Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24690

2026-07-30 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/688853 / FA RK 25-5523
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-08-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/688853 / FA RK 25-5523
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wijziging zorgregeling (o.a. halen en brengen) en wijziging kinderalimentatie (geen grove miskenning wettelijke maatstaven 1:401 lid 5 BW)

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.880 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer


Rekestnummer: FA RK 25-5523
Zaaknummer: C/09/688853
Datum beschikking: 30 juli 2026


Alimentatie



Beschikking op het op 21 juli 2025 ingekomen verzoek van:




[de moeder] ,

de moeder/vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. de Roode te Leiderdorp.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de vader] ,

de vader/man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl (voorheen: mr. J. Koenen) te Rotterdam.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift;


het verweerschrift tevens verzoekschrift;


het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens aanvullend verzoek verhuizing buitenland;


het F9 formulier van 14 oktober 2025 van de vrouw;


het verweerschrift inzake het zelfstandig verzoek verhuizing buitenland, tevens aanvullend voorwaardelijk zelfstandig verzoek tot wijziging hoofdverblijfplaats;


het F9 formulier van 17 maart 2026 van de vrouw;


het F9 formulier van 13 april 2026 van de vrouw;


de brief van 9 juni 2026 van de vrouw, houdende de intrekking van het verzoek tot vervangende toestemming verhuizing buitenland;


het F9D bericht van 11 juni 2026, met bijlage, van de vrouw;


het bericht va 18 juni 2026 van de vrouw;


het bericht van 19 juni 2026 van de man;


het aanvullend verzoekschrift inzake wijziging petitum van de vrouw;


het F9D bericht van 23 juni 2026, met bijlagen, van de man;


het F9D bericht van 23 juni 2026, met bijlagen, van de vrouw;


het aanvullend zelfstandig verzoek zorgregeling van de man;


het F9D bericht van 29 juni 2026, met bijlagen van de man;


het aanvullend verzoek van de vrouw.




Op 2 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



de vrouw met haar advocaat;


de man met zijn advocaat ;



[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.




Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het F9D bericht van 3 juli 2026 van de man;
- het F9D bericht van 3 juli 2026 van de vrouw.



Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt, na wijziging, om te bepalen dat:


een videobelmoment met [de minderjarige] plaatsvindt als [de minderjarige] bij de man is in het weekend op zaterdagavond om 18.00 uur en tijdens vakanties één á twee keer op een in overleg afgesproken moment;


primair de kinderalimentatie wordt vastgesteld vanaf 1 december 2020 voor een bedrag van € 788,- per maand dan wel een ander bedrag dat de rechtbank juist acht, en de man veroordeeld wordt het bedrag van € 36.046,- terug te betalen dan wel een ander bedrag dat de rechtbank juist acht terug te betalen, en dat dit bedrag (€ 788,-) voor het eerst geïndexeerd wordt per 1 januari 2026 dan wel 1 januari 2027;


subsidiair een bedrag van € 788,- per maand aan kinderalimentatie vastgesteld wordt dan wel een ander bedrag dat de rechtbank juist acht, per de datum indiening verzoekschrift (21 juli 2025) dan wel een andere datum die de rechtbank juist acht en de kinderalimentatie van € 250,- per maand vast te stellen vanaf 1 december 2020 met veroordeling van de man in de achterstallige kinderalimentatie (in verband met indexering) van € 1.331,64 tot en met 21 juli 2025 dan wel een ander bedrag dat de rechtbank juist acht.




Na de zitting heeft de vrouw haar verzoek tot een videobelmoment in het weekend ingetrokken.



De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



Daarnaast verzoekt de man, na wijziging, zelfstandig:



de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel dit verzoek af te wijzen, dan wel een gewijzigde bijdrage vast te stellen van € 433,-met ingangsdatum beschikking en;


de zorgregeling, als opgenomen in het ouderschapsplan, als volgt te wijzigen:



o [de minderjarige] verblijft eens per veertien dagen (twee weekenden achtereen) van vrijdag ofwel uit school ofwel uit de BSO (afhankelijk van welke ouder [de minderjarige] brengt of haalt) tot en met zondagavond bij de man, waarbij de haal- en brengmomenten onder de ouders evenredig worden verdeeld, met behoud van de overige omgangsafspraken;
o op woensdagmiddag tussen 17.00 uur en 18.00 uur vindt een videobelmoment plaats tussen de man en [de minderjarige] ;
met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.




Feiten
- De vrouw en de man hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
- [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- De ouders hebben een ouderschapsplan opgesteld dat door hen werd ondertekend op 17 januari 2021 respectievelijk 5 april 2021, waarin, voor zover hier van belang, is opgenomen:

3.3

Omgangsregeling




De ouders kiezen voor een omgangsregeling waarbij de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder is. (…)




Op het moment dat [de minderjarige] leerplichtig is zal een om 14 dagen omgangsregeling van kracht gaan waarbij de vader [de minderjarige] om het weekend zal hebben.



o [de minderjarige] wordt vrijdagochtend door de moeder met alle spulletjes naar school gebracht. De vader haalt [de minderjarige] vrijdag van school op en brengt [de minderjarige] de maandagochtend na het weekend met al zijn spulletjes naar school. Mocht de school gesloten zijn dan zal de overdracht op een neutrale voorgesproken locatie en tijdstip overeengekomen worden tussen beiden ouders (…)


4.5


Vakanties en feestdagen


Eén keer per jaar worden de vakanties en de feestdagen door de ouders, eventueel in overleg met de kinderen, gepland en zullen deze gelijk verdeeld worden. (…)




4.7


Vervoer van het kind en zijn spullen


(…)

- Op het moment dat [de minderjarige] leerplichtig is zullen de ouders [de minderjarige] om de beurt halen en brengen op het adres waar de ouder woonachtig is.(…)


7.1.1

De alimentatiegerechtigde ontvangt de kinderalimentatie op een eigen rekening




De hoogte van de kinderalimentatie is door een officiële berekening tot stand gekomen maar opgehoogd om de welstand van [de minderjarige] te bevorderen.




Met ingang van de datum: 01-02-2020 en zolang [de minderjarige] minderjarig is betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor [de minderjarige] .




De vader stort maandelijks de kinderalimentatiebijdrage van: € 250,- voor de eerste van iedere maand op bankrekeningnummer [bankrekening] ten name van [de moeder] .






Indien er een aanzienlijke wijziging optreed in de financiële of persoonlijke situatie van de vader en of de moeder (meerderjarig worden van [de minderjarige] , hoger inkomen van één van de twee ouders) zal een herberekening via de site:
https://kart.rechtwijzer.nl/
of via een onafhankelijk bureau bijv. het LBIO opdracht gegeven worden opnieuw een kinderalimentatie berekening te maken o.b.v. de actuele, financiële- en gezinssituatie van zowel de vader als de moeder op dat moment. Indien deze berekening aanleiding geeft tot wijzigen van kinderalimentatie zullen man en vrouw alsdan opnieuw een bedrag aan kinderalimentatie met elkaar overeen komen (…)




De alimentatievergoeding is alleen en uitsluitend bedoeld voor de verblijfsoverstijgende kosten van verzorging voor [de minderjarige] , te kennen:





o Kleding en schoeisel
o Kosten van kinderopvang
o Kosten voor openbaar vervoer (i.v.m. school)
o Sportcontributies, sportbenodigdheden, sportkleding
o Muziekinstrumenten
o Abonnementen (waaronder telefoon)
o Kapper
o Schoolgeld, schoolexcursies /schoolreisje
o Fiets
o Niet vergoede medische kosten

De verblijfskosten zijn de kosten die de ouder moet betalen op het moment [de minderjarige] bij diegene verblijft, te kennen:




o Eten
o Drinken
o Lichaamsverzorging
o Huisvestingskosten
o Uitstapjes/vakanties
o Speelgoed




7.1.2


Ontvangen bijdrage van de overheid voor het kind


Ontvangen bijdrage van de overheid wordt gestort op de rekening van de moeder. Met uitzondering (indien van toepassing) zal van het kindgebonden budget gebruikt worden voor de verzorging van [de minderjarige] .

- De kindertoeslag wordt iedere kwartaal door SVB gestort op de rekening van de moeder. Het bedrag wordt direct op [de minderjarige] Groei Groter rekening gestort, die de moeder na zijn geboorte in 2019 heeft geopend. Dit zal tot zijn 18e jaar direct op deze rekening gestort worden en niet gebruikt worden voor anderen zaken.
- De rekenschrift worden aan de vader ter inzage gegeven via internetbankieren.
- Het saldo voor de spaarrekening is bedoeld voor bijv. studie, trouwen, eerste grote reis van [de minderjarige] .





7.2


Wijziging situatie


Wanneer de situatie verandert (verlies van inkomen, andere omgangsregeling, wijziging in co-ouderschap enz.) zullen de ouders in onderling opnieuw de hoogte van de bijdrage in de kosten van [de minderjarige] vaststellen, opnemen in het ouderschapsplan en dit wederom vastleggen. (…)






Beoordeling



Zorgregeling

Uit de stukken en wat op de zitting is besproken, is het volgende gebleken. De ouders geven op dit moment uitvoering aan een (reguliere) zorgregeling waarbij [de minderjarige] twee opeenvolgende weekenden per maand van vrijdag om 17.00 uur vanuit de BSO tot maandagmorgen naar school bij de vader is, waarbij de vader [de minderjarige] zowel op vrijdag ophaalt als op maandag terugbrengt. De vakanties en feestdagen worden bij helfte gedeeld tussen de ouders.




Reguliere zorgregeling

De vader verzoekt om aanpassing van de reguliere zorgregeling. Zondagavond is volgens de man een rustiger en beter wisselmoment dan maandagochtend. Het vroege opstaan en vertrekken op maandagochtend om vanuit [plaats 1] op tijd op school in [plaats 2] te zijn, is belastend voor [de minderjarige] . Verder stelt de vader dat de moeder het halen en brengen van [de minderjarige] nu volledig bij hem neerlegt en daarmee voorbij gaat aan wat in het ouderschapsplan is afgesproken. Deze situatie begint hem steeds meer op te breken. Ook verzoekt de vader om een videobelmoment met [de minderjarige] op woensdag tussen 17.00 uur en 18.00 uur. Op de zitting heeft de vader aangegeven dat de e-mails die de moeder hem over [de minderjarige] stuurt te uitgebreid voor hem zijn en dat hij om die reden zo kort mogelijk richting de moeder probeert te reageren.
De moeder voert verweer. Zij stelt dat de dagelijkse zorg voor [de minderjarige] volledig op haar schouders rust en dat zij betrokkenheid van de vader mist. Zij probeert de vader zo goed mogelijk te informeren over [de minderjarige] door uitgebreide e-mails te sturen, maar daarop komt nauwelijks reactie. Het is volgens de moeder in het belang van [de minderjarige] dat hij voldoende tijd met de vader doorbrengt. In de huidige regeling kan [de minderjarige] juist op zondagavond en maandagmorgen “quality time” hebben met de vader. De moeder is verder van mening dat van de vader mag worden verlangd dat hij zorg draagt voor het halen én brengen van [de minderjarige] . Dit omdat zij al het overgrote deel van de zorg voor [de minderjarige] draagt en dit veel van haar vraagt. Verder voert de moeder aan dat videobellen op woensdag, zoals de vader heeft verzocht, voor haar niet haalbaar is. Het zou eventueel wel op dinsdag of donderdag mogelijk voor haar zijn, aldus de moeder.



De raadsvertegenwoordiger heeft op de zitting benadrukt dat het van belang is dat de ouders een goede manier van communiceren met elkaar gaan vinden. Dit kan helpend voor de moeder zijn bij haar zware taak als hoofdverzorger van [de minderjarige] , dit omdat zij graag meer betrokkenheid en initiatief zou willen zien vanuit de vader. Verder heeft de raadsvertegenwoordiger benoemd dat het brengen van [de minderjarige] naar de andere ouder een fysieke toestemming impliceert die van belang is voor [de minderjarige] .



De ouders zijn op de zitting in de gelegenheid gesteld om na de zitting terug te koppelen aan de rechtbank of zij een beschikking wensen van de rechtbank of dat zij de verzoeken over de zorgregeling willen bespreken in een ouderschapsbemiddelingstraject, waarover hierna meer, waarbij de beslissing wordt aangehouden door de rechtbank.



De vader heeft de rechtbank na de zitting verzocht om en eindbeslissing te geven over de zorgregeling en daarbij aangegeven nog steeds bereid te zijn om deel te nemen aan ouderschapsbemiddeling. De moeder heeft na de zitting aangegeven dat zij, anders dan de vader, de voorkeur geeft aan aanhouding van de beslissing, in afwachting van de uitkomsten van de ouderschapsbemiddeling.



De rechtbank zal een eindbeslissing nemen omdat zij het in het belang van [de minderjarige] vindt dat er op korte termijn duidelijkheid komt over de zorgregeling.
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is als de vader in de omgangsweekenden tot maandagochtend de zorg voor [de minderjarige] draagt. Voor [de minderjarige] is het goed om deze extra “quality time” met de vader  op zondagavond bij de vader thuis en op maandagochtend tijdens het rijden  te behouden. De vader brengt immers al relatief weinig tijd met [de minderjarige] door. De rechtbank kan zich voorstellen dat de vader het vroege opstaan op maandagochtend en de autorit van [plaats 1] naar [plaats 2] intensief vindt, maar dit is slechts twee keer per maand. Bovendien komt, zoals hierna zal blijken, de autorit op vrijdagmiddag voor de vader te vervallen.



De rechtbank vindt het in het belang van [de minderjarige] dat beide ouders een aandeel hebben in het halen en brengen. Voor [de minderjarige] is het belangrijk om te weten dat beide ouders positief staan tegenover het contact met de andere ouder. Door ook de moeder een aandeel in het halen en brengen te geven, komt dit tot uitdrukking. Daarbij komt dat niet gezegd kan worden dat het uitsluitend aan de vader te wijten is dat de afstand tussen beide huizen zo groot is. De rechtbank zal daarom bepalen dat [de minderjarige] twee opeenvolgende weekenden per maand bij de vader is, waarbij de moeder [de minderjarige] op vrijdag uit school naar de vader brengt en de vader [de minderjarige] op maandagochtend naar school brengt.



Overigens geeft de rechtbank ouders in overweging om in onderling overleg te onderzoeken of een regeling van om de week een weekend niet meer in het belang van [de minderjarige] is. Twee opeenvolgende weekenden hebben immers het nadeel dat daarna een periode volgt van bijna 3 weken waarin [de minderjarige] zijn vader in het geheel niet ziet.




Videobellen

Ten aanzien van het verzoek van de vader voor een videobelmoment op woensdag overweegt de rechtbank dat de moeder heeft aangegeven dat de woensdag niet haalbaar is voor haar, maar dat dinsdag of donderdag wel mogelijk is. De rechtbank zal daarom bepalen dat er één keer per week tussen 17.00 uur en 18.00 uur een videobelmoment is tussen [de minderjarige] en de vader, in onderling overleg te bepalen of dit iedere dinsdag of iedere donderdag zal zijn.



De moeder heeft haar verzoek om een videobelmoment met [de minderjarige] in het weekend ingetrokken. Naar de rechtbank begrijpt, handhaaft zij wel haar verzoek om een videobelmoment met [de minderjarige] tijdens vakanties. De rechtbank zal bepalen dat er één á twee keer een videobelmoment tussen de moeder en [de minderjarige] plaatsvindt tijdens vakanties langer dan een week bij de vader, op een in onderling overleg afgesproken moment.




Ouderschapsbemiddeling

Gebleken is dat de ouders een verschillende wijze van communiceren hebben en dat dit tot onbegrip over en weer leidt. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap om op die manier te gaan werken aan de verbetering van de onderlinge communicatie. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio.



De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.




Kinderalimentatie





Ontvankelijkheid

De rechtbank stelt bij de beoordeling van het verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie voorop dat wijziging of intrekking van een rechterlijke uitspraak of overeenkomst ten aanzien van alimentatie op grond van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk is als zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1), als de rechterlijke uitspraak van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat daarbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4), of als de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5).




Grove miskenning van de wettelijke maatstaven artikel 1:401 lid 5 BW

De vrouw beroept zich primair op artikel 1:401 lid 5 BW.



De rechtbank overweegt als volgt. Van een overeenkomst die is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is sprake indien partijen destijds onopzettelijk als gevolg van een onjuist inzicht in de wettelijke maatstaven, of omdat zij uitgingen van onjuiste of onvolledige gegevens, evident van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. De term grove miskenning van wettelijke maatstaven brengt met zich dat de rechtbank de overeengekomen kinderalimentatie niet zonder meer kan wijzigen wanneer zij op grond van dezelfde gegevens tot een ander resultaat komt. Het brengt een zwaardere toets met zich mee: de overeengekomen bijdrage dient in een overduidelijke wanverhouding te staan tot de wettelijke maatstaven en die gegevens. De rechtbank zal dus moeten beoordelen of sprake is van een evidente wanverhouding tussen de wettelijke maatstaven en het tussen partijen overeengekomen bedrag.



De rechtbank stelt voorop dat de vrouw op de zitting erkend heeft dat de man feitelijk altijd een bedrag van € 316,- per maand betaalt en niet slechts een bedrag van € 250,- per maand. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal dit hierna toelichten.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige] in 2021 moest worden bepaald op basis van aanbevelingen in het Rapport Alimentatienormen. Een netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) hoger dan € 6.000,- leidt in 2021 tot een behoefte van € 830,- per maand. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat de inkomens van partijen zo hoog waren dat het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) voor de berekening van de behoefte van [de minderjarige] niet gemaximeerd moest worden op € 6.000, -. Van zulke hoge inkomens is allerminst gebleken.
De zorgregeling geeft aanleiding tot een zorgkorting van 25% wat ook voor rekening van de man is gekomen. Uitgaande van een behoefte van € 830,- per maand bedroeg de zorgkorting dan € 207,50 per maand. De man heeft dus feitelijk € 523,50 per maand (€ 316,- + € 207,50) bijgedragen. De door de vrouw verstrekte informatie geeft geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een overduidelijke wanverhouding tussen dat wat de man heeft bijgedragen en wat hij op grond van de wettelijke maatstaven had moeten bijdragen. Hierbij betrekt de rechtbank ook de door de man als productie 9 overgelegde berekening die destijds in het kader van het opstellen van het ouderschapsplan zou zijn gemaakt en waaruit een kinderalimentatie van € 191,- per maand volgt. Deze berekening is niet inhoudelijk door de vrouw bestreden. De rechtbank zal daarom het primaire verzoek van de vrouw afwijzen.




Wijziging van omstandigheden artikel 1:401 lid 1 BW

Subsidiair beroept de vrouw zich op artikel 1:401 lid 1 BW. Tussen partijen is niet in geschil dat een wijziging van omstandigheden is gelegen in het inkomen van de vrouw per de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 21 juli 2025. De rechtbank zal de vrouw daarom ontvangen in haar subsidiaire verzoek.



De rechtbank volgt de man niet in zijn standpunt dat inmiddels weer sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven tot aanpassing van de kinderalimentatie. De man stelt weliswaar onweersproken dat hij minder uren per week is gaan werken vanwege een blessure aan zijn been, maar de rechtbank is van oordeel dat dit een tijdelijke situatie betreft die om die reden geen aanleiding geeft tot aanpassing van de kinderalimentatie.



Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatie-normen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.




Ingangsdatum

De rechtbank ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum te bespreken. De vrouw verzoekt om uit te gaan van de datum van indiening van haar verzoek, te weten 21 juli 2025. De man verzoekt om uit te gaan van de datum van de te wijzen beschikking.



De rechtbank zal als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift hanteren. De man heeft namelijk vanaf die datum rekening kunnen houden met een wijziging van de kinderalimentatie.




Behoefte [de minderjarige]

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. Zoals hiervoor overwogen bedroeg de behoefte van [de minderjarige] in 2021 € 830,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 989,- per maand.




Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een WIA-uitkering van € 3.187,45 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de vrouw overgelegde betaalspecificatie 2025 van het UWV.



Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.683,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125 ,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [2.683,- – (805 + 1.310)] = € 398,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 7.500,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de vrouw overgelegde loonstroken in het jaar 2025 van de man.



De rechtbank houdt verder rekening met:



de pensioenpremie van € 193,51 per maand;


premie WGA-WHK van € 23,39 per maand.




Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 4.978,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening gehouden moet worden met zijn studieschuld bij DUO waarop hij maandelijks € 175,25 aflost. De rechtbank is van oordeel dat de man deze last uit zijn vrije ruimte kan betalen.



Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.978 – (1.493 + 1.310)] = € 1.522,- per maand.




Gezamenlijke draagkracht en draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.920,- per maand (€ 398,- + € 1.522,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.522 / 1.920 x 989 = € 784,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 398 / 1.920 x 989 = € 205,-
samen € 989,-



Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 784,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 205,- per maand komt voor rekening van de vrouw.




Zorgkorting

Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 25.
De zorgkorting bedraagt dan € 247,- per maand ((25% van € 989,-).
Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] bedraagt dan € 537,- per maand (€ 784,- minus € 247,-).




Conclusie

Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de door de man met ingang van 21 juli 2025 aan de vrouw te betalen kinderalimentatie bepalen op € 537,- per maand.
Dit rechtbank zal de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 562,- per maand.



Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.



Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.




Verzoek van de vrouw met betrekking tot te betalen bedragen wegens achterstallige kinderalimentatie en indexatie

De vrouw verzoekt primair om te man te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van € 36.046,- en subsidiair een bedrag van € 1.331,64 wegens achterstallige kinderalimentatie en indexering. De man voert verweer.



De rechtbank wijst zowel het primaire als het subsidiaire verzoek van de vrouw af. De rechtbank wijst het primaire verzoek af omdat de rechtbank de alimentatie niet wijzigt met ingang van 1 december 2020. De rechtbank wijst het subsidiaire verzoek af omdat de vrouw op de zitting heeft erkend dat de man feitelijk altijd een bedrag van € 316,- per maand heeft betaald en niet slechts een bedrag van € 250,- per maand. Hiermee staat vast dat de man altijd meer heeft betaald dan het bedrag van € 250,- vermeerderd met de wettelijke indexatie, zijnde in 2026 een bedrag van € 312,- per maand.
Dit doet overigens niet af aan het feit dat de man de vrouw wel nog dient te betalen het verschil tussen wat hij feitelijk heeft betaald sinds 21 juli 2025 en wat hij op grond van deze beschikking sinds 21 juli 2025 had moeten betalen.



Ten overvloede wijst de rechtbank nog op het volgende. Ouders zijn in het ouderschapsplan overeengekomen dat de vrouw de kinderbijslag stort op een spaarrekening van [de minderjarige] en dit niet aanwendt voor de kosten van de verzorging en opvoeding. Het staat ouders vrij om een dergelijke afspraak te maken, maar deze afspraak is niet zonder meer in overeenstemming met de wijze waarop de rechtbank hiervoor de alimentatie heeft berekend. Het Rapport Alimentatienormen dat de basis vormt voor deze berekening, laat de kinderbijslag immers buiten beschouwing omdat ervan wordt uitgegaan dat deze door de ouder die de verblijfsoverstijgende kosten betaalt, daarvoor wordt aangewend. De vrouw heeft na wijziging van haar verzoek niet meer verzocht om te bepalen dat deze afspraak niet langer geldt, dus de rechtbank zal dat ook niet bepalen. De rechtbank geeft ouders wel in overweging daar samen nadere afspraken over te maken.




Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling, ondertekend door de vader en de moeder op 17 januari 2021 respectievelijk 5 april 2021 – :


*
bepaalt dat een reguliere zorgregeling zal gelden waarbij de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn:

- twee opeenvolgende weekenden per maand, waarbij de vrouw [de minderjarige] op vrijdag uit school naar de vader brengt en de vader [de minderjarige] op maandagochtend naar school brengt;
en waarbij er:
- één keer per week tussen 17.00 uur en 18.00 uur een videobelmoment is tussen [de minderjarige] en de vader, in onderling overleg te bepalen of dit iedere dinsdag of iedere donderdag zal zijn;


bepaalt dat er één á twee keer een videobelmoment tussen de vrouw en [de minderjarige] is tijdens vakanties langer dan een week bij de vader, op een in onderling overleg afgesproken moment;



*
stelt vast dat de ouders, te weten:

[de vader] , (de vader)
wonende te [adres 1] ,
en

[de moeder] , (de moeder)
wonende te [adres 2] .



bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;



beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 –, 2343 LA Oegstgeest;



stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;



*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 21 juli 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 537,- per maand, en met ingang van 1 januari 2026 van € 562,- per maand, zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



*
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, bijgestaan door mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juli 2026.