Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24689
2026-07-30
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/695341 / FA RK 25-9011
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
kinderalimentatie
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.725 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9011
Zaaknummer: C/09/695341
Datum beschikking: 30 juli 2026
Kinderalimentatie, omgang- c.q. zorgregeling, gezag, hoofdverblijfplaats
Beschikking op het op 26 november 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Bouwmeester te Noordwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.E. Smal te Castricum.
De advocaat van de moeder heeft van de advocaat van de vader vernomen dat zij zich zou hebben onttrokken. De advocaat van de vader heeft dit niet op de daartoe voorgeschreven wijze bij de rechtbank bekend gemaakt. Mr. J.E. Smal wordt derhalve geacht in deze procedure de vader te vertegenwoordigen.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift met bijlagen;
het verweerschrift tevens verzoekschrift met bijlagen;
het verweer tegen het zelfstandig verzoek en tevens wijziging verzoek.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft schriftelijk zijn mening gegeven over het verzoek. De minderjarige [de minderjarige 2] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven over het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 2 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat en M. Wamelink namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De vader en zijn advocaat zijn niet verschenen.
Feiten
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] .
- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven bij de moeder.
Ten aanzien van [de minderjarige 1] oefenen de ouders het gezamenlijk gezag uit.
Ten aanzien van [de minderjarige 2] oefent de moeder van rechtswege het eenhoofdig gezag uit.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, na wijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij moeder zal zijn;
dat vader aan moeder een bijdrage betaalt in de kosten van verzorging en opvoeding van € 364 per kind per maand, totaal € 728 per maand althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van 26 november 2025 tot aan de datum, van de beschikking van uw rechtbank, onder verrekening van de reeds gedane betaling van € 1.354,17;
vader aan moeder een bijdrage betaalt in de kosten van verzorging en opvoeding van € 364 per kind per maand, totaal € 728 per maand, althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, bij vooruitbetaling te voldoen vanaf de datum van de beschikking en voor het eerst te indexeren per 1 januari 2027;
de bijdrage kan worden aangepast indien uit toekomstige financiële gegevens blijkt dat het huidige ondernemingsinkomen van vader hoger of lager is dan thans aannemelijk gemaakt;
vader de onder 4.1 genoemde financiële bescheiden binnen twee weken na beschikking in het incident over te leggen;
indien vader niet binnen de gestelde termijn aan dit bevel voldoet, de rechtbank de draagkracht van vader zal vaststellen op basis van de huidige gegevens en schattingen, dan wel op een wijze die de rechtbank geraden acht;
een zorgregeling vast te stellen conform het door moeder opgestelde ouderschapsplan, zoals overgelegd als productie 3 bij het verzoekschrift;
de kosten worden gecompenseerd.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en heeft tevens zelfstandig verzocht voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens te bepalen dat:
de vader dient bij te dragen in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen te bepalen van € 312,50 per kind per maand, althans een bijdrage in goede justitie te bepalen;
een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld, inhoudende dat de kinderen de zorg en opvoeding bij beide ouders gelijk verdeeld (50/50) doorbrengen, volgens het volgende schema:
- in de even weken verblijven de kinderen van partijen bij de vader vanaf zondag om 12 uur tot zondag 12 uur in de andere week, althans een beslissing in goede justitie te bepalen;
- de vader over [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] samen met de moeder belast wordt met het gezamenlijk gezag, althans een beslissing in goede justitie te bepalen.
Beoordeling
Gezag
Juridisch kader
Uit artikel 1:253c, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt ingevolge het tweede lid van dit artikel slechts afgewezen, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat het gezag over een kind gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend.
Inhoudelijke beoordeling
De vader wenst in het belang van [de minderjarige 2] dat hij net als de moeder betrokken wordt bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige 2] . De vader wenst samen met de moeder een beslissende stem te hebben bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige 2] , zo nodig informatie te kunnen vergaren bij diverse instanties en mee te kunnen beslissen over schoolkeuzes van [de minderjarige 2] , met name omdat de vader ook over [de minderjarige 1] belast is met het gezamenlijk gezag.
Volgens de moeder is de vader niet in gelijke mate betrokken bij het leven van de kinderen en heeft hij na de relatiebreuk niet over gezamenlijk gezag gecommuniceerd. Voor gezamenlijk gezag is communicatie vereist en die ontbreekt volgens de moeder waardoor [de minderjarige 2] klem kan raken tussen de ouders. De moeder stelt dat er in de uitoefening van het gezamenlijk gezag voor [de minderjarige 1] momenteel geen problemen zijn, omdat de ouders in de afgelopen tijd geen beslissingen hebben hoeven nemen. Daarnaast geeft de moeder aan dat de vader tijdens de relatie erg bepalend kon zijn in zijn gedrag waardoor de moeder bang is dat er een strijd oplaait wanneer zich een gezagsbeslissing voordoet.
Het is de rechtbank gebleken dat de communicatie tussen de ouders zeer moeizaam verloopt. Voor gezamenlijk gezag is het belangrijk dat ouders met elkaar in overleg kunnen treden. Volgens de moeder is dit vrijwel niet mogelijk en zou eventuele noodzakelijke communicatie leiden tot een heftige strijd wegens het gedrag van de vader. De vader is niet op de zitting verschenen om verder toe te lichten hoe hij denkt gezamenlijk beslissingen te kunnen gaan nemen zonder daarbij in een escalerende situatie te belanden. De rechtbank heeft ook niet kunnen bespreken wat ervoor nodig zou zijn om de verhouding tussen ouders niet onnodig te verstoren bij toekenning van het gezamenlijk gezag. De rechtbank gaat er in de huidige situatie daarom vanuit dat gezamenlijk gezag in de praktijk zal leiden tot een verstoorde verhouding tussen de ouders. De rechtbank acht het dan ook niet in het belang van [de minderjarige 2] dat de ouders gezamenlijk het gezag over hem uitoefenen. De rechtbank wijst het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af.
Omgangs- c.q. zorgregeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt.
Ingevolge artikel 1:253a, lid 2 sub a, BW, kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, welke regeling een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken kan omvatten.
Nu de moeder het eenhoofdig gezag over [de minderjarige 2] behoudt en de ouders gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] uitoefenen, zal de rechtbank gemakshalve de term zorgregeling gebruiken waarmee de regeling voor zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] wordt bedoeld.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder betwist dat de zorgverdeling gelijk was tijdens de relatie. Omdat de vader lange werkdagen maakte, kon hij een groot deel van de dag geen zorg voor de kinderen dragen. Toen de moeder vanaf 2017 ging werken, heeft de vader volgens de moeder geen zorgtaken op zich genomen en gingen de kinderen naar de opvang wanneer de moeder aan het werk was. De moeder stelt dat sprake is van structureel drankgebruik en stemmingswisselingen bij de vader. Volgens de moeder heeft de vader geen structuur in zijn leven en het is voor haar onbegrijpelijk waarom hij zonder verdere onderbouwing een co-ouderschapsregeling verzoekt. Op de zitting heeft de moeder toegelicht dat de kinderen volgens het ouderschapsplan in de oneven weken op donderdag uit school naar de vader gaan en zondag eind van de middag weer naar de moeder gaan. In de praktijk verblijven de kinderen binnen die periode van vrijdag uit school tot zaterdag eind van de ochtend bij de moeder. De moeder heeft onderbouwd gesteld dat het alcoholgebruik een uitlaatklep is van de vader, met name aan het einde van de werkweek op vrijdagavond, waardoor de moeder het niet in het belang van de kinderen acht dat de kinderen op die avond bij de vader verblijven.
De vader stelt dat hij tekort wordt gedaan nu de ouders volgens hem tijdens de relatie een feitelijk gelijkwaardige zorgregeling hanteerde. De vader wenst daarom een co-ouderschapsregeling. De vader stelt dat hij een passende woning heeft, stabiele werktijden en tijdens de relatie in gelijke mate voor de kinderen heeft gezorgd. Er zijn volgens hem geen omstandigheden die zich verzetten tegen co-ouderschap.
Het is de rechtbank gebleken dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] graag naar de vader gaan. De vader is niet op de zitting verschenen en heeft daarom geen toelichting kunnen geven op de vraag hoe hij het co-ouderschap voor zich ziet. De moeder heeft uitgebreid onderbouwd dat zij vrijwel alle zorgtaken voor de kinderen op zich neemt en heeft genomen. De vader heeft dit betwist maar niet verder onderbouwd. Daardoor is onduidelijk gebleven hoe hij de zorgtaken, die bij een co-ouderschap verdeeld moeten worden, op zich zal nemen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vader om co-ouderschap af. De moeder wenst een zorgregeling conform de nu feitelijk uitgevoerde regeling. Het is de rechtbank niet gebleken dat de belangen van de kinderen zich hiertegen verzetten en de rechtbank zal daarom overeenkomstig beslissen.
Hoofdverblijfplaats
Nu de vader in zijn verweerschrift met het verzoek van de moeder instemt en het de rechtbank niet is gebleken dat de belangen van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich hiertegen verzetten, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen en het verzoek van de moeder toewijzen.
Verzoek tot bevel tot overlegging financiële stukken
Op de zitting heeft de moeder het verzoek tot bevel tot overlegging van financiële stukken door de vader ingetrokken zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist door de rechtbank.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De moeder vraagt om de ingangsdatum te bepalen op de datum van het indienen van het verzoekschrift. Op de zitting wilde de moeder het verzoek aanpassen, maar gezien de vader niet op de zitting aanwezig was, houdt de rechtbank rekening met het verzoek uit de stukken. De rechtbank acht het redelijk om de ingangsdatum vast te stellen op de datum van het indienen van het verzoekschrift omdat de vader vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat hij kinderalimentatie moet gaan betalen.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun relatie worden bepaald.
De ouders zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 30.403,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de moeder overlegde aangifte Inkomsten Belasting 2025.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van de samenleving op € 2.534,- per maand.
De ouders zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 126.983,- per jaar. Bij gebrek aan recente inkomensgegevens van de vader, gaat de rechtbank hierbij uit van het gemiddelde van de winst uit onderneming van 2023 (€ 106.569,-), 2024 (€ 130.657) en 2025, waarbij de winst van 2025 is berekend door de winst van 2024 te extrapoleren met 10% (€ 130.657 + 10% = € 143.723).
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van de samenleving op € 6.416,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 8.950,- per maand (€ 2.534,- + € 6.416,- ). Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.700,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
Draagkracht moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 30.403,- per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2025, aangezien de rechtbank, zoals hierna zal blijken, ook voor de vader met inkomensgegevens uit 2025 zal rekenen.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 3.120,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [3.120 – (936 + 1.310)] = € 612,- per maand.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank wederom uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 126.983,- per jaar, nu er evenmin gegevens over 2026 beschikbaar zijn en de rechtbank zich beperkt tot het fictief berekenen van de winst uit onderneming in 2025.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 6.416,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [6.416 – (1.947 + 1.310)] = € 2.227,- per maand.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , geldt een percentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 424,- per maand (25% van 1.700 x 2).
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.839,- per maand (€ 612 + € 2.227). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 2.227 / 2.839 x 1.700 = € 1.334
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 612 / 2.839 x 1.700 = € 366
samen € 1.700
Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komt een gedeelte van € 910,- per maand, wat neerkomt op € 455,- per maand per kind voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 366,- per maand, wat neerkomt op € 181,- per maand per kind komt voor rekening van de moeder.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op al het voorgaande bepalen dat de vader aan de moeder, met ingang van 26 november 2025, een kinderalimentatie voor de kinderen moet betalen van€ 910,- per maand. De rechtbank zal het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft een berekening gemaakt van het NBI van de ouders, de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals gebruikelijk in deze procedures. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Kindbrief
De rechtbank zendt met gelijke post als deze beschikking een aparte brief aan [de minderjarige 1] waarin zij de beslissing – voor zover relevant voor [de minderjarige 1] – uitlegt. De inhoud van deze brief luidt als volgt:
“Beste [de minderjarige 1] ,
Je hebt een bericht aan de rechtbank gestuurd waarin je schrijft dat je het rooster waarin je bij je vader en bij je moeder bent, fijn vindt. Je zou wel graag op de vrijdag ook bij je vader zijn, als je daar het weekend bent. Nu ben je om de week van vrijdagmiddag tot zaterdag eind van de ochtend bij je moeder, terwijl je de dagen ervoor en erna bij je vader bent. Dat zie jij graag anders.
Jouw moeder heeft mij uitgelegd waarom jij en [de minderjarige 2] op vrijdag bij haar zijn. Zij vertelde mij dat zij dat ook met jullie heeft besproken. Helaas is je vader niet naar de zitting gekomen. Daarom heb ik niet kunnen horen hoe hij erover denkt. Ik heb daardoor alleen het verhaal van jullie moeder gehoord en op basis daarvan denk ik dat het goed is dat alles blijft zo het is. Ik vind het belangrijk dat jullie ergens zijn waar jullie veilig zijn, zeker in de nacht. Veilig betekent dat er een volwassene aanwezig is die altijd, onder alle omstandigheden, goed voor jullie kan zorgen. Daar twijfel ik nu voor de vrijdagavond/-nacht aan en daarom blijven jullie vrijdagavond bij jullie moeder slapen.
Ik hoop dat je hier begrip voor hebt, ook al wil je eigenlijk iets anders.
Vriendelijke groet,
De kinderrechter”
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over [de minderjarige 2] af;
stelt een zorgregeling vast voor de minderjarige:
[de minderjarige 1] ( [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] ,
overeenkomstig het ouderschapsplan waarbij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op vrijdagavond bij de moeder zullen overnachten;
stelt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vast bij de moeder;
bepaalt de door de vader met ingang van 26 november 2025 te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op een bedrag van € 910,- per maand telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
compenseert de proceskosten voor de ouders;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juli 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9011
Zaaknummer: C/09/695341
Datum beschikking: 30 juli 2026
Kinderalimentatie, omgang- c.q. zorgregeling, gezag, hoofdverblijfplaats
Beschikking op het op 26 november 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Bouwmeester te Noordwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.E. Smal te Castricum.
De advocaat van de moeder heeft van de advocaat van de vader vernomen dat zij zich zou hebben onttrokken. De advocaat van de vader heeft dit niet op de daartoe voorgeschreven wijze bij de rechtbank bekend gemaakt. Mr. J.E. Smal wordt derhalve geacht in deze procedure de vader te vertegenwoordigen.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift met bijlagen;
het verweerschrift tevens verzoekschrift met bijlagen;
het verweer tegen het zelfstandig verzoek en tevens wijziging verzoek.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft schriftelijk zijn mening gegeven over het verzoek. De minderjarige [de minderjarige 2] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven over het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 2 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat en M. Wamelink namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De vader en zijn advocaat zijn niet verschenen.
Feiten
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] .
- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven bij de moeder.
Ten aanzien van [de minderjarige 1] oefenen de ouders het gezamenlijk gezag uit.
Ten aanzien van [de minderjarige 2] oefent de moeder van rechtswege het eenhoofdig gezag uit.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, na wijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij moeder zal zijn;
dat vader aan moeder een bijdrage betaalt in de kosten van verzorging en opvoeding van € 364 per kind per maand, totaal € 728 per maand althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van 26 november 2025 tot aan de datum, van de beschikking van uw rechtbank, onder verrekening van de reeds gedane betaling van € 1.354,17;
vader aan moeder een bijdrage betaalt in de kosten van verzorging en opvoeding van € 364 per kind per maand, totaal € 728 per maand, althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, bij vooruitbetaling te voldoen vanaf de datum van de beschikking en voor het eerst te indexeren per 1 januari 2027;
de bijdrage kan worden aangepast indien uit toekomstige financiële gegevens blijkt dat het huidige ondernemingsinkomen van vader hoger of lager is dan thans aannemelijk gemaakt;
vader de onder 4.1 genoemde financiële bescheiden binnen twee weken na beschikking in het incident over te leggen;
indien vader niet binnen de gestelde termijn aan dit bevel voldoet, de rechtbank de draagkracht van vader zal vaststellen op basis van de huidige gegevens en schattingen, dan wel op een wijze die de rechtbank geraden acht;
een zorgregeling vast te stellen conform het door moeder opgestelde ouderschapsplan, zoals overgelegd als productie 3 bij het verzoekschrift;
de kosten worden gecompenseerd.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en heeft tevens zelfstandig verzocht voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens te bepalen dat:
de vader dient bij te dragen in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen te bepalen van € 312,50 per kind per maand, althans een bijdrage in goede justitie te bepalen;
een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld, inhoudende dat de kinderen de zorg en opvoeding bij beide ouders gelijk verdeeld (50/50) doorbrengen, volgens het volgende schema:
- in de even weken verblijven de kinderen van partijen bij de vader vanaf zondag om 12 uur tot zondag 12 uur in de andere week, althans een beslissing in goede justitie te bepalen;
- de vader over [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] samen met de moeder belast wordt met het gezamenlijk gezag, althans een beslissing in goede justitie te bepalen.
Beoordeling
Gezag
Juridisch kader
Uit artikel 1:253c, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt ingevolge het tweede lid van dit artikel slechts afgewezen, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat het gezag over een kind gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend.
Inhoudelijke beoordeling
De vader wenst in het belang van [de minderjarige 2] dat hij net als de moeder betrokken wordt bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige 2] . De vader wenst samen met de moeder een beslissende stem te hebben bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige 2] , zo nodig informatie te kunnen vergaren bij diverse instanties en mee te kunnen beslissen over schoolkeuzes van [de minderjarige 2] , met name omdat de vader ook over [de minderjarige 1] belast is met het gezamenlijk gezag.
Volgens de moeder is de vader niet in gelijke mate betrokken bij het leven van de kinderen en heeft hij na de relatiebreuk niet over gezamenlijk gezag gecommuniceerd. Voor gezamenlijk gezag is communicatie vereist en die ontbreekt volgens de moeder waardoor [de minderjarige 2] klem kan raken tussen de ouders. De moeder stelt dat er in de uitoefening van het gezamenlijk gezag voor [de minderjarige 1] momenteel geen problemen zijn, omdat de ouders in de afgelopen tijd geen beslissingen hebben hoeven nemen. Daarnaast geeft de moeder aan dat de vader tijdens de relatie erg bepalend kon zijn in zijn gedrag waardoor de moeder bang is dat er een strijd oplaait wanneer zich een gezagsbeslissing voordoet.
Het is de rechtbank gebleken dat de communicatie tussen de ouders zeer moeizaam verloopt. Voor gezamenlijk gezag is het belangrijk dat ouders met elkaar in overleg kunnen treden. Volgens de moeder is dit vrijwel niet mogelijk en zou eventuele noodzakelijke communicatie leiden tot een heftige strijd wegens het gedrag van de vader. De vader is niet op de zitting verschenen om verder toe te lichten hoe hij denkt gezamenlijk beslissingen te kunnen gaan nemen zonder daarbij in een escalerende situatie te belanden. De rechtbank heeft ook niet kunnen bespreken wat ervoor nodig zou zijn om de verhouding tussen ouders niet onnodig te verstoren bij toekenning van het gezamenlijk gezag. De rechtbank gaat er in de huidige situatie daarom vanuit dat gezamenlijk gezag in de praktijk zal leiden tot een verstoorde verhouding tussen de ouders. De rechtbank acht het dan ook niet in het belang van [de minderjarige 2] dat de ouders gezamenlijk het gezag over hem uitoefenen. De rechtbank wijst het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af.
Omgangs- c.q. zorgregeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt.
Ingevolge artikel 1:253a, lid 2 sub a, BW, kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, welke regeling een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken kan omvatten.
Nu de moeder het eenhoofdig gezag over [de minderjarige 2] behoudt en de ouders gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] uitoefenen, zal de rechtbank gemakshalve de term zorgregeling gebruiken waarmee de regeling voor zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] wordt bedoeld.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder betwist dat de zorgverdeling gelijk was tijdens de relatie. Omdat de vader lange werkdagen maakte, kon hij een groot deel van de dag geen zorg voor de kinderen dragen. Toen de moeder vanaf 2017 ging werken, heeft de vader volgens de moeder geen zorgtaken op zich genomen en gingen de kinderen naar de opvang wanneer de moeder aan het werk was. De moeder stelt dat sprake is van structureel drankgebruik en stemmingswisselingen bij de vader. Volgens de moeder heeft de vader geen structuur in zijn leven en het is voor haar onbegrijpelijk waarom hij zonder verdere onderbouwing een co-ouderschapsregeling verzoekt. Op de zitting heeft de moeder toegelicht dat de kinderen volgens het ouderschapsplan in de oneven weken op donderdag uit school naar de vader gaan en zondag eind van de middag weer naar de moeder gaan. In de praktijk verblijven de kinderen binnen die periode van vrijdag uit school tot zaterdag eind van de ochtend bij de moeder. De moeder heeft onderbouwd gesteld dat het alcoholgebruik een uitlaatklep is van de vader, met name aan het einde van de werkweek op vrijdagavond, waardoor de moeder het niet in het belang van de kinderen acht dat de kinderen op die avond bij de vader verblijven.
De vader stelt dat hij tekort wordt gedaan nu de ouders volgens hem tijdens de relatie een feitelijk gelijkwaardige zorgregeling hanteerde. De vader wenst daarom een co-ouderschapsregeling. De vader stelt dat hij een passende woning heeft, stabiele werktijden en tijdens de relatie in gelijke mate voor de kinderen heeft gezorgd. Er zijn volgens hem geen omstandigheden die zich verzetten tegen co-ouderschap.
Het is de rechtbank gebleken dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] graag naar de vader gaan. De vader is niet op de zitting verschenen en heeft daarom geen toelichting kunnen geven op de vraag hoe hij het co-ouderschap voor zich ziet. De moeder heeft uitgebreid onderbouwd dat zij vrijwel alle zorgtaken voor de kinderen op zich neemt en heeft genomen. De vader heeft dit betwist maar niet verder onderbouwd. Daardoor is onduidelijk gebleven hoe hij de zorgtaken, die bij een co-ouderschap verdeeld moeten worden, op zich zal nemen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vader om co-ouderschap af. De moeder wenst een zorgregeling conform de nu feitelijk uitgevoerde regeling. Het is de rechtbank niet gebleken dat de belangen van de kinderen zich hiertegen verzetten en de rechtbank zal daarom overeenkomstig beslissen.
Hoofdverblijfplaats
Nu de vader in zijn verweerschrift met het verzoek van de moeder instemt en het de rechtbank niet is gebleken dat de belangen van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich hiertegen verzetten, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen en het verzoek van de moeder toewijzen.
Verzoek tot bevel tot overlegging financiële stukken
Op de zitting heeft de moeder het verzoek tot bevel tot overlegging van financiële stukken door de vader ingetrokken zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist door de rechtbank.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De moeder vraagt om de ingangsdatum te bepalen op de datum van het indienen van het verzoekschrift. Op de zitting wilde de moeder het verzoek aanpassen, maar gezien de vader niet op de zitting aanwezig was, houdt de rechtbank rekening met het verzoek uit de stukken. De rechtbank acht het redelijk om de ingangsdatum vast te stellen op de datum van het indienen van het verzoekschrift omdat de vader vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat hij kinderalimentatie moet gaan betalen.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun relatie worden bepaald.
De ouders zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 30.403,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de moeder overlegde aangifte Inkomsten Belasting 2025.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van de samenleving op € 2.534,- per maand.
De ouders zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 126.983,- per jaar. Bij gebrek aan recente inkomensgegevens van de vader, gaat de rechtbank hierbij uit van het gemiddelde van de winst uit onderneming van 2023 (€ 106.569,-), 2024 (€ 130.657) en 2025, waarbij de winst van 2025 is berekend door de winst van 2024 te extrapoleren met 10% (€ 130.657 + 10% = € 143.723).
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van de samenleving op € 6.416,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 8.950,- per maand (€ 2.534,- + € 6.416,- ). Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.700,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
Draagkracht moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 30.403,- per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2025, aangezien de rechtbank, zoals hierna zal blijken, ook voor de vader met inkomensgegevens uit 2025 zal rekenen.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 3.120,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [3.120 – (936 + 1.310)] = € 612,- per maand.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank wederom uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 126.983,- per jaar, nu er evenmin gegevens over 2026 beschikbaar zijn en de rechtbank zich beperkt tot het fictief berekenen van de winst uit onderneming in 2025.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 6.416,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [6.416 – (1.947 + 1.310)] = € 2.227,- per maand.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , geldt een percentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 424,- per maand (25% van 1.700 x 2).
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.839,- per maand (€ 612 + € 2.227). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 2.227 / 2.839 x 1.700 = € 1.334
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 612 / 2.839 x 1.700 = € 366
samen € 1.700
Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komt een gedeelte van € 910,- per maand, wat neerkomt op € 455,- per maand per kind voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 366,- per maand, wat neerkomt op € 181,- per maand per kind komt voor rekening van de moeder.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op al het voorgaande bepalen dat de vader aan de moeder, met ingang van 26 november 2025, een kinderalimentatie voor de kinderen moet betalen van€ 910,- per maand. De rechtbank zal het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft een berekening gemaakt van het NBI van de ouders, de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals gebruikelijk in deze procedures. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Kindbrief
De rechtbank zendt met gelijke post als deze beschikking een aparte brief aan [de minderjarige 1] waarin zij de beslissing – voor zover relevant voor [de minderjarige 1] – uitlegt. De inhoud van deze brief luidt als volgt:
“Beste [de minderjarige 1] ,
Je hebt een bericht aan de rechtbank gestuurd waarin je schrijft dat je het rooster waarin je bij je vader en bij je moeder bent, fijn vindt. Je zou wel graag op de vrijdag ook bij je vader zijn, als je daar het weekend bent. Nu ben je om de week van vrijdagmiddag tot zaterdag eind van de ochtend bij je moeder, terwijl je de dagen ervoor en erna bij je vader bent. Dat zie jij graag anders.
Jouw moeder heeft mij uitgelegd waarom jij en [de minderjarige 2] op vrijdag bij haar zijn. Zij vertelde mij dat zij dat ook met jullie heeft besproken. Helaas is je vader niet naar de zitting gekomen. Daarom heb ik niet kunnen horen hoe hij erover denkt. Ik heb daardoor alleen het verhaal van jullie moeder gehoord en op basis daarvan denk ik dat het goed is dat alles blijft zo het is. Ik vind het belangrijk dat jullie ergens zijn waar jullie veilig zijn, zeker in de nacht. Veilig betekent dat er een volwassene aanwezig is die altijd, onder alle omstandigheden, goed voor jullie kan zorgen. Daar twijfel ik nu voor de vrijdagavond/-nacht aan en daarom blijven jullie vrijdagavond bij jullie moeder slapen.
Ik hoop dat je hier begrip voor hebt, ook al wil je eigenlijk iets anders.
Vriendelijke groet,
De kinderrechter”
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over [de minderjarige 2] af;
stelt een zorgregeling vast voor de minderjarige:
[de minderjarige 1] ( [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] ,
overeenkomstig het ouderschapsplan waarbij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op vrijdagavond bij de moeder zullen overnachten;
stelt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] vast bij de moeder;
bepaalt de door de vader met ingang van 26 november 2025 te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op een bedrag van € 910,- per maand telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
compenseert de proceskosten voor de ouders;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juli 2026.