Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24569

2026-03-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.45025
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-26
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.45025
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf, ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.881 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.45025


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. van Werven),


en




de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing
van zijn aanvraag voor een visum kort verblijf.



1.1

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 maart 2025 afgewezen.
Met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.




1.2
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Aanwezig waren referente en de heer mr. D.F. Oberman als waarnemer van de gemachtigde van eiser. Verweerder is met kennisgeving vooraf niet verschenen.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?




2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij
heeft op 7 maart 2025 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een visum kort
verblijf voor familiebezoek. Hij wil zijn schoonzus, [referente] (referente), bezoeken.



2.1

Verweerder heeft de aanvraag van eiser om twee redenen afgewezen. Ten eerste
omdat eiser niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken en ten tweede omdat de tijdige terugkeer van eiser naar Marokko onvoldoende is gewaarborgd, nu hij zijn economische en sociale binding met Marokko niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt.





Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert – kort samengevat – aan dat hij wel aan het middelenvereiste voldoet. Eiser stelt met het banksaldo, het inkomen van hem en referente tezamen en het feit dat hij kosteloos kan verblijven in Nederland te voldoen aan het Unierechtelijk richtbedrag ten aanzien van het middelenvereiste. Verder is er geen reden te veronderstellen dat eiser het Schengengrondgebied niet tijdig zal verlaten. Eiser heeft immers altijd in Marokko gewoond en heeft daar een achterblijvend gezin. Dit maakt zijn sociale banden met Marokko sterk en duurzaam. Wat de economische binding betreft is van belang dat eiser landarbeider is en hij dit heeft aangetoond. Hij heeft immers bankafschriften overgelegd waarop een saldo van € 5.932,33 staat vermeld. Ook heeft hij foto’s en een schriftelijke verklaring overgelegd. Eiser wijst er verder op dat het in Marokko niet gebruikelijk is om documentatie bij landbouwactiviteiten te hebben. Ook verwijst hij naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2013. Tot slot heeft verweerder volgens eiser de hoorplicht in bezwaar geschonden.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 volgt dat verweerder bij het onderzoek van een visumaanvraag, met betrekking tot de beoordeling van de relevante feiten, over een ruime beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of een van de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode vermelde gronden voor weigering van een visum aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechter de beoordeling van verweerder slechts terughoudend kan toetsen.



Middelenvereiste
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit de overgelegde bankverklaring van eiser weliswaar blijkt dat hij beschikt over een bankrekening met een saldo van € 5.932,33, maar niet kan worden vastgesteld hoe dit saldo is opgebouwd. Daarbij is van belang dat eiser de bankrekening twee maanden voor de indiending van de visumaanvraag heeft geopend en er geen aanwijzingen zijn dat er stortingen hebben plaatsgevonden die het gevolg zijn van inkomsten gegenereerd uit werk. Hiermee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk vrijelijk over het bedrag op zijn bankrekening kan beschikken. Voor zover eiser stelt dat het inkomen van de garantsteller bij zijn eigen inkomen had moeten worden opgeteld, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat dit in het geval van eiser niet kan, omdat niet duidelijk is of hij over het saldo op zijn bankrekening kan beschikken.



5.1

Ten aanzien van de garantstelling van referente, overweegt de rechtbank als volgt. In de nationale regelgeving is de garantstelling geregeld in artikel 2.11 van het Vb. Dit artikel vormt een nadere uitwerking van artikel 3, eerste lid, onder c, van de Vw, waarin staat dat de toegang tot Nederland wordt geweigerd aan de vreemdeling die niet beschikt over voldoende middelen van bestaan om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd. Volgens het eerste lid van artikel 2.11 van het Vb dient de vreemdeling die een visum aanvraagt voor deze kosten zekerheid te stellen. Volgens het tweede lid kan deze zekerheid bestaan uit een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat voor de garantstelling een solvabele derde garant dient te staan. Verweerder heeft hierover in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat de garantsteller (referente) bij Primark Netherlands B.V. in loondienst werkzaam is, maar dat het inkomen van de garantsteller onvoldoende is. Het inkomen ligt onder het bestaansminimum voor de categorie echtparen en gezinnen in de zin van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml-norm). Op het moment van de visumaanvraag was de Wml-norm € 2.191,80. Hier voldoet de garantsteller niet aan.

Sociale en economische binding

6. Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toetst verweerder de sociale en economische binding van eiser met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Marokko dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.




6.1
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een voldoende economische binding heeft met Marokko. Daarbij is van belang dat niet is gebleken in hoeverre eiser daadwerkelijk werkzaam is als landarbeider, nu verweerder de gelegaliseerde begeleidende brief niet als objectief stuk heeft hoeven aan te merken, omdat dit stuk op basis van de verklaringen van eiser is opgesteld. Daarbij is ook van belang dat niet is gebleken of eiser een regelmatig en substantieel inkomen geniet. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat er in rechtsoverweging 5. is besproken. De overgelegde foto’s maken het voorgaande niet anders, nu hier evenmin uit blijkt dat eiser werkzaam is als landarbeider en een regelmatig en substantieel inkomen genereert. Ten aanzien van de in beroep overgelegde producties is de rechtbank van oordeel dat deze gelet op de ex-tunc toetsing niet in de beoordeling mee kunnen worden genomen. Het staat eiser vrij een nieuwe aanvraag in te dienen met deze stukken.


6.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser enige sociale binding heeft met Marokko voor wat betreft het achterlaten van een eigen gezin, maar dat dit gelet op het ontbreken van een economische binding onvoldoende garantie biedt voor de tijdige terugkeer van eiser. Immers is niet gebleken dat eiser hiernaast zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen heeft in Marokko. Daarbij is ook van belang dat rekening gehouden dient te worden met alle relevante factoren in onderlinge samenhang en eiser ook al niet voldoet aan het middelenvereiste.



6.3
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiser een zodanige sociale en economische binding heeft met Marokko dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft hierbij de sociale en economische binding in onderlinge samenhang getoetst, zoals voortvloeit uit het arrest Koushkaki.



Hoorplicht
7. Dat de hoorplicht is geschonden volgt de rechtbank niet. De hoogste
bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de
bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder
mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op wat in het primaire besluit is overwogen en hetgeen in bezwaar is aangevoerd, zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat van dergelijke twijfel geen sprake is.






Conclusie en gevolgen8.Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing



De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid vanN. Đukić, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.











Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onder iii van de Visumcode.


Zie artikel 32, eerste lid, onder b van de Visumcode.


ECLI:NL:RBDHA:2013:19294.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:862).


Vreemdelingenbesluit 2000.


Vreemdelingenwet 2000.


Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli
2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.