Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24687
2026-07-30
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/701512 / FA RK 26-2637
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bodemprocedure gecombineerd met de voorlopige voorziening; vaststelling kinderalimentatie periode; wijziging kinderalimentatie
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.872 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2637 (voorlopige voorziening) en FA RK 26-2709 (bodem)
Zaaknummer: C/09/701512 (voorlopige voorziening) en C/09/701676 (bodem)
Datum beschikking: 30 juli 2026
Kinderalimentatie en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Beschikking op het op 13 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Seker te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man]
,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Ertekin te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
in de voorlopige voorzieningenprocedure met zaaknummer C/09/701512 FA RK 26-2637:
het verweerschrift tevens verzoekschrift van de vrouw op 13 februari 2026 met bijlagen;
het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man op 7 mei 2026 met bijlagen.
in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/701676 FA RK 26-2709:
het verweerschrift tevens verzoekschrift van de vrouw op 13 februari 2026 met bijlagen;
het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man op 7 mei 2026 met bijlagen;
het verweerschrift van de vrouw op 5 juni 2026 met bijlagen.
Op 25 juni 2026 zijn de zaken gecombineerd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de man bijgestaan door zijn advocaat.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
het bericht van de man op 1 juli 2026 met bijlagen;
het bericht van de vrouw op 8 juli 2026 met bijlagen;
het bericht van de man op 8 juli 2026;
het bericht van de vrouw op 9 juli 2026.
Op de zitting van 25 juni 2026 is met partijen afgesproken dat de man nog betalingsbewijzen mocht overleggen van de kinderalimentatie die hij voor zijn andere kind betaalt, alsmede loonstroken uit 2026. De rechtbank heeft de vrouw vervolgens toegestaan om te reageren op de door de man ingediende betalingsbewijzen, en haar loonstrook van juni 2026 te overleggen. Bij het bericht van de vrouw op 8 juli 2026 heeft de vrouw tevens een productie ingediend, wetende productie 18, waaruit een huurprijsverhoging blijkt. Nu deze bijlage niet conform de gemaakte afspraken van de zitting is ingediend, zal de rechtbank deze bijlage niet meenemen in haar beoordeling.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
[minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
[minderjarige] is door de man erkend.
De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de [minderjarige] belast.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
Bij beschikking van 1 juni 2026 is door deze rechtbank bepaald dat er een zorgregeling geldt waarbij [minderjarige] :
om het weekend van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur bij de man zal zijn, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt;
tijdens de voorjaarsvakantie in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man zal zijn;
tijdens de meivakantie in de oneven jaren gedurende de eerste week bij de man en in de tweede week bij de vrouw zal zijn, en in de even jaren gedurende de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man zal zijn;
tijdens de zomervakantie in de oneven jaren de eerste, de tweede en de vierde week bij de vrouw en de derde, de vijfde en de zesde week bij de man zal zijn en in de even jaren de derde, de vijfde en de zesde week bij de vrouw en de eerste, de tweede en de vierde week bij de man zal zijn;
tijdens de herfstvakantie in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw zal zijn;
tijdens de kerstvakantie in de oneven jaren gedurende de eerste week bij de man en op eerste kerstdag van 10:00 uur tot tweede kerstdag 10:00 uur bij de vrouw zal zijn, en tevens gedurende de tweede week van de kerstvakantie bij de vrouw, en in de even jaren gedurende de eerste week van de kerstvakantie bij de vrouw zal zijn, waarbij [minderjarige] op eerste kerstdag van 10:00 uur tot aan tweede kerstdag 10:00 uur alsmede gedurende de tweede week van de kerstvakantie bij de man zal zijn, alsmede om het jaar oud en nieuw vanaf 31 december 12:00 uur tot l januari 12:00 uur waarbij tijdens feestdagen, vrije dagen of vakantiedagen de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] naar de vrouw brengt;
op Moederdag bij de vrouw zal zijn en op Vaderdag bij de man zal zijn.
Verzoek en verweer in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/701676 FA RK 26-2709:
Het verzoek van de vrouw strekt om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
primair
de rechtbank voor recht verklaart dat de man over de periode van l mei 2017 tot l juli 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te voldoen van €225, - per maand, telkens bij vooruitbetaling, althans een ingangsdatum en einddatum en een bijdrage als de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen;
subsidiair
de man met ingang van l mei 2017 tot l juli 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te voldoen van €225, - per maand, althans een ingangsdatum en een einddatum en een bijdrage als de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen;
met terugwerkende kracht op de vastgestelde kinderalimentatie de wettelijke indexering ex artikel l:402a BW van toepassing is vanaf het moment waarop de bijdrage oorspronkelijk verschuldigd was en dat de man gehouden is de geïndexeerde bijdragen over de voorgaande jaren te voldoen;
te bepalen dat de man met ingang van primair l juli 2025, subsidiair de datum van indiening van het verzoek, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te voldoen van € 518, - per maand, te vermeerderen met de wettelijke indexering ex artikel 1:402a BW, althans een zodanig bedrag en met ingang van een datum als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht te bepalen dat de man vanaf datum beschikking aan de vrouw zal voldoen een bedrag ter hoogte van € 184,- voor de bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
in de voorlopige voorzieningenprocedure met zaaknummer C/09/701512 FA RK 26-2637
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de man met ingang van de indiening van het verzoek, dan wel datum beschikking, voorlopig een bedrag van € 518,- per maand aan kinderalimentatie te betalen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een datum als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht te bepalen dat de man vanaf datum beschikking aan de vrouw zal voldoen een bedrag ter hoogte van € 184,- voor de bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Verklaring voor recht
De vrouw heeft primair verzocht om een verklaring voor recht van de door de man betaalde kinderalimentatie van € 225,- per maand in de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025. Op de zitting heeft de rechtbank dit verzoek met de vrouw besproken. Namens de vrouw is toegelicht dat het verzoek neerkomt op haar eerste subsidiaire verzoek. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen en de andere verzoeken inhoudelijk beoordelen.
Kinderalimentatie in de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025
Vaststelling
De vrouw verzoekt subsidiair om het door partijen mondeling afgesproken bedrag van € 225,- aan kinderalimentatie vast te leggen in een beschikking. Zij stelt dat de man immers altijd dit bedrag betaald heeft en nooit om een wijziging heeft verzocht. De vrouw wenst deze vastlegging zodat zij over een executoriale titel beschikt. De man erkent dat hij tot maart 2025 een maandelijks bedrag van € 225,- aan de vrouw heeft overgemaakt.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen hiermee een overeenkomst ten aanzien van de kinderalimentatie met elkaar gesloten doordat zij allebei jaren (stilzwijgend) hebben ingestemd met het overeengekomen bedrag van € 225,- per maand. Nu partijen het in die tijd eens zijn geweest over dit bedrag, zal de rechtbank het bedrag aan kinderalimentatie van € 225,- vaststellen voor de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025.
Indexering
Op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt het bij overeenkomst vastgestelde bedrag voor levensonderhoud jaarlijks van rechtswege gewijzigd met een door Onze Minister van Justitie vast te stellen percentage, dat, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, overeenkomt met het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen per 30 september van enig jaar en het overeenkomstige indexcijfer in het voorafgaande jaar.
De rechtbank overweegt dat op basis van bovenstaand artikel ook een onderling afgesproken bedrag jaarlijks geïndexeerd kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit ook mogelijk op de overeenkomst van partijen. Dit zou betekenen dat er voor de man een terugbetalingsverplichting ontstaat vanaf 1 mei 2017 tot 1 juli 2025. Dit acht de rechtbank niet redelijk, te meer nu gebleken is dat het bedrag van € 225,- in onderling overleg tussen partijen tot stand is gekomen en daar nooit problemen mee zijn geweest in een periode van ruim acht jaar. Daarnaast heeft de man tot maart 2025 altijd aan de afspraak voldaan door maandelijks het afgesproken bedrag te betalen aan de vrouw. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw om het vastgestelde bedrag van € 225,- jaarlijks te indexeren en de man dat bedrag terug te laten betalen, afwijzen.
Kinderalimentatie vanaf 1 juli 2025
Ontvankelijkheid
Nu is gebleken dat tussen partijen een overeenkomst tot kinderalimentatie is gesloten, kan deze worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BW).
De vrouw geeft aan dat zij eerder geen inzage had in de financiële stukken van de man. Nu de man inmiddels inzage heeft gegeven, stelt de vrouw zich op het standpunt dat de kinderalimentatie opnieuw dient te worden vastgesteld aangezien de man meer inkomen heeft dan de vrouw aanvankelijk dacht.
De rechtbank zal hierna aan de hand van een beoordeling van de draagkracht onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de overeengekomen alimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daarbij geldt dat de rechtbank zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven en alle op het moment van deze beschikking bestaande relevante omstandigheden. De rechtbank is in dit geval niet langer gebonden aan wat partijen onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 13 februari 2026, omdat de man vanaf deze datum redelijkerwijs rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat het te betalen bedrag aan kinderalimentatie gewijzigd kon worden.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] € 890,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank hier rekening mee zal houden.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een parttime inkomen van € 2.505,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals volgt uit de overgelegde salarisstrook van juni 2026. Gelet op de ingangsdatum van de kinderalimentatie en de beschikbare inkomensgegevens van partijen, zal de rechtbank rekenen met de tarieven van 2026-II.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de pensioenpremie van afgerond € 145,- per maand;
de premie AOP van afgerond € 4,- per maand;
de PAWW van afgerond € 3,- per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het huidige NBI van de vrouw in 2026 op € 2.899,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [2.899 – (869 + 1.365)] = € 465,- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.685,- bruto per 4 weken exclusief vakantiegeld, zoals volgt uit de overgelegde salarisspecificaties van januari t/m mei 2026.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de pensioenpremie van € 247,- per vier weken;
een terugkerende onkostenvergoeding van € 200,- per 4 weken.
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlasten in plaats van het woonbudget van 30% van het NBI van de man. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van het woonbudget, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat zijn woonlasten duurzaam en aanmerkelijk hoger liggen omdat hij genoodzaakt was een groter huis te kopen met zijn nieuwe partner en haar kinderen. De werkelijke woonlasten van de man bedragen volgens hem € 2.578,10 per maand.
De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget, en overweegt daartoe als volgt. De hogere woonlasten kan de man delen met zijn nieuwe partner. Daarnaast had de man een minder groot huis kunnen kopen en kunnen wachten met de verbouwing. De hogere woonlasten van de man zijn naar het oordeel van de rechtbank daardoor vermijdbaar en verwijtbaar.
Tussen partijen is verder in geschil of voor de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de man moet worden uitgegaan van extra lasten van de man. De man heeft aangevoerd dat de rechtbank rekening moet houden met zijn aflossing van het bouwdepot, en het bedrag aan kinderalimentatie wat hij maandelijks betaalt voor zijn kind uit een andere relatie. Hij stelt dat de aflossing van het bouwdepot maandelijks € 430,- bedraagt en het bedrag aan kinderalimentatie € 200,- per maand is. De man heeft hiertoe aflossingsgegevens van het bouwdepot overgelegd en bewijzen van maandelijkse afschrijvingen van € 200,- aan zijn andere ex-partner.
De rechtbank overweegt dat zij alleen rekening kan houden met extra lasten indien deze niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn. Wat betreft het bouwdepot heeft de man onvoldoende onderbouwd waarom deze kostenpost niet vermijdbaar en verwijtbaar zou zijn. De rechtbank houdt daarom geen rekening met de aflossing van het bouwdepot. Voor wat betreft het bedrag van € 200,- per maand aan kinderalimentatie is de rechtbank gebleken dat dit een niet-vermijdbare en niet-verwijtbare kostenpost is, en de man deze kinderalimentatie daadwerkelijk betaalt, zodat deze moet worden meegenomen in de berekening.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.464,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365) – € 200] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.464 – (1.339 + 1.365) – € 200] = € 1.032,- per maand.
Zorgkorting
Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de zorgkorting. Gelet op de vastgelegde zorgregeling waarbij de man gemiddeld twee dagen per week de zorg draagt voor [minderjarige] , geldt een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 222,- per maand (25% van € 890,-).
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.497,- per maand (€ 465 + € 1.032). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.032 / 1.497 x 890 = € 614,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 465 / 1.497 x 890 = € 276,-
samen € 890,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 614,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 276,- per maand, komt voor rekening van de vrouw.
Rekening houdend met de hiervoor vastgestelde zorgkorting van € 222,- per maand, is de man in staat aan de vrouw een kinderalimentatie te betalen van (€ 614 - € 222 =) € 392,- per maand.
Conclusie
Uit voorgaande berekeningen volgt dat de man aan de vrouw voor [minderjarige] een bedrag van € 392,- per maand dient te voldoen. De rechtbank zal dit bedrag aan kinderalimentatie vaststellen met ingang van 13 februari 2026.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Beslissing
De rechtbank:
stelt de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , vast op € 225,- per maand in de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 13 februari 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 392,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen en voor het eerst te verhogen met de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juli 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2637 (voorlopige voorziening) en FA RK 26-2709 (bodem)
Zaaknummer: C/09/701512 (voorlopige voorziening) en C/09/701676 (bodem)
Datum beschikking: 30 juli 2026
Kinderalimentatie en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Beschikking op het op 13 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Seker te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man]
,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Ertekin te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
in de voorlopige voorzieningenprocedure met zaaknummer C/09/701512 FA RK 26-2637:
het verweerschrift tevens verzoekschrift van de vrouw op 13 februari 2026 met bijlagen;
het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man op 7 mei 2026 met bijlagen.
in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/701676 FA RK 26-2709:
het verweerschrift tevens verzoekschrift van de vrouw op 13 februari 2026 met bijlagen;
het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man op 7 mei 2026 met bijlagen;
het verweerschrift van de vrouw op 5 juni 2026 met bijlagen.
Op 25 juni 2026 zijn de zaken gecombineerd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de man bijgestaan door zijn advocaat.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
het bericht van de man op 1 juli 2026 met bijlagen;
het bericht van de vrouw op 8 juli 2026 met bijlagen;
het bericht van de man op 8 juli 2026;
het bericht van de vrouw op 9 juli 2026.
Op de zitting van 25 juni 2026 is met partijen afgesproken dat de man nog betalingsbewijzen mocht overleggen van de kinderalimentatie die hij voor zijn andere kind betaalt, alsmede loonstroken uit 2026. De rechtbank heeft de vrouw vervolgens toegestaan om te reageren op de door de man ingediende betalingsbewijzen, en haar loonstrook van juni 2026 te overleggen. Bij het bericht van de vrouw op 8 juli 2026 heeft de vrouw tevens een productie ingediend, wetende productie 18, waaruit een huurprijsverhoging blijkt. Nu deze bijlage niet conform de gemaakte afspraken van de zitting is ingediend, zal de rechtbank deze bijlage niet meenemen in haar beoordeling.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
[minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
[minderjarige] is door de man erkend.
De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de [minderjarige] belast.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
Bij beschikking van 1 juni 2026 is door deze rechtbank bepaald dat er een zorgregeling geldt waarbij [minderjarige] :
om het weekend van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur bij de man zal zijn, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt;
tijdens de voorjaarsvakantie in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man zal zijn;
tijdens de meivakantie in de oneven jaren gedurende de eerste week bij de man en in de tweede week bij de vrouw zal zijn, en in de even jaren gedurende de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man zal zijn;
tijdens de zomervakantie in de oneven jaren de eerste, de tweede en de vierde week bij de vrouw en de derde, de vijfde en de zesde week bij de man zal zijn en in de even jaren de derde, de vijfde en de zesde week bij de vrouw en de eerste, de tweede en de vierde week bij de man zal zijn;
tijdens de herfstvakantie in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw zal zijn;
tijdens de kerstvakantie in de oneven jaren gedurende de eerste week bij de man en op eerste kerstdag van 10:00 uur tot tweede kerstdag 10:00 uur bij de vrouw zal zijn, en tevens gedurende de tweede week van de kerstvakantie bij de vrouw, en in de even jaren gedurende de eerste week van de kerstvakantie bij de vrouw zal zijn, waarbij [minderjarige] op eerste kerstdag van 10:00 uur tot aan tweede kerstdag 10:00 uur alsmede gedurende de tweede week van de kerstvakantie bij de man zal zijn, alsmede om het jaar oud en nieuw vanaf 31 december 12:00 uur tot l januari 12:00 uur waarbij tijdens feestdagen, vrije dagen of vakantiedagen de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] naar de vrouw brengt;
op Moederdag bij de vrouw zal zijn en op Vaderdag bij de man zal zijn.
Verzoek en verweer in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/701676 FA RK 26-2709:
Het verzoek van de vrouw strekt om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
primair
de rechtbank voor recht verklaart dat de man over de periode van l mei 2017 tot l juli 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te voldoen van €225, - per maand, telkens bij vooruitbetaling, althans een ingangsdatum en einddatum en een bijdrage als de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen;
subsidiair
de man met ingang van l mei 2017 tot l juli 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te voldoen van €225, - per maand, althans een ingangsdatum en een einddatum en een bijdrage als de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen;
met terugwerkende kracht op de vastgestelde kinderalimentatie de wettelijke indexering ex artikel l:402a BW van toepassing is vanaf het moment waarop de bijdrage oorspronkelijk verschuldigd was en dat de man gehouden is de geïndexeerde bijdragen over de voorgaande jaren te voldoen;
te bepalen dat de man met ingang van primair l juli 2025, subsidiair de datum van indiening van het verzoek, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te voldoen van € 518, - per maand, te vermeerderen met de wettelijke indexering ex artikel 1:402a BW, althans een zodanig bedrag en met ingang van een datum als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht te bepalen dat de man vanaf datum beschikking aan de vrouw zal voldoen een bedrag ter hoogte van € 184,- voor de bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
in de voorlopige voorzieningenprocedure met zaaknummer C/09/701512 FA RK 26-2637
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de man met ingang van de indiening van het verzoek, dan wel datum beschikking, voorlopig een bedrag van € 518,- per maand aan kinderalimentatie te betalen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een datum als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht te bepalen dat de man vanaf datum beschikking aan de vrouw zal voldoen een bedrag ter hoogte van € 184,- voor de bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Verklaring voor recht
De vrouw heeft primair verzocht om een verklaring voor recht van de door de man betaalde kinderalimentatie van € 225,- per maand in de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025. Op de zitting heeft de rechtbank dit verzoek met de vrouw besproken. Namens de vrouw is toegelicht dat het verzoek neerkomt op haar eerste subsidiaire verzoek. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen en de andere verzoeken inhoudelijk beoordelen.
Kinderalimentatie in de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025
Vaststelling
De vrouw verzoekt subsidiair om het door partijen mondeling afgesproken bedrag van € 225,- aan kinderalimentatie vast te leggen in een beschikking. Zij stelt dat de man immers altijd dit bedrag betaald heeft en nooit om een wijziging heeft verzocht. De vrouw wenst deze vastlegging zodat zij over een executoriale titel beschikt. De man erkent dat hij tot maart 2025 een maandelijks bedrag van € 225,- aan de vrouw heeft overgemaakt.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen hiermee een overeenkomst ten aanzien van de kinderalimentatie met elkaar gesloten doordat zij allebei jaren (stilzwijgend) hebben ingestemd met het overeengekomen bedrag van € 225,- per maand. Nu partijen het in die tijd eens zijn geweest over dit bedrag, zal de rechtbank het bedrag aan kinderalimentatie van € 225,- vaststellen voor de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025.
Indexering
Op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt het bij overeenkomst vastgestelde bedrag voor levensonderhoud jaarlijks van rechtswege gewijzigd met een door Onze Minister van Justitie vast te stellen percentage, dat, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, overeenkomt met het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen per 30 september van enig jaar en het overeenkomstige indexcijfer in het voorafgaande jaar.
De rechtbank overweegt dat op basis van bovenstaand artikel ook een onderling afgesproken bedrag jaarlijks geïndexeerd kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit ook mogelijk op de overeenkomst van partijen. Dit zou betekenen dat er voor de man een terugbetalingsverplichting ontstaat vanaf 1 mei 2017 tot 1 juli 2025. Dit acht de rechtbank niet redelijk, te meer nu gebleken is dat het bedrag van € 225,- in onderling overleg tussen partijen tot stand is gekomen en daar nooit problemen mee zijn geweest in een periode van ruim acht jaar. Daarnaast heeft de man tot maart 2025 altijd aan de afspraak voldaan door maandelijks het afgesproken bedrag te betalen aan de vrouw. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw om het vastgestelde bedrag van € 225,- jaarlijks te indexeren en de man dat bedrag terug te laten betalen, afwijzen.
Kinderalimentatie vanaf 1 juli 2025
Ontvankelijkheid
Nu is gebleken dat tussen partijen een overeenkomst tot kinderalimentatie is gesloten, kan deze worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BW).
De vrouw geeft aan dat zij eerder geen inzage had in de financiële stukken van de man. Nu de man inmiddels inzage heeft gegeven, stelt de vrouw zich op het standpunt dat de kinderalimentatie opnieuw dient te worden vastgesteld aangezien de man meer inkomen heeft dan de vrouw aanvankelijk dacht.
De rechtbank zal hierna aan de hand van een beoordeling van de draagkracht onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de overeengekomen alimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daarbij geldt dat de rechtbank zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven en alle op het moment van deze beschikking bestaande relevante omstandigheden. De rechtbank is in dit geval niet langer gebonden aan wat partijen onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 13 februari 2026, omdat de man vanaf deze datum redelijkerwijs rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat het te betalen bedrag aan kinderalimentatie gewijzigd kon worden.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] € 890,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank hier rekening mee zal houden.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een parttime inkomen van € 2.505,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals volgt uit de overgelegde salarisstrook van juni 2026. Gelet op de ingangsdatum van de kinderalimentatie en de beschikbare inkomensgegevens van partijen, zal de rechtbank rekenen met de tarieven van 2026-II.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de pensioenpremie van afgerond € 145,- per maand;
de premie AOP van afgerond € 4,- per maand;
de PAWW van afgerond € 3,- per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het huidige NBI van de vrouw in 2026 op € 2.899,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [2.899 – (869 + 1.365)] = € 465,- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.685,- bruto per 4 weken exclusief vakantiegeld, zoals volgt uit de overgelegde salarisspecificaties van januari t/m mei 2026.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de pensioenpremie van € 247,- per vier weken;
een terugkerende onkostenvergoeding van € 200,- per 4 weken.
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlasten in plaats van het woonbudget van 30% van het NBI van de man. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van het woonbudget, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat zijn woonlasten duurzaam en aanmerkelijk hoger liggen omdat hij genoodzaakt was een groter huis te kopen met zijn nieuwe partner en haar kinderen. De werkelijke woonlasten van de man bedragen volgens hem € 2.578,10 per maand.
De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget, en overweegt daartoe als volgt. De hogere woonlasten kan de man delen met zijn nieuwe partner. Daarnaast had de man een minder groot huis kunnen kopen en kunnen wachten met de verbouwing. De hogere woonlasten van de man zijn naar het oordeel van de rechtbank daardoor vermijdbaar en verwijtbaar.
Tussen partijen is verder in geschil of voor de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de man moet worden uitgegaan van extra lasten van de man. De man heeft aangevoerd dat de rechtbank rekening moet houden met zijn aflossing van het bouwdepot, en het bedrag aan kinderalimentatie wat hij maandelijks betaalt voor zijn kind uit een andere relatie. Hij stelt dat de aflossing van het bouwdepot maandelijks € 430,- bedraagt en het bedrag aan kinderalimentatie € 200,- per maand is. De man heeft hiertoe aflossingsgegevens van het bouwdepot overgelegd en bewijzen van maandelijkse afschrijvingen van € 200,- aan zijn andere ex-partner.
De rechtbank overweegt dat zij alleen rekening kan houden met extra lasten indien deze niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn. Wat betreft het bouwdepot heeft de man onvoldoende onderbouwd waarom deze kostenpost niet vermijdbaar en verwijtbaar zou zijn. De rechtbank houdt daarom geen rekening met de aflossing van het bouwdepot. Voor wat betreft het bedrag van € 200,- per maand aan kinderalimentatie is de rechtbank gebleken dat dit een niet-vermijdbare en niet-verwijtbare kostenpost is, en de man deze kinderalimentatie daadwerkelijk betaalt, zodat deze moet worden meegenomen in de berekening.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.464,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365) – € 200] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.464 – (1.339 + 1.365) – € 200] = € 1.032,- per maand.
Zorgkorting
Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de zorgkorting. Gelet op de vastgelegde zorgregeling waarbij de man gemiddeld twee dagen per week de zorg draagt voor [minderjarige] , geldt een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 222,- per maand (25% van € 890,-).
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.497,- per maand (€ 465 + € 1.032). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.032 / 1.497 x 890 = € 614,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 465 / 1.497 x 890 = € 276,-
samen € 890,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 614,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 276,- per maand, komt voor rekening van de vrouw.
Rekening houdend met de hiervoor vastgestelde zorgkorting van € 222,- per maand, is de man in staat aan de vrouw een kinderalimentatie te betalen van (€ 614 - € 222 =) € 392,- per maand.
Conclusie
Uit voorgaande berekeningen volgt dat de man aan de vrouw voor [minderjarige] een bedrag van € 392,- per maand dient te voldoen. De rechtbank zal dit bedrag aan kinderalimentatie vaststellen met ingang van 13 februari 2026.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Beslissing
De rechtbank:
stelt de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , vast op € 225,- per maand in de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 13 februari 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 392,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen en voor het eerst te verhogen met de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juli 2026.