Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24710
2026-07-30
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/698826 / FA RK 26-1039
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Moeder niet ontvankelijk verklaard in verzoek vernietiging erkenning, verzoek door bijzondere curator niet overgenomen namens de minderjarige. Beëindiging gezamenlijk gezag en wijziging omgangsregeling.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.022 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1039
Zaaknummer: C/09/698826
Datum beschikking: 30 juli 2026
Vernietiging erkenning, gezag en omgang
Beschikking op het op 15 januari 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G.D. Haytink te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.E.A. Hendrix te Geleen.
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1],
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. J.W. Stok, advocaat te Delft,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Als informant wordt aangemerkt:
William Schrikker Stichting voor Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het F9-formulier van 16 februari 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder;
het verslag van de bijzondere curator van 21 mei 2026.
Op 16 juli 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld, gecombineerd met het verzoek van de gecertificeerde instelling in de jeugdzaak tot het wijzigen van de zorgregeling (C/09/702633, JE RK 26-554) waarop bij afzonderlijke beschikking is beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de bijzondere curator;
[naam] namens de gecertificeerde instelling.
Namens de moeder zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt:
primair voor recht te verklaren dat de erkenning van de minderjarige [minderjarige] nietig is en te bepalen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] gehouden is tot doorhaling van de akte van erkenning van [minderjarige];
subsidiair een bijzondere curator te benoemen om de belangen van [minderjarige] te behartigen;
meer subsidiair te bepalen dat de moeder voortaan alleen met het gezag over [minderjarige] wordt belast;
primair te bepalen dat er geen contact meer zal zijn tussen de vader en [minderjarige];
subsidiair de zorg- en contactregeling te wijzigen, in die zin dat er eens per drie weken gedurende twee uur onder begeleiding van de gecertificeerde instelling contact zal zijn tussen de vader en [minderjarige];
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator voert verweer, welk verweer hierna voor zover nodig zal worden besproken.
Feiten
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van [minderjarige].
Blijkens de aantekening van 28 december 2021 uit het gezagsregister oefenen de ouders het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2025 is bepaald dat [minderjarige]:
één keer per twee weken op vrijdag van 11.00 uur tot 15.00 uur begeleid contact zal hebben met de vader, waarbij steeds twee contactmomenten achter elkaar in [plaats 1] (waarbij de vader reist en de kosten draagt) zullen plaatsvinden en vervolgens één in [plaats 2] (waarbij de moeder en [minderjarige] reizen en de moeder de kosten draagt);
één keer per week telefonisch contact zal hebben met de vader, door middel van een videobelgesprek;
en is bepaald dat de moeder de vader wekelijks op woensdag rond etenstijd, telefonisch informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige].
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 februari 2026 is mr. J.W. Stok voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige op grond van artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 april 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 april 2027.
Beoordeling
Vernietiging erkenning
Juridisch kader / Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:205 lid 1 BW kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:
door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden is bewogen toestemming tot erkenning te geven.
De moeder heeft een beroep gedaan op dwaling. Uit lid 3 van het hiervoor genoemde artikel volgt dat in geval van dwaling het verzoek binnen een jaar moet worden ingediend nadat de dwaling door de moeder is ontdekt. De moeder heeft gesteld dat zij de dwaling heeft ontdekt nadat na een DNA-onderzoek door middel van een zelftest bij [laboratorium] – een niet-geaccrediteerd laboratorium – van 1 maart 2024 is gebleken dat de vader niet de biologische vader is van [minderjarige]. De moeder heeft haar verzoek vervolgens pas ingediend op 15 januari 2026, zodat de termijn waarbinnen het verzoek kan worden gedaan in ieder geval is verstreken. De rechtbank zal de moeder op grond van het voorgaande dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
De bijzondere curator heeft na eigen onderzoek en overwegingen besloten het verzoek niet over te nemen namens [minderjarige]. Continuering van de huidige situatie, waarbij er omgang is tussen [minderjarige] en de vader en de biologische vader niet in beeld is noch zal komen, is volgens de bijzondere curator in het belang van [minderjarige]. Bovendien kan [minderjarige] tot uiterlijk drie jaren nadat zij meerderjarig is geworden zelf nog een verzoek tot vernietiging indienen.
Omdat de moeder niet ontvankelijk is in haar verzoek en de bijzondere curator het verzoek niet overneemt, ligt er voor de rechtbank verder geen verzoek ten aanzien van de vernietiging van de erkenning meer voor om op te beslissen.
Ontslag bijzondere curator
Uit het voorgaande volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253n BW kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd, indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
De rechtbank concludeert dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds het ontstaan van het gezamenlijk gezag door middel van de aantekening in het gezagsregister. Er is al eerder een langdurige procedure over de zorgregeling tussen de ouders geweest en sinds 18 april 2023 staat [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling. De rechtbank zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek.
Standpunten van partijen
De moeder stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat eenhoofdig gezag in het belang is van [minderjarige]. De vader heeft nooit een verzorgende of opvoedende rol gehad en hij heeft [minderjarige] altijd alleen onder begeleiding gezien. Hij toont ook geen initiatief in de zorg en opvoeding. De gebrekkige samenwerking van de vader met de moeder en de jeugdbeschermer maakt, in combinatie met het feit dat de vader in [plaats 2] woont, dat het gezamenlijk gezag volgens de moeder op praktische bezwaren stuit en niet werkt.
De vader voert verweer. Hij stelt dat hem wordt verweten dat hij onvoldoende een rol speelt in het leven van [minderjarige], terwijl hij vindt dat hij hier de kans ook niet voor krijgt omdat de vastgestelde zorgregeling door de moeder en de jeugdbeschermer niet wordt nageleefd. De door de rechtbank vastgestelde begeleide contactmomenten in [plaats 2] hebben immers nooit plaatsgevonden. Volgens de vader is niet voldaan aan de gronden voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. De ouders kunnen op hun niveau met elkaar overleggen en communiceren, en het feit dat de vader financieel niet kan bijdragen maakt ook niet dat hij geen gezaghebbende ouder kan zijn.
Namens de gecertificeerde instelling is naar voren gebracht dat de vader onvoldoende invulling weet te geven aan zijn rol als gezaghebbende ouder; het contact tussen de ouders maar ook tussen de vader en de jeugdbeschermer verloopt erg moeizaam. Voor alle hulpverlening die ingezet wordt voor [minderjarige] is de handtekening van de vader nodig, maar ook als [minderjarige] naar school gaat is de bereikbaarheid en goed contact met de vader van belang.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en alles wat tijdens de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat het contact tussen de ouders en de samenwerking moeizaam verloopt. In het plan van aanpak van 1 april 2026 geeft de gecertificeerde instelling aan dat het de ouders onvoldoende lukt om samen besluiten te nemen en samen te werken vanuit het belang van [minderjarige]. Omdat beide ouders een licht verstandelijke beperking hebben en de ontwikkeling van [minderjarige] complex is, maakt dat het lastig is voor hen om hierover met elkaar in gesprek te gaan en tot gezamenlijke afstemming te komen, zo staat in het plan van aanpak beschreven. Doordat veel omgangsmomenten niet door zijn gegaan – wat daar de reden ook voor is – en de samenwerking zo moeizaam verloopt, is de situatie ontstaan dat de vader eigenlijk niet echt betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en kan hij moeilijk inschatten wat zij nodig heeft. Onder deze omstandigheden is het moeilijk voor de ouders om met elkaar in gesprek te gaan en samen beslissingen met betrekking tot het gezag te nemen. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat deze beslissingen kunnen worden genomen, zonder dat dit leidt tot discussie. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd, en de moeder met het eenhoofdig gezag zal worden belast.
Omdat de moeder met het eenhoofdig gezag zal worden belast, zal de rechtbank hierna spreken over de omgangsregeling in plaats van de zorgregeling. De rechtbank benadrukt daarbij dat het belangrijk is dat nu wordt ingezet op de omgang tussen de vader en [minderjarige], en dat een wijziging in het gezag geen wijziging brengt in het recht van [minderjarige] en de vader op omgang met elkaar.
Omgang
Wettelijk kader
Op basis van het tweede en derde lid van artikel 1:377a BW kan de rechter, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzeggen als aan één van de in dat artikel genoemde gronden is voldaan. De omgangsregeling kan op basis van artikel 1:377e BW door de rechter worden gewijzigd, onder meer op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
De rechtbank concludeert dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat is gebleken dat de in de beschikking van 19 maart 2025 vastgestelde regeling in de praktijk niet goed uit te voeren blijkt, en voor een groot deel ook niet wordt nagekomen.
Standpunten van partijen
De moeder heeft primair verzocht de omgang tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen. Volgens de moeder is de omgang met de vader erg belastend voor [minderjarige], omdat de vader niet goed in staat is om de omgang op een plezierige manier in te vullen. De vader sluit niet aan bij de emotionele behoeftes van [minderjarige] en hij is niet in staat om zelfstandig vader te zijn. De vader is vaak boos, kan geen structuur bieden en zegt de omgang vaak af. Inmiddels heeft er ook al vier maanden geen omgang plaatsgevonden. Subsidiair verzoekt de moeder een wijziging van de omgangsregeling naar eenmaal per drie weken gedurende twee uur onder begeleiding in [plaats 1].
De vader voert verweer. De vader vindt dat hem niet kan worden verweten dat hij ver weg woont, dat was immers al bekend bij het aangaan van de relatie. In de vastgestelde regeling was bepaald dat eens in de zes weken een begeleid contactmoment zou plaatsvinden in [plaats 2], maar dat is nooit van de grond gekomen. Voor zover de vader weet is er nooit een aanmelding gedaan bij een instantie om deze momenten te begeleiden. De vader kan op deze manier ook niet groeien in zijn rol als vader en leren hoe hij kan aansluiten bij de behoefte van [minderjarige], omdat hij die kans niet krijgt. De begeleide omgangsmomenten die in [plaats 1] niet zijn doorgegaan waren voor een groot deel verklaarbaar; de vader was een aantal keren ziek en kon soms de lange reis vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] niet maken door omstandigheden buiten zijn macht. De vader ervaart dat de jeugdbeschermer er alles aan doet om hem uit het leven van [minderjarige] te krijgen. Dit leidt bij de vader tot boosheid en frustratie. De vader heeft geen vertrouwen in de begeleiding van de omgang door William Schrikker Gezinsvormen, waar nu een aanmelding is gedaan. Als die instantie de begeleide omgang al zal doen, dan is dat volgens de vader ook mogelijk in [plaats 2] of in een plaats tussen [plaats 1] en [plaats 2]. Voor een begeleid omgangsmoment van twee uurtjes zal de vader in ieder geval niet naar [plaats 1] reizen heeft hij aangegeven, omdat zijn treinreis in dat geval langer is dan de duur van het bezoek.
De gecertificeerde instelling heeft in de jeugdzaak (C/09/702633, JE RK 26-554) zelf een verzoek gedaan tot wijziging van de omgang, waarbij de vader één keer per maand onder begeleiding op vrijdag gedurende twee uur omgang heeft met [minderjarige] in [plaats 1]. Omdat [zorginstantie] met de omgangsbegeleiding is gestopt, zal dat door een nieuwe begeleidende instantie moeten worden opgepakt. Er is een aanmelding gedaan bij William Schrikker Gezinsvormen. Er zal daarnaast een gesprek met de vader moeten plaatsvinden waarin de zorgen rondom de veiligheid, voorspelbaarheid en samenwerking wordt besproken en er concrete afspraken worden vastgelegd over verwachtingen, gedrag en naleving van de begeleiding.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt ten aanzien van het primaire verzoek van de moeder dat niet is gebleken dat er gronden zijn om de omgang tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen. Ondanks dat niet elk omgangsmoment helemaal goed is verlopen, blijkt uit de stukken dat [minderjarige] tijdens de bezoeken ook momenten laat zien van plezier in het samen spelen met de vader. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat zij haar vader wel blijft zien. Het primaire verzoek van de moeder om de omgang tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen zal daarom worden afgewezen.
De rechtbank ziet wel aanleiding om de huidige omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat [minderjarige] één keer per maand op vrijdag gedurende twee uur begeleide omgang zal hebben met de vader, waarbij de begeleide omgang plaatsvindt in [plaats 1]. De rechtbank verwijst naar hetgeen daarover is overwogen in de beschikking van 30 juli 2026 in de jeugdzaak (C/09/702633, JE RK 26-554) en neemt die overwegingen in deze beschikking over:
“Op grond van de informatie, zoals die is gebleken uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde bijlagen en wat ter zitting besproken is, komt de kinderrechter tot het oordeel dat het wel in het belang van [minderjarige] is dat de omgangsregeling wordt gewijzigd, in die zin dat [minderjarige] één keer per maand op vrijdag gedurende twee uur begeleide omgang zal hebben met de vader, waarbij de begeleide omgang plaatsvindt in [plaats 1]. Daarbij gelden ook de voorwaarden zoals verzocht door de gecertificeerde instelling. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
Uit de stukken blijkt dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is, zowel in haar ontwikkeling als in haar gedrag. Daarom is extra aandacht en toezicht nodig bij de omgangsmomenten met de vader. Vier uur omgangsbegeleiding is over het algemeen al erg lang, maar in het specifieke geval van [minderjarige] is uit de verslagen van [zorginstantie] ook gebleken dat de frequentie en duur van de omgangsbegeleiding voor haar te veel en te lang is. De vader kan de omgangsmomenten niet passend en consequent invullen en de fysieke veiligheid is onvoldoende. De kinderrechter neemt ook in haar overweging mee dat bijna de helft van de omgangsmomenten niet zijn doorgegaan. Uit het overzicht blijkt dat negen van de twaalf momenten door de vader zijn afgezegd. Daar kan een goede reden voor zijn, maar voor [minderjarige] is dit niet goed en is het van belang dat de omgangsmomenten worden nagekomen zodat het voor haar voorspelbaar en duidelijk is. Het betoog van de vader dat het allemaal aan de jeugdbeschermer ligt is naar het oordeel van de kinderrechter misplaatst, gelet op het feit dat in dit geval de omgangsbegeleiding door [zorginstantie] is afgezegd en er een nieuwe instantie moet worden gezocht voor het begeleiden van de omgang. Op de zitting is namens de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat er een aanmelding is gedaan bij William Schrikker Gezinsvormen om dit op te pakken. De beperkte samenwerking tussen de vader en de professionals maakt het in deze situatie extra lastig. Uit de verslagen blijkt dat de vader vaak bozig is en weerstand toont. Op de zitting heeft de kinderrechter de boosheid van de vader ook gezien. De kinderrechter begrijpt dat de situatie voor de vader heel moeilijk en frustrerend is, waar zijn dochter op een grote afstand woont en hij financiële beperkingen heeft om naar [plaats 1] te komen, maar dat is nu eenmaal de situatie. De kinderrechter moet beoordelen wat het meest in het belang van [minderjarige] is, en dat is naar haar oordeel dat de begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader plaatsvindt in de plaats waar [minderjarige] woont. De wens van de vader dat [minderjarige] (ook) richting [plaats 2] komt is – los van de vraag of het in het belang is van [minderjarige] om die reis samen met haar moeder af te leggen – vanwege het ontbreken van een instantie die de omgang kan begeleiden tot nu toe ook niet mogelijk gebleken. De kinderrechter geeft de vader dringend mee om zijn standpunt om niet voor twee uur begeleide omgang naar [plaats 1] af te reizen te herzien, omdat het belangrijk is dat hij laat zien dat die begeleide bezoeken goed kunnen verlopen. Als dat zo is, en de omgangsmomenten structureel worden nagekomen, dan kan door de gecertificeerde instelling gekeken worden naar een uitbreiding in frequentie in duur als dat in het belang is van [minderjarige]. Dat is op dit moment naar het oordeel van de kinderrechter echter een stap te ver. Voor nu is het belangrijkst dat er contact blijft tussen de vader en [minderjarige], en dat hij niet uit het leven van [minderjarige] verdwijnt.
De door de gecertificeerde instelling in zijn verzoek opgenomen voorwaarden lenen zich niet voor opname in de beslissing. Zoals hiervoor al is overwogen gelden deze voorwaarden echter wel, namelijk:
dat er een nieuwe begeleidende organisatie wordt gezocht en gevonden die bereid en in staat is deze omgang te begeleiden;
dat er een gesprek met vader plaatsvindt, waarin de zorgen rondom veiligheid, voorspelbaarheid en samenwerking worden besproken en concrete afspraken worden vastgelegd over verwachtingen, gedrag en naleving van de begeleiding.”
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2025 – :
*
verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1996 te [geboorteplaats 2], het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1];
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] één keer per maand op vrijdag gedurende twee uur begeleide omgang zal hebben met de vader, waarbij de begeleide omgang plaatsvindt in [plaats 1];
*
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.I. Noordegraaf als griffier.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1039
Zaaknummer: C/09/698826
Datum beschikking: 30 juli 2026
Vernietiging erkenning, gezag en omgang
Beschikking op het op 15 januari 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G.D. Haytink te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.E.A. Hendrix te Geleen.
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1],
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. J.W. Stok, advocaat te Delft,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Als informant wordt aangemerkt:
William Schrikker Stichting voor Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het F9-formulier van 16 februari 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder;
het verslag van de bijzondere curator van 21 mei 2026.
Op 16 juli 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld, gecombineerd met het verzoek van de gecertificeerde instelling in de jeugdzaak tot het wijzigen van de zorgregeling (C/09/702633, JE RK 26-554) waarop bij afzonderlijke beschikking is beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de bijzondere curator;
[naam] namens de gecertificeerde instelling.
Namens de moeder zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt:
primair voor recht te verklaren dat de erkenning van de minderjarige [minderjarige] nietig is en te bepalen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] gehouden is tot doorhaling van de akte van erkenning van [minderjarige];
subsidiair een bijzondere curator te benoemen om de belangen van [minderjarige] te behartigen;
meer subsidiair te bepalen dat de moeder voortaan alleen met het gezag over [minderjarige] wordt belast;
primair te bepalen dat er geen contact meer zal zijn tussen de vader en [minderjarige];
subsidiair de zorg- en contactregeling te wijzigen, in die zin dat er eens per drie weken gedurende twee uur onder begeleiding van de gecertificeerde instelling contact zal zijn tussen de vader en [minderjarige];
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator voert verweer, welk verweer hierna voor zover nodig zal worden besproken.
Feiten
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van [minderjarige].
Blijkens de aantekening van 28 december 2021 uit het gezagsregister oefenen de ouders het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2025 is bepaald dat [minderjarige]:
één keer per twee weken op vrijdag van 11.00 uur tot 15.00 uur begeleid contact zal hebben met de vader, waarbij steeds twee contactmomenten achter elkaar in [plaats 1] (waarbij de vader reist en de kosten draagt) zullen plaatsvinden en vervolgens één in [plaats 2] (waarbij de moeder en [minderjarige] reizen en de moeder de kosten draagt);
één keer per week telefonisch contact zal hebben met de vader, door middel van een videobelgesprek;
en is bepaald dat de moeder de vader wekelijks op woensdag rond etenstijd, telefonisch informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige].
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 februari 2026 is mr. J.W. Stok voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige op grond van artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 april 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 april 2027.
Beoordeling
Vernietiging erkenning
Juridisch kader / Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:205 lid 1 BW kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:
door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden is bewogen toestemming tot erkenning te geven.
De moeder heeft een beroep gedaan op dwaling. Uit lid 3 van het hiervoor genoemde artikel volgt dat in geval van dwaling het verzoek binnen een jaar moet worden ingediend nadat de dwaling door de moeder is ontdekt. De moeder heeft gesteld dat zij de dwaling heeft ontdekt nadat na een DNA-onderzoek door middel van een zelftest bij [laboratorium] – een niet-geaccrediteerd laboratorium – van 1 maart 2024 is gebleken dat de vader niet de biologische vader is van [minderjarige]. De moeder heeft haar verzoek vervolgens pas ingediend op 15 januari 2026, zodat de termijn waarbinnen het verzoek kan worden gedaan in ieder geval is verstreken. De rechtbank zal de moeder op grond van het voorgaande dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
De bijzondere curator heeft na eigen onderzoek en overwegingen besloten het verzoek niet over te nemen namens [minderjarige]. Continuering van de huidige situatie, waarbij er omgang is tussen [minderjarige] en de vader en de biologische vader niet in beeld is noch zal komen, is volgens de bijzondere curator in het belang van [minderjarige]. Bovendien kan [minderjarige] tot uiterlijk drie jaren nadat zij meerderjarig is geworden zelf nog een verzoek tot vernietiging indienen.
Omdat de moeder niet ontvankelijk is in haar verzoek en de bijzondere curator het verzoek niet overneemt, ligt er voor de rechtbank verder geen verzoek ten aanzien van de vernietiging van de erkenning meer voor om op te beslissen.
Ontslag bijzondere curator
Uit het voorgaande volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253n BW kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd, indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
De rechtbank concludeert dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds het ontstaan van het gezamenlijk gezag door middel van de aantekening in het gezagsregister. Er is al eerder een langdurige procedure over de zorgregeling tussen de ouders geweest en sinds 18 april 2023 staat [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling. De rechtbank zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek.
Standpunten van partijen
De moeder stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat eenhoofdig gezag in het belang is van [minderjarige]. De vader heeft nooit een verzorgende of opvoedende rol gehad en hij heeft [minderjarige] altijd alleen onder begeleiding gezien. Hij toont ook geen initiatief in de zorg en opvoeding. De gebrekkige samenwerking van de vader met de moeder en de jeugdbeschermer maakt, in combinatie met het feit dat de vader in [plaats 2] woont, dat het gezamenlijk gezag volgens de moeder op praktische bezwaren stuit en niet werkt.
De vader voert verweer. Hij stelt dat hem wordt verweten dat hij onvoldoende een rol speelt in het leven van [minderjarige], terwijl hij vindt dat hij hier de kans ook niet voor krijgt omdat de vastgestelde zorgregeling door de moeder en de jeugdbeschermer niet wordt nageleefd. De door de rechtbank vastgestelde begeleide contactmomenten in [plaats 2] hebben immers nooit plaatsgevonden. Volgens de vader is niet voldaan aan de gronden voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. De ouders kunnen op hun niveau met elkaar overleggen en communiceren, en het feit dat de vader financieel niet kan bijdragen maakt ook niet dat hij geen gezaghebbende ouder kan zijn.
Namens de gecertificeerde instelling is naar voren gebracht dat de vader onvoldoende invulling weet te geven aan zijn rol als gezaghebbende ouder; het contact tussen de ouders maar ook tussen de vader en de jeugdbeschermer verloopt erg moeizaam. Voor alle hulpverlening die ingezet wordt voor [minderjarige] is de handtekening van de vader nodig, maar ook als [minderjarige] naar school gaat is de bereikbaarheid en goed contact met de vader van belang.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en alles wat tijdens de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat het contact tussen de ouders en de samenwerking moeizaam verloopt. In het plan van aanpak van 1 april 2026 geeft de gecertificeerde instelling aan dat het de ouders onvoldoende lukt om samen besluiten te nemen en samen te werken vanuit het belang van [minderjarige]. Omdat beide ouders een licht verstandelijke beperking hebben en de ontwikkeling van [minderjarige] complex is, maakt dat het lastig is voor hen om hierover met elkaar in gesprek te gaan en tot gezamenlijke afstemming te komen, zo staat in het plan van aanpak beschreven. Doordat veel omgangsmomenten niet door zijn gegaan – wat daar de reden ook voor is – en de samenwerking zo moeizaam verloopt, is de situatie ontstaan dat de vader eigenlijk niet echt betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en kan hij moeilijk inschatten wat zij nodig heeft. Onder deze omstandigheden is het moeilijk voor de ouders om met elkaar in gesprek te gaan en samen beslissingen met betrekking tot het gezag te nemen. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat deze beslissingen kunnen worden genomen, zonder dat dit leidt tot discussie. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd, en de moeder met het eenhoofdig gezag zal worden belast.
Omdat de moeder met het eenhoofdig gezag zal worden belast, zal de rechtbank hierna spreken over de omgangsregeling in plaats van de zorgregeling. De rechtbank benadrukt daarbij dat het belangrijk is dat nu wordt ingezet op de omgang tussen de vader en [minderjarige], en dat een wijziging in het gezag geen wijziging brengt in het recht van [minderjarige] en de vader op omgang met elkaar.
Omgang
Wettelijk kader
Op basis van het tweede en derde lid van artikel 1:377a BW kan de rechter, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzeggen als aan één van de in dat artikel genoemde gronden is voldaan. De omgangsregeling kan op basis van artikel 1:377e BW door de rechter worden gewijzigd, onder meer op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
De rechtbank concludeert dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat is gebleken dat de in de beschikking van 19 maart 2025 vastgestelde regeling in de praktijk niet goed uit te voeren blijkt, en voor een groot deel ook niet wordt nagekomen.
Standpunten van partijen
De moeder heeft primair verzocht de omgang tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen. Volgens de moeder is de omgang met de vader erg belastend voor [minderjarige], omdat de vader niet goed in staat is om de omgang op een plezierige manier in te vullen. De vader sluit niet aan bij de emotionele behoeftes van [minderjarige] en hij is niet in staat om zelfstandig vader te zijn. De vader is vaak boos, kan geen structuur bieden en zegt de omgang vaak af. Inmiddels heeft er ook al vier maanden geen omgang plaatsgevonden. Subsidiair verzoekt de moeder een wijziging van de omgangsregeling naar eenmaal per drie weken gedurende twee uur onder begeleiding in [plaats 1].
De vader voert verweer. De vader vindt dat hem niet kan worden verweten dat hij ver weg woont, dat was immers al bekend bij het aangaan van de relatie. In de vastgestelde regeling was bepaald dat eens in de zes weken een begeleid contactmoment zou plaatsvinden in [plaats 2], maar dat is nooit van de grond gekomen. Voor zover de vader weet is er nooit een aanmelding gedaan bij een instantie om deze momenten te begeleiden. De vader kan op deze manier ook niet groeien in zijn rol als vader en leren hoe hij kan aansluiten bij de behoefte van [minderjarige], omdat hij die kans niet krijgt. De begeleide omgangsmomenten die in [plaats 1] niet zijn doorgegaan waren voor een groot deel verklaarbaar; de vader was een aantal keren ziek en kon soms de lange reis vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] niet maken door omstandigheden buiten zijn macht. De vader ervaart dat de jeugdbeschermer er alles aan doet om hem uit het leven van [minderjarige] te krijgen. Dit leidt bij de vader tot boosheid en frustratie. De vader heeft geen vertrouwen in de begeleiding van de omgang door William Schrikker Gezinsvormen, waar nu een aanmelding is gedaan. Als die instantie de begeleide omgang al zal doen, dan is dat volgens de vader ook mogelijk in [plaats 2] of in een plaats tussen [plaats 1] en [plaats 2]. Voor een begeleid omgangsmoment van twee uurtjes zal de vader in ieder geval niet naar [plaats 1] reizen heeft hij aangegeven, omdat zijn treinreis in dat geval langer is dan de duur van het bezoek.
De gecertificeerde instelling heeft in de jeugdzaak (C/09/702633, JE RK 26-554) zelf een verzoek gedaan tot wijziging van de omgang, waarbij de vader één keer per maand onder begeleiding op vrijdag gedurende twee uur omgang heeft met [minderjarige] in [plaats 1]. Omdat [zorginstantie] met de omgangsbegeleiding is gestopt, zal dat door een nieuwe begeleidende instantie moeten worden opgepakt. Er is een aanmelding gedaan bij William Schrikker Gezinsvormen. Er zal daarnaast een gesprek met de vader moeten plaatsvinden waarin de zorgen rondom de veiligheid, voorspelbaarheid en samenwerking wordt besproken en er concrete afspraken worden vastgelegd over verwachtingen, gedrag en naleving van de begeleiding.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt ten aanzien van het primaire verzoek van de moeder dat niet is gebleken dat er gronden zijn om de omgang tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen. Ondanks dat niet elk omgangsmoment helemaal goed is verlopen, blijkt uit de stukken dat [minderjarige] tijdens de bezoeken ook momenten laat zien van plezier in het samen spelen met de vader. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat zij haar vader wel blijft zien. Het primaire verzoek van de moeder om de omgang tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen zal daarom worden afgewezen.
De rechtbank ziet wel aanleiding om de huidige omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat [minderjarige] één keer per maand op vrijdag gedurende twee uur begeleide omgang zal hebben met de vader, waarbij de begeleide omgang plaatsvindt in [plaats 1]. De rechtbank verwijst naar hetgeen daarover is overwogen in de beschikking van 30 juli 2026 in de jeugdzaak (C/09/702633, JE RK 26-554) en neemt die overwegingen in deze beschikking over:
“Op grond van de informatie, zoals die is gebleken uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde bijlagen en wat ter zitting besproken is, komt de kinderrechter tot het oordeel dat het wel in het belang van [minderjarige] is dat de omgangsregeling wordt gewijzigd, in die zin dat [minderjarige] één keer per maand op vrijdag gedurende twee uur begeleide omgang zal hebben met de vader, waarbij de begeleide omgang plaatsvindt in [plaats 1]. Daarbij gelden ook de voorwaarden zoals verzocht door de gecertificeerde instelling. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
Uit de stukken blijkt dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is, zowel in haar ontwikkeling als in haar gedrag. Daarom is extra aandacht en toezicht nodig bij de omgangsmomenten met de vader. Vier uur omgangsbegeleiding is over het algemeen al erg lang, maar in het specifieke geval van [minderjarige] is uit de verslagen van [zorginstantie] ook gebleken dat de frequentie en duur van de omgangsbegeleiding voor haar te veel en te lang is. De vader kan de omgangsmomenten niet passend en consequent invullen en de fysieke veiligheid is onvoldoende. De kinderrechter neemt ook in haar overweging mee dat bijna de helft van de omgangsmomenten niet zijn doorgegaan. Uit het overzicht blijkt dat negen van de twaalf momenten door de vader zijn afgezegd. Daar kan een goede reden voor zijn, maar voor [minderjarige] is dit niet goed en is het van belang dat de omgangsmomenten worden nagekomen zodat het voor haar voorspelbaar en duidelijk is. Het betoog van de vader dat het allemaal aan de jeugdbeschermer ligt is naar het oordeel van de kinderrechter misplaatst, gelet op het feit dat in dit geval de omgangsbegeleiding door [zorginstantie] is afgezegd en er een nieuwe instantie moet worden gezocht voor het begeleiden van de omgang. Op de zitting is namens de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat er een aanmelding is gedaan bij William Schrikker Gezinsvormen om dit op te pakken. De beperkte samenwerking tussen de vader en de professionals maakt het in deze situatie extra lastig. Uit de verslagen blijkt dat de vader vaak bozig is en weerstand toont. Op de zitting heeft de kinderrechter de boosheid van de vader ook gezien. De kinderrechter begrijpt dat de situatie voor de vader heel moeilijk en frustrerend is, waar zijn dochter op een grote afstand woont en hij financiële beperkingen heeft om naar [plaats 1] te komen, maar dat is nu eenmaal de situatie. De kinderrechter moet beoordelen wat het meest in het belang van [minderjarige] is, en dat is naar haar oordeel dat de begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader plaatsvindt in de plaats waar [minderjarige] woont. De wens van de vader dat [minderjarige] (ook) richting [plaats 2] komt is – los van de vraag of het in het belang is van [minderjarige] om die reis samen met haar moeder af te leggen – vanwege het ontbreken van een instantie die de omgang kan begeleiden tot nu toe ook niet mogelijk gebleken. De kinderrechter geeft de vader dringend mee om zijn standpunt om niet voor twee uur begeleide omgang naar [plaats 1] af te reizen te herzien, omdat het belangrijk is dat hij laat zien dat die begeleide bezoeken goed kunnen verlopen. Als dat zo is, en de omgangsmomenten structureel worden nagekomen, dan kan door de gecertificeerde instelling gekeken worden naar een uitbreiding in frequentie in duur als dat in het belang is van [minderjarige]. Dat is op dit moment naar het oordeel van de kinderrechter echter een stap te ver. Voor nu is het belangrijkst dat er contact blijft tussen de vader en [minderjarige], en dat hij niet uit het leven van [minderjarige] verdwijnt.
De door de gecertificeerde instelling in zijn verzoek opgenomen voorwaarden lenen zich niet voor opname in de beslissing. Zoals hiervoor al is overwogen gelden deze voorwaarden echter wel, namelijk:
dat er een nieuwe begeleidende organisatie wordt gezocht en gevonden die bereid en in staat is deze omgang te begeleiden;
dat er een gesprek met vader plaatsvindt, waarin de zorgen rondom veiligheid, voorspelbaarheid en samenwerking worden besproken en concrete afspraken worden vastgelegd over verwachtingen, gedrag en naleving van de begeleiding.”
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2025 – :
*
verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1996 te [geboorteplaats 2], het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1];
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] één keer per maand op vrijdag gedurende twee uur begeleide omgang zal hebben met de vader, waarbij de begeleide omgang plaatsvindt in [plaats 1];
*
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.I. Noordegraaf als griffier.