opdracht te geven aan de gecertificeerde instelling dat wordt toegewerkt naar een overplaatsing naar een passende open plek.
4.2.
De ouders hebben ingestemd met het verzoek. Hoewel de ouders het graag anders zouden zien, menen zij dat een gesloten plaatsing op dit moment de enige optie is om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. Zowel in de thuissituatie als op een open groep lukte dat niet. [minderjarige] hield zich niet aan de afspraken en was soms nachtenlang weg. De komende tijd moet er een behandelplan worden opgesteld, zodat uiteindelijk kan worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] .
4.3.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat er al een vaste jeugdbeschermer betrokken is. Het is belangrijk dat [minderjarige] eerst tot rust komt op [instelling 1] waarna in overleg met [instelling 1] gekeken worden welk traject passend is voor [minderjarige] .
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] . [minderjarige] is zelfbepalend in haar gedrag, houdt zich niet aan gemaakte afspraken en laat zich onvoldoende begrenzen. Zij loopt veelvuldig weg, waarbij zij volledig uit het zicht raakt. Hiermee brengt zij zichzelf in (potentieel) gevaarlijke situaties, die naar het oordeel van de kinderrechter echt veel verder gaan dan situaties van normaal pubergedrag. Daarnaast zijn er zorgen over de sociale contacten van [minderjarige] , waarbij er mogelijk sprake is van negatieve beïnvloeding. Ook zijn er zorgen over het psychische welzijn van [minderjarige] . Eerder ingezette ambulante hulpverlening alsmede de vrijwillige uithuisplaatsing van [minderjarige] op een open groep, hebben onvoldoende effect gehad. [minderjarige] lijkt het belang van zich aan (veiligheids)afspraken houden nog niet helemaal in te zien.
De ouders hebben op dit moment geen grip op [minderjarige] en zijn niet in staat haar te begrenzen en haar veiligheid te waarborgen. Het is geen optie om [minderjarige] op dit moment terug te laten keren naar huis of naar een nieuwe open groep. Er is nog geen behandeling ingezet en de kans is groot dat zij zich weer aan het toezicht zal onttrekken en op die manier in gevaarlijke situaties zal belanden. Gelet op de forse zorgen die er zijn vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer bij [minderjarige] betrokken blijft. De jeugdbeschermer moet toezicht houden op de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] en moet ervoor zorgen dat de juiste hulpverlening voor [minderjarige] én de ouders wordt ingezet. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat een voortzetting van de gesloten plaatsing noodzakelijk is. [minderjarige] heeft duidelijke kaders en structuur nodig en dat kan haar binnen de gesloten jeugdzorg geboden worden. De kinderrechter vindt de verzochte duur passend en geboden, omdat [minderjarige] eerst tot rust moet komen binnen de gesloten setting waarna er pas gestart kan worden met een behandeltraject waarin ook aandacht is voor de gezinssystematiek. De kinderrechter zal het verzoek dan ook toewijzen als verzocht.
5.3.
De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 4 augustus 2026 tot 21 oktober 2026;
6.2.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 augustus 2026 tot 21 oktober 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026 door
mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 11 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).