Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24761
2026-07-30
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/707935 / JE RK 26-1122
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.563 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/707935 / JE RK 26-1122
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1], [land],
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. P. Minkes te Amsterdam.
[pleegouder 1] en [pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende te [woonplaats 3].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2026;
het advies van de Raad voor de Kinderbescherming als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de gecertificeerde instelling;
- De advocaat van de vader.
De moeder en de pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
De vader is niet verschenen. De advocaat van de vader heeft namens de vader op voorhand via een e-mail laten weten dat hij de uitnodiging van de zitting heeft ontvangen maar dat hij niet ter zitting aanwezig zal zijn.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gedurende het huwelijk van de vader en de moeder geboren.
2.2.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.3.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 2 augustus 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 2 augustus 2026.
3Het verzoek en de gronden
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. Sinds juli 2020 verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een perspectief biedend pleeggezin, waar zij zich goed ontwikkelen. Er vindt eenmaal per drie weken onbegeleide omgang plaats met de vader. Deze momenten verlopen zonder incidenten, maar soms wat gespannen vanwege de draagkracht van de vader en zijn nieuwe partner. Daarnaast blijft een aandachtspunt het contact met de moeder, dat door problemen met haar visum moeizaam verloopt. Ook vraagt de schoolgang van de kinderen extra aandacht, nu bij [minderjarige 2] ADHD is vastgesteld en [minderjarige 1] blijft zitten. Positief is dat de vader en de pleegouders beter lukt om zelfstandig afspraken te maken. Hoewel hiermee positieve stappen zijn gezet, is nog enige tijd nodig om de overdracht naar het vrijwillige kader zorgvuldig vast te leggen in een duidelijk borgingsplan. Met de vader zullen hierover nog meerdere gesprekken worden gevoerd, zodat voor hem helder en behapbaar wordt wat deze overgang betekent.
4Het standpunt van de belanghebbende
4.1.
Namens de vader is ingestemd met het verzoek. De vader onderkent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veilig opgroeien bij de pleegouders. De vader en de pleegouders hebben een werkbare manier gevonden waarop de vader betrokken is bij het leven van de kinderen. De vader begrijpt dat de gecertificeerde instelling toewerkt naar het vrijwillige kader. Het is belangrijk dat de vader komende periode aan deze situatie kan wennen en dat vóór het einde van de maatregelen een duidelijk borgingsplan is opgesteld met het wijkteam [woonplaats 3].
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderen hebben een belast verleden. Mede als gevolg daarvan, en als gevolg van de kwetsbaarheid in de hechtingsrelatie met de vader en de moeder, hebben zij een verhoogde opvoedbehoefte. Inmiddels groeien [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al geruime tijd op in hun perspectief biedende pleeggezin. De pleegouders sluiten aan bij de opvoedbehoeften van de kinderen en dragen bij aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging. Uit de beschikbare stukken en wat ter zitting met de gecertificeerde instelling is besproken, volgt dat het de vader en de pleegouders zelfstandig lukt om afspraken te maken over de omgangsmomenten. Er blijven nog steeds aandachtspunten ten aanzien van de draagkracht van de vader, het contact met de moeder en de ondersteuning die de kinderen nodig hebben bij hun individuele belastbaarheid en schoolgang. De gecertificeerde instelling heeft aangedragen dat, met inachtneming van de nodige tijd die deze aandachtspunten nog vergen, zal worden toegewerkt naar een overdacht naar het vrijwillig kader. Ter zitting is besproken dat voor een zorgvuldige afronding van de ondertoezichtstelling nog een periode voor de duur van zes maanden nodig is. In deze periode kan een borgingsplan worden opgesteld waarin wordt vastgesteld hoe met toekomstige zorgen wordt omgegaan, waarna een overdracht naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden. Daarbij is van belang dat voor alle betrokkenen duidelijk is wat dit inhoudt en dat het borgingsplan zorgvuldig wordt besproken en afgestemd met de ouders, de pleegouders en het wijkteam [woonplaats 3]. Daarom vindt de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur van zes maanden geboden, en passend.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 2 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 2 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Plug als griffier. De schriftelijke uitwerking daarvan is vastgesteld op 21 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/707935 / JE RK 26-1122
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1], [land],
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. P. Minkes te Amsterdam.
[pleegouder 1] en [pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende te [woonplaats 3].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2026;
het advies van de Raad voor de Kinderbescherming als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de gecertificeerde instelling;
- De advocaat van de vader.
De moeder en de pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
De vader is niet verschenen. De advocaat van de vader heeft namens de vader op voorhand via een e-mail laten weten dat hij de uitnodiging van de zitting heeft ontvangen maar dat hij niet ter zitting aanwezig zal zijn.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gedurende het huwelijk van de vader en de moeder geboren.
2.2.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.3.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 2 augustus 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 2 augustus 2026.
3Het verzoek en de gronden
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. Sinds juli 2020 verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een perspectief biedend pleeggezin, waar zij zich goed ontwikkelen. Er vindt eenmaal per drie weken onbegeleide omgang plaats met de vader. Deze momenten verlopen zonder incidenten, maar soms wat gespannen vanwege de draagkracht van de vader en zijn nieuwe partner. Daarnaast blijft een aandachtspunt het contact met de moeder, dat door problemen met haar visum moeizaam verloopt. Ook vraagt de schoolgang van de kinderen extra aandacht, nu bij [minderjarige 2] ADHD is vastgesteld en [minderjarige 1] blijft zitten. Positief is dat de vader en de pleegouders beter lukt om zelfstandig afspraken te maken. Hoewel hiermee positieve stappen zijn gezet, is nog enige tijd nodig om de overdracht naar het vrijwillige kader zorgvuldig vast te leggen in een duidelijk borgingsplan. Met de vader zullen hierover nog meerdere gesprekken worden gevoerd, zodat voor hem helder en behapbaar wordt wat deze overgang betekent.
4Het standpunt van de belanghebbende
4.1.
Namens de vader is ingestemd met het verzoek. De vader onderkent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veilig opgroeien bij de pleegouders. De vader en de pleegouders hebben een werkbare manier gevonden waarop de vader betrokken is bij het leven van de kinderen. De vader begrijpt dat de gecertificeerde instelling toewerkt naar het vrijwillige kader. Het is belangrijk dat de vader komende periode aan deze situatie kan wennen en dat vóór het einde van de maatregelen een duidelijk borgingsplan is opgesteld met het wijkteam [woonplaats 3].
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderen hebben een belast verleden. Mede als gevolg daarvan, en als gevolg van de kwetsbaarheid in de hechtingsrelatie met de vader en de moeder, hebben zij een verhoogde opvoedbehoefte. Inmiddels groeien [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al geruime tijd op in hun perspectief biedende pleeggezin. De pleegouders sluiten aan bij de opvoedbehoeften van de kinderen en dragen bij aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging. Uit de beschikbare stukken en wat ter zitting met de gecertificeerde instelling is besproken, volgt dat het de vader en de pleegouders zelfstandig lukt om afspraken te maken over de omgangsmomenten. Er blijven nog steeds aandachtspunten ten aanzien van de draagkracht van de vader, het contact met de moeder en de ondersteuning die de kinderen nodig hebben bij hun individuele belastbaarheid en schoolgang. De gecertificeerde instelling heeft aangedragen dat, met inachtneming van de nodige tijd die deze aandachtspunten nog vergen, zal worden toegewerkt naar een overdacht naar het vrijwillig kader. Ter zitting is besproken dat voor een zorgvuldige afronding van de ondertoezichtstelling nog een periode voor de duur van zes maanden nodig is. In deze periode kan een borgingsplan worden opgesteld waarin wordt vastgesteld hoe met toekomstige zorgen wordt omgegaan, waarna een overdracht naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden. Daarbij is van belang dat voor alle betrokkenen duidelijk is wat dit inhoudt en dat het borgingsplan zorgvuldig wordt besproken en afgestemd met de ouders, de pleegouders en het wijkteam [woonplaats 3]. Daarom vindt de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur van zes maanden geboden, en passend.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 2 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 2 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Plug als griffier. De schriftelijke uitwerking daarvan is vastgesteld op 21 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.