Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24781
2026-07-31
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/686326 / FA RK 25-4173
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wijziging partneralimentatie. Wijziging van omstandigheden op basis van op de vrouw rustende inspanningsverplichting.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2026:1447 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.513 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4173
Zaaknummer: C/09/686326
Datum beschikking: 31 juli 2026
Wijziging partneralimentatie
Beschikking op het op 5 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.H. Evekink te Rotterdam, voorheen mr. R. Bagasrawalla te Nieuwegein.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.P.J. Frederiks te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens verzoekschrift;
het F9-formulier van 19 juni 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
het F9-formulier van 19 juni 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
het F9-formulier van 23 juni 2026 van de zijde van de man;
het F9-formulier van 23 juni 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
Op 3 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en mr. M.E.R. van Herpen en de vrouw met haar advocaat. Van de zijde van beide partijen zijn pleitnotities overgelegd.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man luidt nu:
de beschikking van 6 juni 2017 van deze rechtbank waarin de inhoud van het echtscheidingsconvenant is bekrachtigd, voor zover deze ziet op de partneralimentatie te wijzigen en te bepalen:
primair
dat de bijdrage die de man dient te voldoen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw wordt gewijzigd naar nihil, primair met ingang van 14 maart 2025, subsidiair met ingang van 28 mei 2025 en meer subsidiair met ingang van een datum die de rechtbank in goede justitie juist acht;
subsidiair
dat de bijdrage die de man dient te voldoen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw wordt gewijzigd naar € 354,- bruto per maand, primair met ingang van 14 maart 2025, subsidiair met ingang van 28 mei 2025 en meer subsidiair met ingang van een datum die de rechtbank in goede justitie juist acht;
meer subsidiair
dat de bijdrage die de man dient te voldoen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw wordt afgebouwd op de wijze zoals afgebeeld;
meest subsidiair
een (gewijzigde) bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van haar
levensonderhoud vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht
alsook de ingangsdatum te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist acht;
te bepalen dat de vrouw hetgeen zij te veel heeft ontvangen, dient terug te betalen aan de man, althans een beslissing te nemen ten aanzien van de terugbetaling zoals de rechtbank in goede justitie juist acht,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Zij verzoekt zelfstandig de man in de proceskosten van de procedure te veroordelen.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 1997 tot [datum 2] 2017.
- Zij zijn de ouders van de volgende meerderjarige kinderen:
- [meerderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 1999 te [geboorteplaats 1],
- [meerderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2002 te [geboorteplaats 2].
- Bij beschikking van deze rechtbank van 6 juni 2017 en bij convenant van 14 maart 2017 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is een door de man te betalen partneralimentatie vastgesteld van € 2.400,- per maand.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie sinds 1 januari 2026 € 3.269,95 per maand.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
De man beroept zich op een wijziging van omstandigheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 1:401 BW en stelt daartoe dat de vrouw niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan zoals zij overeen zijn gekomen in het echtscheidingsconvenant. De vrouw betwist dit en stelt dat de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek omdat dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van juni 2017. Zij stelt daartoe onder meer dat zij aan de op haar rustende inspanningsverplichting voldoet doordat zij inkomsten uit haar huurpanden genereert. Zij besteedt hier veel tijd aan en is daarnaast nog mantelzorger voor haar moeder en doet vrijwilligerswerk.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn in het echtscheidingsconvenant van 14 maart 2017 overeengekomen dat de behoefte van de vrouw € 3.596,- netto per maand bedraagt. Na aftrek van de huurinkomsten van de vrouw resteert een netto behoefte van € 1.520,- per maand. Hierbij is rekening gehouden met een bedrag van € 26.532,- aan netto huurinkomsten per jaar. De huurinkomsten van de vrouw zijn aldus verdisconteerd in de aanvullende behoefte van de vrouw. Daarnaast is in artikel 2.5 van het convenant bepaald: ‘Op de vrouw rust de inspanningsverplichting rust om zoveel mogelijk te voorzien in de eigen kosten van levensonderhoud.’ Hieruit volgt dat partijen destijds hebben afgesproken dat de vrouw zich – naast haar inkomsten uit huur – diende in te spannen om in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. De man heeft in deze procedure gemotiveerd gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden doordat de vrouw niet aan de op haar – op grond van voormelde bepaling in het convenant – rustende inspanningsverplichting voldoet.
De rechtbank zal daarom de man ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de overeenkomst.
Inhoudelijke beoordeling
Is er sprake van een relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW?
Zoals hiervoor reeds overwogen, volgt uit de bepalingen in het echtscheidingsconvenant d.d. 14 maart 2017 dat partijen destijds hebben afgesproken dat de vrouw zich – naast haar inkomsten uit huur – diende in te spannen om in haar eigen behoefte te kunnen voorzien.
Daarnaast kan ook naar algemene maatschappelijke normen van de vrouw verwacht worden dat zij verantwoordelijkheid neemt om – naarmate de jaren na de echtscheiding verstrijken – probeert in haar eigen levensonderhoud te voorzien (ECLI:NL:GHARL:2026:1447, r.o. 5.5.).
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een wijziging van omstandigheden zoals de man aanvoert. De situatie van partijen is gewijzigd doordat, als gevolg van tijdsverloop, sprake is van een toenemende inspanningsverplichting aan de kant van de vrouw om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en de vrouw heeft niet aan die inspanningsverplichting voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Partijen zijn twintig jaar getrouwd geweest. Tijdens het huwelijk is de man de kostwinner geweest en de vrouw heeft het grootste deel van het huwelijk niet gewerkt. De vrouw heeft sinds 2002 geen betaald werk meer verricht. Volgens de vrouw voldoet zij aan de op haar rustende inspanningsverplichting doordat zij inkomsten uit haar huurpanden genereert. Zij besteedt hier veel tijd aan en is daarnaast nog mantelzorger voor haar moeder en doet vrijwilligerswerk. Dit is echter geen betaald werk en de door de vrouw aangevoerde huurinkomsten zijn reeds verdisconteerd in haar behoefte. De rechtbank weegt hierbij niet alleen de huidige situatie van de vrouw mee, maar ook hetgeen zij heeft gedaan vanaf de periode van uiteengaan van partijen in 2017 tot nu om in haar eigen levensonderhoud te kunnen gaan voorzien. Niet gebleken is dat de vrouw sinds 2017 enige serieuze inspanning heeft verricht om aan haar verplichting zoals neergelegd in het convenant te voldoen. Dat het moeilijk is voor haar vanwege de grote afstand tot de arbeidsmarkt en haar leeftijd om aan een goed betaalde baan te komen, doet er niet aan af dat zij zich hiervoor dient in te spannen. De vrouw heeft in de afgelopen jaren wel sporadisch inkomen gegenereerd op ZZP-basis, maar heeft dit nooit bij de man gemeld. Er is dus wel degelijk sprake van enige verdiencapaciteit bij de vrouw. Daarnaast heeft zij in de periode van januari 2022 tot mei 2024 trainingen op IT-gebied gevolgd. Gesteld noch gebleken is dat zij heeft gesolliciteerd of gezocht naar betaald werk dat daarbij aansluit.
Ingangsdatum en perioden
De rechtbank ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum te bepalen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum, waarbij in het algemeen geldt dat een rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik moet maken.
De man heeft primair verzocht de partneralimentatie te wijzigen per 14 maart 2025, subsidiair met ingang van 28 mei 2025 en meer subsidiair met ingang van een datum die de rechtbank in goede justitie juist acht. De rechtbank zal de eventuele wijziging van de bijdrage aan partneralimentatie vaststellen met ingang van datum van deze beschikking, te weten per 1 augustus 2026. Hoewel de vrouw eerder wetenschap had van het verzoek van de man, heeft partneralimentatie een consumptief karakter.
De rechtbank ziet, evenals de man, aanleiding om een afbouwregeling vast te stellen. Gelet op haar leeftijd en afstand tot de arbeidsmarkt vindt de rechtbank het redelijk om er niet van uit te gaan dat de vrouw direct in staat zal zijn om 100% van het minimumloon te verdienen. Het is wel redelijk om ervan uit te gaan dat zij hiertoe, volgens een opbouwschema in twee stappen, binnen twee jaar na heden in staat zal zijn.
De rechtbank zal de uitwerking hiervan hieronder toelichten. Omdat de tarieven en inkomensgegevens voor 2027 en 2028 nu nog niet bekend zijn zal de rechtbank rekenen met de bekende tarieven en inkomensgegevens van 2026.
Verdiencapaciteit en behoeftigheid vrouw 1 augustus 2026 tot 1 augustus 2027
De rechtbank stelt vast dat de huwelijkse behoefte van de vrouw niet in geschil is. In het convenant is vastgelegd dat deze in 2017 € 3.596,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt dat afgerond € 4.899,- per maand.
Gelet op de leeftijd van de vrouw en haar afstand tot de arbeidsmarkt zal de rechtbank redelijkerwijs aannemen dat zij in de periode van 1 augustus 2026 tot 1 augustus 2027 in staat is om 20 uur in de week werkzaam te zijn tegen het huidige minimumloon. Partijen verschillen van mening over het precieze minimumloon. De rechtbank rekent met het minimumuurloon zoals weergegeven op de website van de Rijksoverheid. Dit bedraagt met ingang van 1 januari 2026 € 14,99 bruto per uur. Dit komt voor de vrouw neer op een verdiencapaciteit van € 300,- bruto per week. De rechtbank gaat daarom uit van een verdiencapaciteit van € 1.200,- bruto per maand.
Ten aanzien van de huurinkomsten heeft de vrouw op de zitting aangegeven dat hoogte hiervan de huurinkomsten sinds de echtscheiding fluctueerde, doch feitelijk minder bedroegen dan het bedrag zoals opgenomen in het convenant. De vrouw heeft een overzicht van haar huurinkomsten en -uitgaven van 2024 en 2025 in het geding gebracht. De man heeft de daarin opgenomen bedragen betwist en gesteld dat hij deze huurinkomsten niet kan verifiëren zonder onderliggende stukken. Ten aanzien van de huurinkomsten van 2024 heeft de vrouw afschriften van haar bankrekening in het geding gebracht. Voor 2025 heeft zij volstaan met een zelf opgesteld overzicht van de huurinkomsten. Van de kant van de vrouw is op de zitting aangegeven dat de huurinkomsten in het laatste jaar richting het bedrag gaan zoals in convenant is opgenomen. De rechtbank merkt allereerst op dat in dit kader alleen de meest recente huurinkomsten van de vrouw van belang zijn. Het had op de weg van de vrouw gelegen om daar onderliggende bewijsstukken van in het geding te brengen. Dit heeft zij nagelaten. De rechtbank gaat er daarom – en mede gelet op de opmerking ter zitting hierover van de kant van de vrouw – van uit dat de huurinkomsten van de vrouw gelijk zijn aan het bedrag waar in het convenant van uit is gegaan: € 26.532,- netto per jaar, oftewel € 2.211,- netto per maand. De rechtbank zal dit laatste bedrag in mindering brengen op de behoefte van de vrouw. De vastgestelde netto behoefte van € 4.899,- per maand minus de verdiencapaciteit en de huurinkomsten van de vrouw leidt tot een aanvullende behoefte € 1.511,- netto per maand. Dit is € 2.722,- bruto per maand. Deze bijdrage zal de rechtbank met ingang van 1 augustus 2026. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Verdiencapaciteit en behoeftigheid vrouw 1 augustus 2027 tot 1 augustus 2028
De rechtbank zal vanaf 1 augustus 2027 uitgaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van 30 uur per week tegen het minimumloon zoals nu bekend is, namelijk € 14,99 bruto per uur. Dit betekent dat de verdiencapaciteit van de vrouw vanaf dan neerkomt op circa € 450,- per week, te weten circa € 1.800,- bruto per maand.
Op de vastgestelde netto huwelijkse behoefte van € 4.899,- per maand worden de hiervoor gehanteerde huurinkomsten van € 2.211,- netto per maand in mindering gebracht. Dit leidt tot een netto aanvullende behoefte van € 940,- netto per maand. Dit bedraagt € 1.701,- bruto per maand. Deze bijdrage zal de rechtbank vaststellen per 1 augustus 2027. De rechtbank verwijst hiervoor tevens naar de aangehechte berekening.
Verdiencapaciteit en behoeftigheid vrouw vanaf 1 augustus 2028
De rechtbank zal vanaf 1 augustus 2028 uitgaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van 40 uur per week (100%) tegen het minimumloon zoals dit nu bekend is, namelijk € 14,99 bruto per uur. Dit betekent dat de verdiencapaciteit van de vrouw vanaf dan neerkomt op circa € 600,- per week, te weten circa € 2.400,- bruto per maand.
Op de vastgestelde netto huwelijkse behoefte van € 4.899,- per maand wordt de hiervoor gehanteerde huurinkomsten van € 2.211,- netto per maand in mindering gebracht. Dit leidt tot een netto aanvullende behoefte van € 440,- netto per maand. Dit bedraagt € 822,- bruto per maand. Deze bijdrage zal de rechtbank vaststellen met ingang van 1 augustus 2028. De rechtbank verwijst hiervoor tevens naar de aangehechte berekening.
Draagkracht man
De vrouw heeft aangevoerd dat de man zijn inkomensgegevens in het geding had moeten brengen. Dit heeft hij nagelaten. De rechtbank heeft echter de wijziging van omstandigheden aangenomen op basis van de op de vrouw rustende inspanningsverplichting en niet vanwege het ontbreken van draagkracht aan de zijde van de man. De man heeft ook niet aangevoerd dat zijn draagkracht een beperkende factor zou zijn. Dit komt daarom niet aan de orde en de rechtbank zal de bijdragen aan partneralimentatie zoals overwogen vastleggen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling in het echtscheidingsconvenant van 14 maart 2017, opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 6 juni 2017 –:
*
bepaalt de door de man met ingang van 1 augustus 2026 te betalen partneralimentatie op € 2.722,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt de door de man met ingang van 1 augustus 2027 te betalen partneralimentatie op € 1.701,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt de door de man met ingang van 1 augustus 2028 te betalen partneralimentatie op € 822,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 31 juli 2026.
Bedragen minimumloon 2026 | Rijksoverheid.nl
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4173
Zaaknummer: C/09/686326
Datum beschikking: 31 juli 2026
Wijziging partneralimentatie
Beschikking op het op 5 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.H. Evekink te Rotterdam, voorheen mr. R. Bagasrawalla te Nieuwegein.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.P.J. Frederiks te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens verzoekschrift;
het F9-formulier van 19 juni 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
het F9-formulier van 19 juni 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
het F9-formulier van 23 juni 2026 van de zijde van de man;
het F9-formulier van 23 juni 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
Op 3 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en mr. M.E.R. van Herpen en de vrouw met haar advocaat. Van de zijde van beide partijen zijn pleitnotities overgelegd.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man luidt nu:
de beschikking van 6 juni 2017 van deze rechtbank waarin de inhoud van het echtscheidingsconvenant is bekrachtigd, voor zover deze ziet op de partneralimentatie te wijzigen en te bepalen:
primair
dat de bijdrage die de man dient te voldoen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw wordt gewijzigd naar nihil, primair met ingang van 14 maart 2025, subsidiair met ingang van 28 mei 2025 en meer subsidiair met ingang van een datum die de rechtbank in goede justitie juist acht;
subsidiair
dat de bijdrage die de man dient te voldoen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw wordt gewijzigd naar € 354,- bruto per maand, primair met ingang van 14 maart 2025, subsidiair met ingang van 28 mei 2025 en meer subsidiair met ingang van een datum die de rechtbank in goede justitie juist acht;
meer subsidiair
dat de bijdrage die de man dient te voldoen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw wordt afgebouwd op de wijze zoals afgebeeld;
meest subsidiair
een (gewijzigde) bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van haar
levensonderhoud vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht
alsook de ingangsdatum te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist acht;
te bepalen dat de vrouw hetgeen zij te veel heeft ontvangen, dient terug te betalen aan de man, althans een beslissing te nemen ten aanzien van de terugbetaling zoals de rechtbank in goede justitie juist acht,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Zij verzoekt zelfstandig de man in de proceskosten van de procedure te veroordelen.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 1997 tot [datum 2] 2017.
- Zij zijn de ouders van de volgende meerderjarige kinderen:
- [meerderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 1999 te [geboorteplaats 1],
- [meerderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2002 te [geboorteplaats 2].
- Bij beschikking van deze rechtbank van 6 juni 2017 en bij convenant van 14 maart 2017 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is een door de man te betalen partneralimentatie vastgesteld van € 2.400,- per maand.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie sinds 1 januari 2026 € 3.269,95 per maand.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
De man beroept zich op een wijziging van omstandigheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 1:401 BW en stelt daartoe dat de vrouw niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan zoals zij overeen zijn gekomen in het echtscheidingsconvenant. De vrouw betwist dit en stelt dat de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek omdat dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van juni 2017. Zij stelt daartoe onder meer dat zij aan de op haar rustende inspanningsverplichting voldoet doordat zij inkomsten uit haar huurpanden genereert. Zij besteedt hier veel tijd aan en is daarnaast nog mantelzorger voor haar moeder en doet vrijwilligerswerk.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn in het echtscheidingsconvenant van 14 maart 2017 overeengekomen dat de behoefte van de vrouw € 3.596,- netto per maand bedraagt. Na aftrek van de huurinkomsten van de vrouw resteert een netto behoefte van € 1.520,- per maand. Hierbij is rekening gehouden met een bedrag van € 26.532,- aan netto huurinkomsten per jaar. De huurinkomsten van de vrouw zijn aldus verdisconteerd in de aanvullende behoefte van de vrouw. Daarnaast is in artikel 2.5 van het convenant bepaald: ‘Op de vrouw rust de inspanningsverplichting rust om zoveel mogelijk te voorzien in de eigen kosten van levensonderhoud.’ Hieruit volgt dat partijen destijds hebben afgesproken dat de vrouw zich – naast haar inkomsten uit huur – diende in te spannen om in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. De man heeft in deze procedure gemotiveerd gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden doordat de vrouw niet aan de op haar – op grond van voormelde bepaling in het convenant – rustende inspanningsverplichting voldoet.
De rechtbank zal daarom de man ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de overeenkomst.
Inhoudelijke beoordeling
Is er sprake van een relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW?
Zoals hiervoor reeds overwogen, volgt uit de bepalingen in het echtscheidingsconvenant d.d. 14 maart 2017 dat partijen destijds hebben afgesproken dat de vrouw zich – naast haar inkomsten uit huur – diende in te spannen om in haar eigen behoefte te kunnen voorzien.
Daarnaast kan ook naar algemene maatschappelijke normen van de vrouw verwacht worden dat zij verantwoordelijkheid neemt om – naarmate de jaren na de echtscheiding verstrijken – probeert in haar eigen levensonderhoud te voorzien (ECLI:NL:GHARL:2026:1447, r.o. 5.5.).
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een wijziging van omstandigheden zoals de man aanvoert. De situatie van partijen is gewijzigd doordat, als gevolg van tijdsverloop, sprake is van een toenemende inspanningsverplichting aan de kant van de vrouw om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en de vrouw heeft niet aan die inspanningsverplichting voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Partijen zijn twintig jaar getrouwd geweest. Tijdens het huwelijk is de man de kostwinner geweest en de vrouw heeft het grootste deel van het huwelijk niet gewerkt. De vrouw heeft sinds 2002 geen betaald werk meer verricht. Volgens de vrouw voldoet zij aan de op haar rustende inspanningsverplichting doordat zij inkomsten uit haar huurpanden genereert. Zij besteedt hier veel tijd aan en is daarnaast nog mantelzorger voor haar moeder en doet vrijwilligerswerk. Dit is echter geen betaald werk en de door de vrouw aangevoerde huurinkomsten zijn reeds verdisconteerd in haar behoefte. De rechtbank weegt hierbij niet alleen de huidige situatie van de vrouw mee, maar ook hetgeen zij heeft gedaan vanaf de periode van uiteengaan van partijen in 2017 tot nu om in haar eigen levensonderhoud te kunnen gaan voorzien. Niet gebleken is dat de vrouw sinds 2017 enige serieuze inspanning heeft verricht om aan haar verplichting zoals neergelegd in het convenant te voldoen. Dat het moeilijk is voor haar vanwege de grote afstand tot de arbeidsmarkt en haar leeftijd om aan een goed betaalde baan te komen, doet er niet aan af dat zij zich hiervoor dient in te spannen. De vrouw heeft in de afgelopen jaren wel sporadisch inkomen gegenereerd op ZZP-basis, maar heeft dit nooit bij de man gemeld. Er is dus wel degelijk sprake van enige verdiencapaciteit bij de vrouw. Daarnaast heeft zij in de periode van januari 2022 tot mei 2024 trainingen op IT-gebied gevolgd. Gesteld noch gebleken is dat zij heeft gesolliciteerd of gezocht naar betaald werk dat daarbij aansluit.
Ingangsdatum en perioden
De rechtbank ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum te bepalen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum, waarbij in het algemeen geldt dat een rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik moet maken.
De man heeft primair verzocht de partneralimentatie te wijzigen per 14 maart 2025, subsidiair met ingang van 28 mei 2025 en meer subsidiair met ingang van een datum die de rechtbank in goede justitie juist acht. De rechtbank zal de eventuele wijziging van de bijdrage aan partneralimentatie vaststellen met ingang van datum van deze beschikking, te weten per 1 augustus 2026. Hoewel de vrouw eerder wetenschap had van het verzoek van de man, heeft partneralimentatie een consumptief karakter.
De rechtbank ziet, evenals de man, aanleiding om een afbouwregeling vast te stellen. Gelet op haar leeftijd en afstand tot de arbeidsmarkt vindt de rechtbank het redelijk om er niet van uit te gaan dat de vrouw direct in staat zal zijn om 100% van het minimumloon te verdienen. Het is wel redelijk om ervan uit te gaan dat zij hiertoe, volgens een opbouwschema in twee stappen, binnen twee jaar na heden in staat zal zijn.
De rechtbank zal de uitwerking hiervan hieronder toelichten. Omdat de tarieven en inkomensgegevens voor 2027 en 2028 nu nog niet bekend zijn zal de rechtbank rekenen met de bekende tarieven en inkomensgegevens van 2026.
Verdiencapaciteit en behoeftigheid vrouw 1 augustus 2026 tot 1 augustus 2027
De rechtbank stelt vast dat de huwelijkse behoefte van de vrouw niet in geschil is. In het convenant is vastgelegd dat deze in 2017 € 3.596,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt dat afgerond € 4.899,- per maand.
Gelet op de leeftijd van de vrouw en haar afstand tot de arbeidsmarkt zal de rechtbank redelijkerwijs aannemen dat zij in de periode van 1 augustus 2026 tot 1 augustus 2027 in staat is om 20 uur in de week werkzaam te zijn tegen het huidige minimumloon. Partijen verschillen van mening over het precieze minimumloon. De rechtbank rekent met het minimumuurloon zoals weergegeven op de website van de Rijksoverheid. Dit bedraagt met ingang van 1 januari 2026 € 14,99 bruto per uur. Dit komt voor de vrouw neer op een verdiencapaciteit van € 300,- bruto per week. De rechtbank gaat daarom uit van een verdiencapaciteit van € 1.200,- bruto per maand.
Ten aanzien van de huurinkomsten heeft de vrouw op de zitting aangegeven dat hoogte hiervan de huurinkomsten sinds de echtscheiding fluctueerde, doch feitelijk minder bedroegen dan het bedrag zoals opgenomen in het convenant. De vrouw heeft een overzicht van haar huurinkomsten en -uitgaven van 2024 en 2025 in het geding gebracht. De man heeft de daarin opgenomen bedragen betwist en gesteld dat hij deze huurinkomsten niet kan verifiëren zonder onderliggende stukken. Ten aanzien van de huurinkomsten van 2024 heeft de vrouw afschriften van haar bankrekening in het geding gebracht. Voor 2025 heeft zij volstaan met een zelf opgesteld overzicht van de huurinkomsten. Van de kant van de vrouw is op de zitting aangegeven dat de huurinkomsten in het laatste jaar richting het bedrag gaan zoals in convenant is opgenomen. De rechtbank merkt allereerst op dat in dit kader alleen de meest recente huurinkomsten van de vrouw van belang zijn. Het had op de weg van de vrouw gelegen om daar onderliggende bewijsstukken van in het geding te brengen. Dit heeft zij nagelaten. De rechtbank gaat er daarom – en mede gelet op de opmerking ter zitting hierover van de kant van de vrouw – van uit dat de huurinkomsten van de vrouw gelijk zijn aan het bedrag waar in het convenant van uit is gegaan: € 26.532,- netto per jaar, oftewel € 2.211,- netto per maand. De rechtbank zal dit laatste bedrag in mindering brengen op de behoefte van de vrouw. De vastgestelde netto behoefte van € 4.899,- per maand minus de verdiencapaciteit en de huurinkomsten van de vrouw leidt tot een aanvullende behoefte € 1.511,- netto per maand. Dit is € 2.722,- bruto per maand. Deze bijdrage zal de rechtbank met ingang van 1 augustus 2026. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Verdiencapaciteit en behoeftigheid vrouw 1 augustus 2027 tot 1 augustus 2028
De rechtbank zal vanaf 1 augustus 2027 uitgaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van 30 uur per week tegen het minimumloon zoals nu bekend is, namelijk € 14,99 bruto per uur. Dit betekent dat de verdiencapaciteit van de vrouw vanaf dan neerkomt op circa € 450,- per week, te weten circa € 1.800,- bruto per maand.
Op de vastgestelde netto huwelijkse behoefte van € 4.899,- per maand worden de hiervoor gehanteerde huurinkomsten van € 2.211,- netto per maand in mindering gebracht. Dit leidt tot een netto aanvullende behoefte van € 940,- netto per maand. Dit bedraagt € 1.701,- bruto per maand. Deze bijdrage zal de rechtbank vaststellen per 1 augustus 2027. De rechtbank verwijst hiervoor tevens naar de aangehechte berekening.
Verdiencapaciteit en behoeftigheid vrouw vanaf 1 augustus 2028
De rechtbank zal vanaf 1 augustus 2028 uitgaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van 40 uur per week (100%) tegen het minimumloon zoals dit nu bekend is, namelijk € 14,99 bruto per uur. Dit betekent dat de verdiencapaciteit van de vrouw vanaf dan neerkomt op circa € 600,- per week, te weten circa € 2.400,- bruto per maand.
Op de vastgestelde netto huwelijkse behoefte van € 4.899,- per maand wordt de hiervoor gehanteerde huurinkomsten van € 2.211,- netto per maand in mindering gebracht. Dit leidt tot een netto aanvullende behoefte van € 440,- netto per maand. Dit bedraagt € 822,- bruto per maand. Deze bijdrage zal de rechtbank vaststellen met ingang van 1 augustus 2028. De rechtbank verwijst hiervoor tevens naar de aangehechte berekening.
Draagkracht man
De vrouw heeft aangevoerd dat de man zijn inkomensgegevens in het geding had moeten brengen. Dit heeft hij nagelaten. De rechtbank heeft echter de wijziging van omstandigheden aangenomen op basis van de op de vrouw rustende inspanningsverplichting en niet vanwege het ontbreken van draagkracht aan de zijde van de man. De man heeft ook niet aangevoerd dat zijn draagkracht een beperkende factor zou zijn. Dit komt daarom niet aan de orde en de rechtbank zal de bijdragen aan partneralimentatie zoals overwogen vastleggen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling in het echtscheidingsconvenant van 14 maart 2017, opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 6 juni 2017 –:
*
bepaalt de door de man met ingang van 1 augustus 2026 te betalen partneralimentatie op € 2.722,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt de door de man met ingang van 1 augustus 2027 te betalen partneralimentatie op € 1.701,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt de door de man met ingang van 1 augustus 2028 te betalen partneralimentatie op € 822,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 31 juli 2026.
Bedragen minimumloon 2026 | Rijksoverheid.nl