Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24570

2026-03-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.40280 en NL25.40281
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-26
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.40280 en NL25.40281
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht, ongegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.022 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL25.40280 en NL25.40281


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.



Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.


1.1
Bij besluit van 28 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en bepaald dat eiser binnen een maand Nederland moet verlaten. Met het bestreden besluit van 4 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.



1.2
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hier heeft de gemachtigde van eiser aan deelgenomen. Verweerder is met kennisgeving vooraf niet verschenen.






Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat de zaak over?



2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1966 en heeft de Poolse nationaliteit. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat eiser een zwervend bestaan leidt in Nederland, meerdere malen in aanraking is gekomen met de politie vanwege het plegen van overlast en het plegen van vermogensdelicten, niet werkt in Nederland en geen eigen middelen van bestaan heeft. Hierdoor is twijfel ontstaan of eiser genoeg middelen heeft om van te leven en is onderzocht of eiser voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf.


2.1
Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser geen rechtmatig blijf heeft op grond van het Unierecht. Verweerder heeft daarom aan eiser een verwijderingsmaatregel opgelegd. Daarbij heeft verweerder een belangenafweging gemaakt en het belang van eiser om in Nederland te blijven minder zwaar laten wegen dan het belang van de Nederlandse Staat. Verweerder heeft eiser een vertrektermijn van een maand opgelegd.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt ten eerste dat hij een reële kans op arbeid heeft. Hij is langdurig actief geweest op de Nederlandse arbeidsmarkt via diverse uitzendbureaus. De aard van het uitzendwerk maakt dat tijdelijke onderbrekingen gebruikelijk zijn. Eiser spant zich actief in om werk te vinden en gezien zijn arbeidsverleden is het aannemelijk dat dat binnen afzienbare tijd zal lukken. Ten tweede stelt eiser dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft toegepast, door te vereisen dat om de status van werknemer te behouden, eiser binnen drie maanden nieuw werk moet hebben gevonden. Vereist is dat eiser beschikbaar is en binnen een redelijk tijdsbestek weer kan deelnemen aan de arbeidsmarkt in Nederland en verweerder had dit moeten toetsen. De enkele verwijzing naar de duur van de werkloosheid is onvoldoende. Dat de arbeidsovereenkomst van eiser is afgelopen, maakt daarnaast volgens eiser nog niet dat verweerder kan concluderen dat er geen sprake is van onvrijwillige werkloosheid. Het aflopen van het dienstverband vond plaats buiten de wil van eiser om. Daarbij is inschrijving bij het UWV feitelijk onmogelijk, aangezien eiser niet is ingeschreven in de BRP. De bewijslast om vast te stellen of er sprake is van onvrijwillige werkloosheid ligt bij verweerder. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet in staat zou zijn in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Eiser benadrukt dat hij geen beroep heeft gedaan op publieke middelen en steeds zelf in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Ook had verweerder moeten motiveren waarom kon worden volstaan met de minimale vertrektermijn. Verweerder had op zijn minst een ruimere vertrektermijn moeten bieden. De belangenafweging is daarnaast onzorgvuldig gemaakt. Ook kan niet worden gerechtvaardigd dat de beschikking pas na twee jaar is uitgereikt. Eiser concludeert dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.



Wat is het oordeel van de rechtbank?


4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

5. Een vreemdeling met de nationaliteit van een EU-lidstaat mag zonder verblijfsvergunning langer dan drie maanden in Nederland verblijven als hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zo mag een vreemdeling langer dan drie maanden in Nederland verblijven als hij werknemer of zelfstandige is of kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk in Nederland heeft.



Werkzoekende met reële kans op werk
6. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) volgt dat een lidstaat de werkzoekenden een redelijke termijn moet toekennen om hen in staat te stellen werk te vinden. Uit het arrest G.M.A. volgt dat een termijn van zes maanden volgens het Hof redelijk is. Na verloop van deze redelijke termijn is de Unieburger verplicht aan te tonen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans maakt om te worden aangesteld. Om de vraag te beantwoorden of na zes maanden een reële kans op werk bestaat moeten alle relevante gegevens in hun geheel worden geanalyseerd, bijvoorbeeld de omstandigheid dat de vreemdeling staat ingeschreven als werkzoekende, hij zich regelmatig meldt bij potentiële werkgevers en hen sollicitatiebrieven stuurt en naar sollicitatiegesprekken gaat. Verder moet er rekening worden gehouden met de situatie op de nationale arbeidsmarkt en de persoonlijke kwalificaties van de werkzoekende.




6.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen reële kans op arbeid heeft. Niet in geschil is dat eiser sinds 30 oktober 2022 geen inkomsten uit arbeid meer heeft gehad. Ook is niet in geschil is dat eiser nu niet werkzaam is. Eiser heeft bovendien in de tussentijd Nederland verlaten en van 13 augustus 2024 tot 25 maart 2025 in Luxemburg verbleven, waar hij in detentie heeft gezeten. Hij is kort voor 11 april 2025 Nederland weer ingereisd. Dit betekent dat de redelijke termijn van zes maanden inmiddels ruimschoots is verstreken, zodat eiser moet aantonen dat hij een reële kans maakt op werk. Eiser heeft geen documenten overgelegd om dit aan te tonen. Het Tarola-arrest is niet van toepassing, nu eiser niet als werkzoekende staat ingeschreven. Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser eerder in Nederland werkzaam is geweest, onvoldoende reden is om aan te nemen dat eiser een reële kans op arbeid heeft. Ten aanzien van de stelling van eiser dat tijdelijke onderbrekingen bij uitzendwerk gebruikelijk zijn, overweegt de rechtbank dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt waarom in zijn geval een onderbreking van ruim twee jaar als tijdelijk kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in zijn beoordeling niet enkel heeft beperkt tot de duur van de werkloosheid. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft toegepast.



Onvrijwillig werkloos
7. De rechtbank overweegt dat het rechtmatig verblijf van een vreemdeling niet eindigt om de enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer is. Een Unieburger kan na het einde van zijn werkzaamheden gedurende een bepaalde periode de werknemersstatus behouden indien sprake is van onvrijwillige werkloosheid en als ook aan de overige voorwaarden van artikel 8.12, tweede lid, onder b en c, van het Vb is voldaan, waaronder dat hij als werkzoekende bij het UWV is ingeschreven.




7.1
Anders dan eiser stelt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat eiser niet onvrijwillig werkloos is. Dit betekent dat artikel 8.12, eerste lid, onder b en c, van het Vb niet op eiser van toepassing is en eiser dus niet uit dien hoofde rechtmatig verblijf behoudt. Uit de door verweerder opgevraagde stukken van het UWV blijkt namelijk dat het laatste dienstverband van eiser is geëindigd vanwege het verstrijken van de duur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Daardoor is er geen sprake van onvrijwillige werkloosheid. Eiser heeft immers zelf ingestemd met een arbeidsovereenkomst met een einddatum. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zelfs als eiser wel onvrijwillig werkloos zou zijn, hij alsnog niet aan de vooraarden voldoet omdat hij niet staat ingeschreven als werkzoekende bij het UWV. Dat eiser niet bij het UWV staat ingeschreven is niet in geschil en dat eiser stelt zich niet bij het UWV te kunnen inschrijven maakt dit niet anders, nu inschrijving wel is vereist.



Voorzien in eigen levensonderhoud
8. Een vreemdeling mag ook langer dan drie maanden in Nederland blijven als hij voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.




8.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser geen inkomsten uit werk of uitkering ontvangt. Het enkele feit dat eiser geen beroep doet op de openbare middelen, maakt niet dat eiser in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Eiser is daarbij van een te beperkte opvatting van dat begrip uitgegaan. Verweerder heeft terecht bij zijn beoordeling betrokken dat eiser blikken voor statiegeld verzamelt. Daarbij heeft verweerder er ook op gewezen dat uit het feit dat eiser overlast veroorzaakt en uit het feit dat hij vermogensdelicten pleegt, blijkt dat hij onvoldoende middelen van bestaan heeft. Dat eiser stelt geen intentie te hebben gehad om overlast te veroorzaken, is in dit verband niet relevant. Daarnaast heeft eiser ook geen ziektekostenverzekering.



Vertrektermijn
9. In het bestreden besluit is een vertrektermijn van een maand opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee een afdoende vertrektermijn aan eiser heeft gegeven. Dit is in overeenstemming met artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn. Verweerder heeft daarbij in het bestreden besluit benoemd dat de vertrektermijn ingaat na de uitreiking van het besluit. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat eiser ook niet heeft geconcretiseerd waarom de vertrektermijn verlengd had moeten worden, waarom hij meer dan een maand nodig heeft om zijn zaken af te ronden en waarom daarvoor zijn aanwezigheid in Nederland is vereist.




Belangenafweging
10. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder een belangenafweging moet maken wanneer hij vaststelt dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf geniet in Nederland, omdat aan deze vaststelling een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn is verbonden. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Verweerder heeft een adequate belangenafweging gemaakt. Verweerder heeft namelijk in eisers belangenafweging in zijn nadeel betrokken dat hij geen arbeid in loondienst verricht en niet werkzoekend is, dat hij de Nederlandse taal niet spreekt, zijn gestelde relatie in Nederland niet heeft onderbouwd, geen bewijs heeft overgelegd waaruit een sterke band met Nederland zou blijken en dat hij overlast veroorzaakt en is betrokken bij vermogensdelicten. Gebleken is dat eiser sinds (de uitreiking van) het primaire besluit opnieuw in beeld is bij de politie vanwege overlast. Dat hij tussen het besluit en de uitreiking ervan in Luxemburg heeft verbleven, is dan ook terecht niet in zijn voordeel meegewogen. Dat eiser geen beroep doet op de openbare kas maakt, gelet al het voorgaande, daarom niet dat verweerder had moeten concluderen dat de belangenafweging in eisers voordeel uitvalt. Ook het feit dat eiser een hoge leeftijd heeft, maakt niet dat de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen. Eiser zal immers pas in 2033 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken.




Uitreiken besluit
11. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig is omdat het pas op 11 april 2025 aan eiser is uitgereikt. Het bestreden besluit is, gelet op het voorgaande, immers op de juiste gronden genomen. Het feit dat eiser tussen het besluit en de uitreiking ervan in Luxemburg heeft gezeten, leidt niet tot een ander oordeel, nu eiser enkel in Luxemburg in detentie heeft gezeten en geen (verblijfs-) rechten heeft opgebouwd. Verweerder heeft daarbij kunnen wijzen op de omstandigheid dat eiser geen vaste woon- en verblijfsplaats heeft, waardoor het niet mogelijk was om het besluit eerder uit te reiken. Ook heeft eiser in bezwaar zijn gestelde belangen alsnog naar voren kunnen brengen, waardoor eiser geen rechtsgang is ontnomen.




Voldoen aan het bestreden besluit en het recht om opnieuw in te reizen
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser voldoende heeft geïnformeerd over de wijze waarop eiser zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen. Verweerder heeft een openbare werkinstructie (WI 2023/3) waarin uiteengezet wordt welke elementen van belang zijn bij het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf. Dit zijn dezelfde elementen die in het arrest FS zijn opgenomen. Zoals eiser in beroep zelf al aangeeft, zijn veel van deze omstandigheden niet van toepassing op hem. Zo is eiser bijvoorbeeld dakloos. Dat maakt volgens de rechtbank echter niet dat verweerder in strijd handelt met de Verblijfsrichtlijn. Uit het feit dat veel van deze omstandigheden niet van toepassing zijn op eiser blijkt nu juist dat verweerder heeft betrokken dat sprake is van een beperkte mate van integratie. Naar het oordeel van de rechtbank zal in een geval als dat van eiser meer gewicht toekomen aan de duur van de afwezigheid. Bovendien volgt uit het arrest FS dat rekening moet worden gehouden met aanwijzingen dat de Unieburger tijdens de periode van afwezigheid het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft verplaatst. Het is voor verweerder niet mogelijk om de elementen uit het arrest FS nader te specificeren, omdat er geen uitputtende lijst van voorbeelden kan worden gegeven. Een dergelijke verplichting daartoe volgt ook niet uit het arrest FS. Daarbij komt dat een eventueel nieuw verblijf van eiser in Nederland een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Eiser heeft Nederland namelijk nog niet verlaten en de toets of zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd, vindt pas plaats wanneer hij eerst Nederland zou verlaten en vervolgens terug zou keren en hier opnieuw zou willen verblijven. Deze toets is casuïstisch van aard en hangt af van de omstandigheden op dat moment.




12.1
Voor de volledigheid overweegt de rechtbank dat er, naast het daadwerkelijk en effectief beëindigen van zijn verblijf in Nederland, een tweede manier is voor eiser om (weer) rechtmatig verblijf te krijgen in Nederland. Zodra eiser weer voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vb heeft hij van rechtswege weer rechtmatig verblijf. Het verwijderingsbesluit is dan niet meer van kracht.







Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de rechtbank het bestreden besluit in stand laat.

14. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.

15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid vanN. Đukić, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met de uitspraak op beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.



Zoals beschreven in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).


Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.


Basisregistratie personen.


Zie artikel 8.12, eerste lid, onder a, van het Vb.


Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 20 februari 1997, C-344/95, overwegingen 17 en 18.


Arrest van het Hof van 17 december 2020, C-710/19.


Arrest van 11 april 2019, ECLI:EU:C:2019:309.


Zie artikel 8.12, tweede lid, onder b en c, van het Vb.


Artikel 8.12, eerste lid, onder b, van het Vb.


Zie ook de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2050.


Richtlijn 2004/38/EG.


Zie onder andere de uitspraak van 11 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:412.


Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2021, C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.


Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1510) en 10 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3652).


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.