Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24778

2026-07-31 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/694898 / FA RK 25-8764
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/694898 / FA RK 25-8764
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Erkenning, gezag en omgang

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.590 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer


Rekestnummer: FA RK 25-8764
Zaaknummer: C/09/694898
Datum beschikking: 31 juli 2026


Erkenning, gezag en zorg- c.q. omgangsregeling



Beschikking op het op 11 oktober 2025 ingekomen verzoek van:




[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. van Lingen te Alkmaar.



Als belanghebbenden worden aangemerkt:





[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F. van Galen te Alphen aan den Rijn,





[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1],

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M.J.E. Gilsing, advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:


het verzoekschrift;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;


- het F9-formulier van 21 januari 2026 van de moeder, met bijlage;
- het bericht van de bijzondere curator aan de advocaat van de moeder;
- het F9-formulier van 11 februari 2026 van de man, met bijlage;
- het verslag van de bijzondere curator van 23 februari 2026;
- het F9-formulier van 25 februari 2026 van de moeder, met bijlage;
- het F9-formulier van 9 maart 2026 van de man, met bijlage;
- het F9-formulier van 11 juni 2026 van de man;
- het F9-formulier van 24 juni 2026 van de man, met bijlagen.


Op 3 juli 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).



Het oorspronkelijke verzoekschrift van de vrouw met het verzoek tot vaststelling kinderalimentatie, ingekomen bij de rechtbank op 28 augustus 2025, is afgesplitst onder zaaknummer C/09/690807 FA RK 25-6547. Hier beslist de rechtbank in deze procedure niet op.

Feiten


- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- De minderjarige is niet erkend.
- De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 1 december 2025 is mr. M.J.E. Gilsing voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
- Bij beschikking van 17 februari 2026 van deze rechtbank zijn – voor zover hier van belang – voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat:

- een voorlopige omgangsregeling is vastgesteld tussen [minderjarige] en de vader, zonder aanwezigheid van de moeder, waarbij [minderjarige] bij de vader is:
- de eerste vier weken na de beschikking (twee omgangsmomenten): om de week een weekenddag gedurende vier uur, in de omgeving van de woonplaats van [minderjarige], waarbij het eerste omgangsmoment plaatsvindt op 28 februari of 1 maart 2026;
- de daaropvolgende vier weken na de beschikking (twee omgangsmomenten): om de week een weekenddag gedurende zes uur, in de omgeving van de woonplaats en/of woning van de man;
- vervolgens: om de week een weekenddag van 09.00 uur tot 17.00 uur, in de woning en/of omgeving van de man;
en waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt en weer terugbrengt;
- partijen zijn doorverwezen naar Jeugdteams [regio] voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.




Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt, na wijziging, ertoe:
- de man vervangende toestemming te verlenen tot het erkennen van [minderjarige];
- te bepalen dat de man (mede) belast wordt met het ouderlijk gezag over [minderjarige];
- een zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen waarbij [minderjarige] bij de man verblijft eens per twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur alsmede gedurende twee weken in de zomervakantie, een week meivakantie en een week kerstvakantie, waarbij de man voorstelt dat de regeling in een halfjaar aldus wordt opgebouwd:

- de eerste vier weken na de beschikking om de week op zaterdag van 9.00 uur tot zondag 17.00 uur in de woning van de man;
- de vier weken daarop voor twee omgangsmomenten van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur in de woning van de man;
- daarna gaat de definitieve regeling en de vakantieregeling in,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.



De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt de man te veroordelen in de kosten van de procedure.




Beoordeling


Vervangende toestemming erkenning

Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.



Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige.



Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.



De man stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat de relatie tussen hem en [minderjarige] wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Waar er eerst twijfel bij de man bestond of hij de biologische vader is van [minderjarige], is nu vast komen te staan dat dit het geval is. De man stelt dat het in het belang van [minderjarige] is dat vast komt te staan wie zijn vader is.



De moeder voer in eerste instantie verweer tegen het verzoek van de man, maar stemt inmiddels in met het verzoek omtrent de erkenning. Zij benadrukt dat de erkenning voor [minderjarige] ondersteunend moet zijn aan zijn identiteitsontwikkelingen en niet gepaard gaan met extra spanningen of onduidelijkheid rondom de betrokkenheid van de man.



De bijzondere curator meent dat het in het belang van de minderjarige is dat hij weet wie zijn vader is en dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid door de man vervangende toestemming te geven om [minderjarige] te mogen erkennen. Aangezien moeder niet bereid is om de erkenning samen met vader bij de gemeente te regelen zal de erkenning met vervangende toestemming van de rechtbank dienen plaats te vinden.



Op de zitting is de rechtbank duidelijk geworden dat de onderlinge verhouding tussen partijen ernstig verhard is. Hoewel overeenstemming bestaat over de erkenning van [minderjarige] door de man, heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat het partijen zal lukken de erkenning gezamenlijk bij de gemeente te regelen. De rechtbank zal daarom de man vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] te erkennen.



Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.




Gezag

De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [minderjarige] door de man bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 1 januari 2027. De rechtbank overweegt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal worden afgedaan.



De man voert aan dat het in het belang van [minderjarige] is als de man mede met het gezag over hem wordt belast. Dit schept duidelijkheid voor [minderjarige] en het stelt de man in staat de gewenste rol in het leven van [minderjarige] te vervullen. Volgens de moeder heeft [minderjarige] last van een taalachterstand en volgt hij ergotherapie. De man heeft regelmatig geprobeerd te informeren daarnaar, maar krijgt hierover niets te horen van de moeder. Het is om die reden noodzakelijk dat de man wordt mede belast met het gezag, zodat hij kan meebeslissen over het leven van [minderjarige].



De moeder heeft aangevoerd dat zij het te prematuur vindt om de man mede met het gezag over [minderjarige] te belasten. Dit gaat momenteel de grenzen en de draagkracht van [minderjarige] te boven. Er moet eerst voldoende rust worden gecreëerd en het contact moet onbelast goed verlopen, voordat gedacht kan worden aan gezag. Wel heeft zij aangegeven dat dit wel de stip op de horizon moet zijn en partijen uiteindelijk gezamenlijk het gezag kunnen gaan delen. Hier staat zij niet onwelwillend tegenover, maar nu vindt zij dit nog te vroeg.



De rechtbank zal nu geen beslissing nemen op het verzoek tot gezamenlijk gezag van de man. Zoals overwogen zal de rechtbank dit verzoek aanhouden in afwachting van de erkenning. Op de zitting hebben partijen aangegeven bezig te zijn met een mediationtraject bij mevrouw [naam 2] en staan zij op de wachtlijst om te starten met ouderschapsbemiddeling. De rechtbank acht het van belang de resultaten van deze trajecten af te wachten alvorens zij een beslissing neemt op het gezag.




Omgangs- c.q. zorgregeling

De man verzoekt een omgangs- c.q. zorgregeling vast te leggen. Bij de beschikking van 17 februari 2026 is door deze rechtbank een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij de man [minderjarige] inmiddels om de week een weekenddag bij zich heeft van 9.00 uur tot 17.00 uur. De man verzoekt de regeling verder uit te breiden met een opbouwende omgangsregeling waarbij wordt toegewerkt naar een regeling waarbij [minderjarige] eens in de twee weken bij de man is van vrijdag 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur. Het contact loopt goed en er is geen reden om dit niet verder stapsgewijs uit te breiden. Er is niet onderbouwd waarom uitbreiding van het contact niet in het belang van [minderjarige] zou zijn. Aan de onderlinge communicatie moeten partijen werken, maar dit is geen reden om het contact nu niet verder uit te breiden. Door de moeder is niet met stukken onderbouwd dat de draagkracht van [minderjarige] hiervoor niet toereikend zou zijn. De man ervaart juist dat [minderjarige] meer contact met hem wil.



De moeder voert verweer en stelt dat het te vroeg is om verder uit te breiden, met name naar overnachtingen. Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij erkent dat de man en [minderjarige] goed en leuk contact hebben met elkaar, maar dat zodra [minderjarige] weer bij de moeder terugkomt, hij daarvan ontregeld is en boos is. De moeder moet hem dan weer kalmeren en sussen. De man ziet dit gedrag van [minderjarige] niet. Het gaat te ver boven de draagkracht van [minderjarige] om het contact nu uit te breiden naar een overnachting. Eerst moet dit contact goed verlopen en moet [minderjarige] rustig gewend zijn aan de overgangsmomenten tussen de ouders. De moeder heeft gevraagd [minderjarige] nog op te roepen voor een kindgesprek en met hem te spreken, zodat hij zijn mening aan de rechtbank kan vertellen.



De Raad heeft op de zitting het volgende naar voren gebracht. De situatie tussen partijen is erg verhard. [minderjarige] zou een ontwikkelingsstoornis hebben en hier krijgt hij hulpverlening voor. Hoewel dit zorgen zijn gericht op [minderjarige] zelf en zijn ontwikkeling, wijzen de ouders als gevolg van deze zorgen naar elkaar. De Raad heeft zijn zorgen geuit over de verharde situatie tussen de ouders. [minderjarige] lijkt nu al de rol op zich te hebben genomen waarbij hij de vrede moet bewaren tussen zijn ouders en tegen ieder van hen dingen zegt over de andere ouder, zodat hij hen niet kwetst. Deze positie van [minderjarige] tussen de ouders is zorgelijk en hier moeten de ouders aan werken.
Ten aanzien van de omgang adviseert de Raad de wisselmomenten tussen de ouders zoveel mogelijk te beperken. Beide ouders geven aan dat [minderjarige] bij de overgang van de ene naar de andere ouder even de tijd nodig heeft om te wennen en enigszins ontregeld gedrag vertoont. De wisselmomenten zorgen bij [minderjarige] voor onrust. De Raad is van mening dat het voor [minderjarige] juist rustiger is als hij langer bij de man verblijft en bij hem overnacht, hij meer tijd heeft om te aarden bij de man en minder snel weer terug moet wisselen. Zo kan de man tijdens deze langere omgangsmomenten ook meer zorgtaken op zich nemen. Ook gelet op de vermeende ontwikkelingsstoornis van [minderjarige] is hij nog meer dan andere kinderen gebaat bij structuur en duidelijkheid.



De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige] lijkt het naar zijn zin te hebben bij de vader. Momenteel hebben zij om de week op een weekenddag van 9.00 uur tot 17.00 uur contact met elkaar. De situatie tussen de moeder en de man is echter verhard en hun onderlinge communicatie verloopt niet goed. Hier gaan zij aan werken in een mediationtraject en tijdens het ouderschapsbemiddelingstraject. De rechtbank is daarom met de Raad van oordeel dat het juist in het belang van [minderjarige] is om de omgangsregeling verder uit te breiden, met langere omgangsmomenten en minder wisselingen van de ene ouder naar de andere ouder. Zo heeft [minderjarige] langere tijd om bij de andere ouder weer te wennen en te aarden. Hoewel de moeder haar zorgen uit over (een uitbreiding van) het contact zijn er geen objectieve redenen om aan te nemen dat de (uitbreiding van de) omgang en schadelijk zou zijn voor [minderjarige]. De rechtbank constateert dat de problematiek tussen de ouders ligt en niet tussen [minderjarige] en de man. Het is aan de ouders om dit te verbeteren en [minderjarige] buiten hun conflicten houden. Hieraan moeten zij bij mediation en het ouderschapsbemiddelingstraject werken.



De rechtbank zal de omgangsregeling zoals bepaald in de voorlopige voorzieningenprocedure definitief vaststellen, evenals de door de man verzochte opbouw en de vakantieregeling. De vakantieregeling zal aanvangen op het moment dat de definitieve regeling aanvangt.



Namens de moeder is op de zitting verzocht [minderjarige] te horen in een kindgesprek op grond van artikel 12 vader het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Als reden hiervoor is advocaat aangevoerd dat de man het bestaan van een ontwikkelingsstoornis bij [minderjarige] zou betwisten. En kindgesprek is ongeschikt om een ontwikkelingsstoornis vast te stellen en de rechtbank ontbeert daarvoor de deskundigheid. Voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de standaard minimumleeftijd van 8 jaar voor kinderen om hen uit te nodigen voor een kindgesprek. De rechtbank acht het onnodig belastend voor [minderjarige] om hem te horen en zal hem niet oproepen voor een kindgesprek.




Beslissing
De rechtbank:


*
verleent de man, [de man], geboren op [geboortedatum 2] 1984 te [geboorteplaats 2], toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1984 te [geboorteplaats 3], vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1];



*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.



*
bepaalt dat de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt aangehouden tot pro forma 1 januari 2027;



*
bepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;



*
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Rv zal worden afgedaan;



*
bepaalt dat [minderjarige] volgens de volgende (opbouwende) omgangsregeling bij de man zal zijn vanaf heden:



gedurende vier weken om het weekend van zaterdag 9.00 uur tot zondag 11.00 uur, in de woning van de man;


de vier weken daarna wordt dit uitgebreid naar om het weekend van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur in de woning van de man;


de vier weken daarna wordt dit verder uitgebreid naar om het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur in de woning van de man;


daarna vangt de definitieve omgangsregeling aan, waarbij [minderjarige] eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man is;




*
bepaalt dat met ingang van de laatstgenoemde definitieve omgangsregeling [minderjarige] in de vakanties bij de man zal zijn:



in de zomervakantie twee weken;


in de meivakantie een week;


in de kerstvakantie een week;





*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag pro forma aan tot 1 januari 2027.










Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2026.