Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24571

2026-03-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht AWB 26/1114
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-26
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB 26/1114
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.390 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 26/1114


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen



[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. Gürses),


en




het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een vermeend besluit tot het beëindigen van de verstrekkingen na het weigeren van een aangeboden woning.



1.1
Eiser heeft op 25 juni 2025 een B11a formulier ondertekend, waarin is medegedeeld dat de woningweigering van eiser onterecht is en de verstrekkingen die eiser ontvangt daarom van rechtswege zullen eindigen. Omdat de verstrekkingen van rechtswege zijn geëindigd, heeft eiser geen apart beëindigingsbesluit van het COa gekregen. Het eindigen van de verstrekkingen houdt in dat eiser geen recht heeft op leefgeld, op verzekeringen, op onderdak en andere Rva-verstrekkingen. Ook houdt het in dat eiser de opvanglocatie moet verlaten.



1.2
Bij mail van 18 juli 2025 heeft eiser bezwaar ingediend tegen het vermeende besluit. Verweerder heeft het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen sprake is van een beëindigingsbesluit waartegen rechtsmiddelen openstaan. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.



1.3
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hier heeft de gemachtigde van eiser aan deelgenomen.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987. Hij heeft na een verblijf in het asielzoekerscentrum in [plaats 1] een woning in [plaats 2] aangeboden gekregen, nadat zijn asielaanvraag is ingewilligd. Eiser heeft deze woning geweigerd, omdat hij niet tevreden was met de ligging van de aangeboden woning en hij de woning onveilig achtte voor zijn gezin. Verweerder heeft deze weigering onterecht bevonden. Eiser heeft vervolgens een B11a formulier moeten ondertekenen.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij stelt dat verweerder heeft nagelaten onderzoek te doen naar de geschiktheid van de aangeboden woning. Zo heeft er geen tweede gesprek plaatsgevonden waarin de bezwaren van eiser konden worden besproken en is er geen SMA-rapportage opgevraagd of een medische beoordeling verricht van de psychische klachten van eiser. Een individuele belangenafweging ontbreekt. Eiser stelt verder dat de belangen van zijn minderjarig kind niet in de besluitvorming zijn meegewogen. Dit is in strijd met artikel 3 van het IVRK. Verweerder heeft in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld. Eiser en zijn gezin hebben de beëindiging van de voorzieningen en de gevolgen daarvan als traumatisch ervaren. Eiser verzoekt daarom om vergoeding van de materiele en immateriële schade die hij en zijn gezin hebben geleden.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of zij bevoegd is van het beroepschrift kennis te nemen. Op grond van artikel 8:1 van de Awb is het mogelijk om beroep in te stellen tegen een besluit. Uit artikel 1:3, eerste lid, van de Awb volgt dat een besluit een schriftelijke beslissing is van een bestuursorgaan die ziet op een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het beroep is ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 13 augustus 2025 waarbij verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het B11a formulier niet als besluit kan worden aangemerkt. Nu een besluit op bezwaar per definitie een besluit is, is het beroep ontvankelijk en is de rechtbank bevoegd hiervan kennis te nemen. De rechtbank is echter wel van oordeel dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.


4.1
De wetgever heeft bepaald dat het COa de zorg draagt voor de centrale opvang van asielzoekers in een opvangcentrum. De opvang omvat een aantal verstrekkingen, waaronder onderdak, een wekelijkse uitkering voor persoonlijke uitgaven zoals voedsel en kleding en dekking van medische kosten.


4.2
Wanneer een verblijfvergunning is verleend, zoals bij eiser het geval is, probeert het COa een aanbod voor passende huisvesting buiten de opvangvoorziening te realiseren. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het besluit, waarbij aan eisers een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, gelet op artikel 44, eerste lid, van de Vw de beëindiging van de verstrekkingen van rechtswege tot gevolg heeft. Dit rechtsgevolg treedt, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rva 2005, in op de dag waarop naar het oordeel van verweerder passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd. De mededeling en aanzegging gedaan tijdens het gesprek van 18 juni 2025 en 25 juni 2025 vloeien dus voort uit de van rechtswege ingetreden gevolgen nu aan eisers een verblijfsvergunning asiel is verleend. Met het beschikbaar zijn van die, naar het oordeel van verweerder, passende huisvesting is voor eisers de aanspraak op verstrekkingen van rechtswege geëindigd.



4.3
De rechtbank is van oordeel dat het B11a formulier geen weigering of intrekking van de verstrekkingen betreft, maar enkel een feitelijke mededeling dat eiser van de voorzieningen afziet. Eiser heeft het B11a formulier immers zelf ondertekend en heeft daarmee afstand gedaan van de voorzieningen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het door eiser ondertekende B11a formulier niet is gericht op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg, maar enkel informatief van aard is. Van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is daarom geen sprake.



4.4
Nu er geen sprake is van een besluit, is ook geen sprake van schade die is veroorzaakt door het besluit. De bestuursrechter is dan ook niet bevoegd te oordelen over het verzoek om schadevergoeding.





Conclusie en gevolgen

5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is en de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.

6. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.





BeslissingDe rechtbank: -verklaart het beroep ongegrond; - verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.




griffier rechter




Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:










Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





P grond van artikel 44 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


Dit staat ook vermeld in het B11a formulier.


Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.


Algemene wet bestuursrecht.


Artikel 3 Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva 2005).


Artikel 9 lid 1 Rva 2005.


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBDHA:2023:5904 en ECLI:NL:RVS:2018:925.


Zie artikel 8:89, eerste lid, Awb.