Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24826

2026-07-31 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/707926 / JE RK 26-1120
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/707926 / JE RK 26-1120
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.426 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Jeugd- en Zorgrecht



Zaaknummer: C/09/707926 / JE RK 26-1120
Datum uitspraak: 31 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,





[de pleegmoeder]
,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 juni 2026;
- het toetsingsadvies van de Raad voor de Kinderbescherming van 15 juli 2026.



1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:



[naam] namens de gecertificeerde instelling;


de vader, vergezeld door zijn partner;


de pleegmoeder.





1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.








2De feiten


2.1.
De moeder van [minderjarige] , [de moeder] , is overleden op [datum] 2020.



2.2.
Bij beschikking van 30 september 2020 heeft de rechtbank Den Haag de vader benoemd tot voogd over [minderjarige] .



2.3.

[minderjarige] woont bij de pleegmoeder.



2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 augustus 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.





3Het verzoek


3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er zijn nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft een belast verleden en heeft nare gebeurtenissen meegemaakt met zowel de moeder als de vader. Er is nog altijd geen hulpverlening voor [minderjarige] gestart omdat eerst gewacht moest worden op vervangende toestemming van de kinderrechter. Bij beschikking van 5 juni 2026 heeft de kinderrechter vervangende toestemming verleend voor hulpverlening. [minderjarige] staat inmiddels op de wachtlijst bij [zorginstantie 1] , maar de wachtlijst kan oplopen tot negen maanden. Daarbij beoogt [zorginstantie 1] in te zetten op multisysteemtherapie, terwijl vanuit de gecertificeerde instelling is aangemeld voor individuele hulpverlening voor [minderjarige] . De gecertificeerde instelling gaat hier nog over in gesprek met [zorginstantie 1] , omdat het niet goed gaat met [minderjarige] en zij zelf ook behoefte heeft aan individuele behandeling. Het is duidelijk dat [minderjarige] niet terug kan naar de vader. De vader is sinds eind 2025 ernstig medisch beperkt, waardoor hij niet in staat is de verzorging en opvoeding te dragen. De vader en [minderjarige] hebben wel regelmatig telefonisch contact. Ook gaat [minderjarige] wel eens op bezoek en heeft zij een keer bij de vader gelogeerd. De vader heeft recent aangegeven dat logeren geen optie meer is. De gecertificeerde instelling heeft de afgelopen periode contact gehad met [zorginstantie 2] over een herbeoordeling van de pleegzorgscreening, maar [zorginstantie 2] heeft dat afgewezen. Wel is de WSGV bereid gevonden een nieuwe pleegzorgscreening uit te voeren, maar dit is nog niet gestart omdat er problemen waren met de financiering. Inmiddels is de financiering geregeld. De gecertificeerde instelling vindt het triest dat dit niet eerder is gelukt, omdat de pleegmoeder nu aangeeft geen draagkracht meer te hebben voor een langer verblijf van [minderjarige] bij haar. De gecertificeerde instelling heeft [minderjarige] al aangemeld voor andere plekken, maar er is nog geen zicht op een nieuwe plek in een gezinshuis of op een groep. Het heeft de voorkeur van de gecertificeerde instelling om [minderjarige] in een gezinshuis te plaatsen.







4De standpunten


4.1.
De vader heeft zich niet uitdrukkelijk uitgelaten over het verzoek. De vader is niet tevreden met de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling. [minderjarige] is er sinds de ondertoezichtstelling alleen maar slechter aan toe. Het is niet mogelijk dat [minderjarige] weer thuis komt wonen. De vader heeft zelf zorg nodig en is dus niet in staat voor [minderjarige] te zorgen.



4.2.
De pleegmoeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] niet langer bij haar kan blijven. De pleegmoeder heeft [minderjarige] de laatste jaren opgevangen. De pleegmoeder is daarbij onvoldoende (financieel) ondersteund. Ook is er nog altijd geen individuele hulpverlening voor [minderjarige] ingezet, terwijl zij dit wel nodig heeft. Verder krijgt de pleegmoeder van de kant van de familie van [minderjarige] weinig waardering voor haar inzet en wordt zij zelfs racistisch bejegend. De pleegmoeder is fysiek en mentaal op en er moet daarom met spoed een andere plek voor [minderjarige] gevonden worden.





5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] heeft een belast verleden waarin zij al het nodige heeft meegemaakt, waaronder het overlijden van haar moeder en steeds wisselende verblijfplekken. Daarnaast is er ook sprake (geweest) van een moeizame relatie tussen [minderjarige] en de vader en is de relatie tussen [minderjarige] en haar halfzus ernstig verstoord. Tot op heden is er geen individuele hulpverlening voor [minderjarige] ingezet, terwijl zij wel zichtbaar last heeft van alles wat zij heeft meegemaakt. Het is belangrijk dat deze hulp er zo snel mogelijk komt. De vader is niet in staat om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] met vrijwillige hulpverlening weg te nemen. Het is daarom noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling het komende jaar betrokken blijft om de noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] te regelen. Daarnaast moet de gecertificeerde instelling zicht houden op de ontwikkeling van [minderjarige] en zorgen dat zij de juiste begeleiding krijgt. Gelet op de forse zorgen die er zijn over het mentale welzijn van [minderjarige] , het feit dat zij weg zal moeten bij de pleegmoeder en gezien de verwachting dat de inzet van hulpverlening nog op zich laat wachten, zal de kinderrechter het verzoek tot de verlenging van de ondertoezichtstelling toewijzen voor de verzochte duur van een jaar.



5.2.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De vader is mede vanwege zijn medische beperkingen niet in staat de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. Dat ziet hij zelf ook in. Ter zitting is helaas duidelijk geworden dat [minderjarige] ook niet langer bij de pleegmoeder kan blijven wonen. De pleegmoeder heeft zich de afgelopen jaren tot het uiterste ingespannen om [minderjarige] de zorg en stabiliteit te bieden die zij nodig heeft, maar op dit moment is de draagkracht van de pleegmoeder dusdanig afgenomen dat zij dit niet meer kan opbrengen. De gecertificeerde instelling moet daarom met spoed op zoek naar een passende vervolgplek voor [minderjarige] . Aangezien er niet per direct een plek beschikbaar is en [minderjarige] niet op straat kan komen te staan, zal de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing voor korte termijn, zijnde voor drie maanden, verlengen. Dit biedt de gecertificeerde instelling de mogelijkheid om een andere plek voor [minderjarige] te zoeken. Het is vanwege de leeftijd van [minderjarige] belangrijk dat zij actief wordt meegenomen in die zoektocht. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen voor de duur van drie maanden en het verzoek voor het overige afwijzen.



5.3.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 5 augustus 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 5 november 2026;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;


6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026 door
mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 11 augustus 2026.







Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.


Artikel 1:265c, tweede lid, BW.


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.