Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24731

2026-07-30 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/706416 / FA RK 26-5554
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-08-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/706416 / FA RK 26-5554
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening echtscheiding voorlopige zorgregeling, uitsluitend gebruik echtelijke woning, kinderalimentatie, partneralimentatie; geen reden voor begeleide zorgregeling

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.729 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer


Rekestnummer: FA RK 26-5554
Zaaknummer: C/09/706416
Datum beschikking: 30 juli 2026


Voorlopige voorzieningen



Beschikking op het op 3 juni 2026 ingekomen verzoek van:




[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.B. van Eck-Molenaar te Gouda.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Koçak te [geboorteplaats 2] .




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift;


het F9-formulier van 17 juni 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlage;


het verweerschrift;


het F9-formulier van 24 juli 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;


het F9-formulier van 28 juli 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.




Op 28 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



de vrouw met mr. J.E. Sondorp;


de man met mr. D.V. Garib;



[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.




De minderjarige [de minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.




Feiten


Partijen zijn gehuwd op [datum] 2017 te [plaats] .


Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:



- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] .







Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:


de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;


de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;


een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 733,- per kind per maand wordt vastgesteld, met ingang van datum indiening verzoekschrift;


een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van


€ 2.905,- bruto per maand wordt vastgesteld, met ingang van datum indiening verzoekschrift;
- bepaald wordt dat de man de inloggegevens van de alarminstallatie, het verlichtingssysteem en het camerasysteem aan de vrouw dient te verstrekken binnen 24 uur na afgifte van deze beschikking;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.


De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig:

primair


- te bepalen dat de minderjarigen voorlopig in het kader van een birdnestregeling bij partijen zullen verblijven, waarbij de minderjarigen hun vertrouwde verblijfplaats behouden in de echtelijke woning gelegen aan de [adres] , en partijen ieder om de week in deze woning verblijven en de zorg voor de minderjarigen op zich nemen, met een wisselmoment iedere zondag om 17.00 uur;
subsidiair


dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;


dat de minderjarige kinderen van partijen aan de man worden toevertrouwd;


voor het geval de rechtbank bepaalt dat de minderjarigen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd, een voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarigen, waarbij:



- de minderjarigen eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven;
- in de weken waarin de minderjarigen niet in het weekend bij de man verblijven, zij daarnaast drie doordeweekse dagen na schooltijd tot 19.00 uur bij de man verblijven;
- de vakanties en feestdagen bij helfte tussen partijen worden verdeeld;
- althans een regeling die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

- indien de rechtbank bepaalt dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegewezen, te bepalen dat de vrouw aan de man een redelijke gebruiksvergoeding verschuldigd is wegens het uitsluitend gebruik van de woning en het aandeel van de man daarin, nader vast te stellen door de rechtbank, met ingang van de datum waarop de vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning verkrijgt;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling





Toevertrouwing en voorlopige zorgregeling

De rechtbank stelt voorop dat partijen verschillende belevingen dan wel standpunten hebben ten aanzien van hun relatie, wat de dagelijkse gang van zaken was en wat er allemaal wel of niet heeft plaatsgevonden. Een aantal zaken heeft de rechtbank wel vast kunnen stellen.



Tussen ouders was sprake van spanningen en hoogoplopende ruzies. Op 11 mei 2026 heeft een escalatie tussen partijen plaatsgevonden. Hier zijn de politie en Veilig Thuis bij betrokken geraakt. De vrouw is hierna vertrokken uit de echtelijke woning en verblijft nu met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij familie. In verband met alle gebeurtenissen heeft zij tijdelijk verlof van haar werk. De man heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] sinds het incident drie keer twee uur, onder begeleiding van Humanitas, gezien.



Vóór 11 mei 2026, vanaf het moment dat [de minderjarige 2] naar school ging (schooljaar 2025/2026), werkte de vrouw op maandag, dinsdag en donderdag. De man heeft een eigen onderneming en werkte aan huis op door hem zelf bepaalde tijden. Op de werkdagen van de vrouw bracht de man de kinderen naar school. In beginsel zorgde de man op die dagen ook na schooltijd voor de kinderen, tenzij de kinderen ergens anders gingen spelen of door de zus van de vrouw werden opgehaald uit school. Partijen verschillen van mening over hoe vaak dit laatste voor kwam.



De vrouw wil de omgang onder begeleiding van Humanitas continueren. De man vindt begeleide omgang niet nodig en verzoekt een week op week af regeling.



De rechtbank ziet geen aanleiding om het contact tussen de man en de kinderen nog langer te laten begeleiden. De vrouw heeft nauwelijks onderbouwd dat de kinderen niet veilig zijn bij de man. Tijdens de escalatie in mei 2026 heeft de man [de minderjarige 2] beetgepakt, maar dit heeft verder niet geleid tot strafrechtelijke vervolging of een aangifte. In het verslag van Veilig Thuis over het gesprek van de gedragswetenschapper met [de minderjarige 1] van 27 mei 2026, leest de rechtbank dat [de minderjarige 1] last heeft van de ruzies tussen haar ouders waardoor zij veel angst en verdriet heeft ervaren. Daarnaast lijkt zij belast te worden door een loyaliteitsconflict ten aanzien van haar ouders. Zij ervaart spanning doordat zij betrokken raakt bij negatieve uitlatingen over moeder en doordat zij merkt dat er wantrouwen en conflict blijft bestaan tussen de ouders. Hierdoor lijkt [de minderjarige 1] emotioneel belast te worden met zorgen die niet passend zijn bij haar leeftijd. [de minderjarige 1] heeft aangegeven graag contact te willen met de man en bij het opstarten daarvan begeleiding te willen gelet op de spanningen die ze nog voelde. De hervatting van het contact heeft inmiddels onder begeleiding plaatsgevonden; er zijn recent drie omgangsmomenten bij Humanitas geweest.



Partijen hebben gedurende hun huwelijk beiden een rol gehad in de dagelijkse verzorging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dat de situatie waarin beide ouders zorg over hen dragen, weer wordt hersteld.



De rechtbank zal [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] toevertrouwen aan de vrouw, en daarnaast een voorlopige zorgregeling vaststellen waarbij de kinderen van maandag uit school tot woensdag 18.30 uur bij de vrouw zijn, van woensdag 18.30 uur tot vrijdag 18.30 bij de man, en in het weekend van vrijdag 18.30 uur tot maandagochtend naar school afwisselend bij de ouders.



Gelet op de huidige situatie tussen partijen, en het feit dat het hen op geen enkele wijze lukt om te communiceren en afspraken te maken, heeft de rechtbank de ouders gewezen op de mogelijkheid om met behulp van hulpverlening een voor de toekomst werkbare situatie te creëren. Beide ouders hebben vervolgens de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking zenden aan Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW).



De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.




Uitsluitend gebruik

De rechtbank sluit bij de beoordeling van de vraag wie het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning krijgt aan bij de huidige situatie, mede ook gelet op de hiervoor bepaalde zorgregeling. Omdat de zorg over de kinderen tussen partijen verdeeld wordt, zullen de kinderen in beide situaties, dus zowel wanneer het uitsluitend gebruik naar de vrouw zou gaan als wanneer het uitsluitend gebruik naar de man zou gaan, deels terugkeren naar de echtelijke woning. Een birdnestregeling acht de rechtbank, net als de Raad, op dit moment niet mogelijk. Daarvoor zijn de spanningen tussen partijen te groot.



Beide partijen hebben aangegeven afhankelijk te zijn van familie en vrienden voor tijdelijke woonruimte. De afgelopen maanden hebben laten zien dat het de vrouw gelukt is om passend onderdak te vinden voor haar met de kinderen, terwijl het niet duidelijk is of de man hiertoe in staat zal zijn. De rechtbank weegt ook mee dat de man heeft aangegeven de woning over te willen nemen, en hij werkt vanuit huis. Het omgooien van de situatie brengt opnieuw onrust mee. Daarom legt de rechtbank de huidige situatie vast, waarbij aan de man het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekomt. De rechtbank stelt hierbij wel als voorwaarde dat de man alle kosten voor de echtelijke woning voor zijn rekening neemt. Het verzoek van de vrouw met betrekking tot het alarmsysteem wijst de rechtbank af, omdat zij niet degene is die in de echtelijke woning zal verblijven.



Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij, is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij en/of de kinderen toegewezen.




Voorlopige kinderalimentatie


Financiële gegevens

De rechtbank stelt voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken. Bij de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, zoals opgenomen in het Rapport alimentatienormen, als uitgangspunt.



Vast staat dat de vrouw een dienstverband heeft. De financiële gegevens aan haar zijde zijn bekend.
De man heeft een eigen onderneming. Hij heeft daar geen jaarstukken van overgelegd. Op de zitting heeft hij aangegeven dat de jaarstukken nog niet opgemaakt zijn. De man had een eenmanszaak, maar heeft dit om laten zetten naar een BV, waardoor het papierwerk nog niet op orde is. De man heeft erkend dat zijn aangifte IB over 2025 niet juist is. Door de vrouw is onweersproken gesteld dat de man in 2025 een bedrag van € 47.949,94 heeft overgemaakt voor de betaling van de vaste lasten van partijen. De man stelt zelf dat hij daarnaast nog zes dagen per week eten bij de traiteur haalde of sushi bestelde, aanvullende boodschappen deed en kleding kocht voor de kinderen. De rechtbank stelt daarom ambtshalve, in het kader van deze voorlopige voorziening, zijn winst uit onderneming vast op € 100.000,- per jaar.




Ingangsdatum

Tussen partijen is de ingangsdatum in geschil. De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv, de datum van deze beschikking als ingangsdatum te hanteren




Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.



Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.



Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 42.279,- bruto per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2025.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 3.172,- per maand.



Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit, zoals hiervoor beschreven, van een geschatte winst uit onderneming van € 100.000,- per jaar.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 5.303 per maand.



Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedraagt in 2026 dus € 8.475,- per maand (€ 3.172,- + € 5.303). De rechtbank zal daarom aansluiten bij het gemaximeerde tabelbedrag in 2026, te weten € 7.500,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben partijen geen recht op een kindgebonden budget. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2026, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.695,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .



De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.




Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank opnieuw uit van een inkomen van € 42.279,- bruto per jaar, op basis van de jaaropgaaf 2025.



Omdat partijen vooralsnog beiden ingeschreven zullen blijven staan op het adres van de echtelijke woning, komen zij niet in aanmerking voor kindgebonden budget. De rechtbank zal daar dan ook geen rekening mee houden.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 3.172,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.172 – (952 + 1.365)] = € 598,- per maand.




Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming van € 100.000,- per jaar, zoals eerder al overwogen.



Op basis hiervan en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 5.303,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [5.303 – (1.591 + 1.365)] = € 1.643,- per maand.




Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.241,- per maand (€ 598,- + € 1.643,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.643 / 2.241 x 1.695 = € 1.243,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 598 /2.241 x 1.695 = € 452,-
samen € 1.695,-



Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komt een gedeelte van € 1.243,- per maand, wat neerkomt op € 621,50 per maand per kind, voor rekening van de man. Een gedeelte van
€ 425,- per maand, wat neerkomt op € 226,- per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.





Zorgkorting

Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Gelet op de door de rechtbank bepaalde voorlopige zorgregeling, hanteert de rechtbank een zorgkortingspercentage van 35%.



De zorgkorting bedraagt dan € 593,- per maand (35% van € 1.695,-).




Conclusie

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 650,- per maand (€ 1.243,- -/- € 593,-). Dat komt neer op
€ 325,- per kind per maand.




Voorlopige partneralimentatie

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om voorlopige partneralimentatie vast te stellen, afwijzen. In het kader van deze voorlopige voorzieningen oordeelt de rechtbank dat er aan de zijde van de vrouw, gelet op haar eigen inkomen en gelet op het feit dat de man alle lasten van de echtelijke woning gaat voldoen, geen sprake is van een aanvullende behoefte.




Beslissing
De rechtbank:


bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden, waarbij geldt dat de man voortaan alle lasten van de woning zal voldoen;



bepaalt dat de minderjarigen:




[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ,



[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] ,


aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;


bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarigen bij zich te hebben:



de ene week van woensdag 18.30 uur tot vrijdag 18.30 uur;


de andere week van woensdag 18.30 uur tot maandagochtend naar school;




stelt vast dat de ouders, te weten:

[de man] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en

[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,



bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;



beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:

- Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) per beveiligde e-mail naar [email protected];
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;


bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 325,-, per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juli 2026.