Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24568

2026-03-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.39772
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-26
Publicatiedatum
2026-08-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.39772
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mvv aanvraag, ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.049 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.39772


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiseres], V-nummer: [V-nummer 1], eiseres



[eiser]
, V-nummer: [V-nummer 2], eisertezamen: eisers
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).



1.1
Bij besluit van 16 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers voor een mvv met het verblijfsdoel “verblijf als familie- of gezinslid” voor verblijf bij hun zoon, [referent] (hierna: referent), afgewezen. Bij besluit van 29 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld.



1.2
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, [naam] als waarnemer van de gemachtigde van eisers en H. Rida als tolk. Verweerder is met kennisgeving vooraf niet verschenen.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?


2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1948. Eiseres is geboren op 30 december 1960. Zij hebben de Syrische nationaliteit. Eisers willen bij referent verblijven. Eisers hebben daarom op 27 augustus 2021 een aanvraag voor een mvv voor het doel verblijf als familie- of gezinslid bij referent ingediend.



2.1
Verweerder heeft de aanvraag van eisers afgewezen omdat niet is gebleken dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eisers en referent. Daarbij is van belang dat referent niet valt onder het jongvolwassenenbeleid en er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en referent.



Wat vinden eisers in beroep?




3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Zij verzoeken hetgeen is verklaard en overgelegd in onderhavige procedure als herhaald en ingelast te beschouwen en voeren verder – kort samengevat – het volgende aan. Eisers zijn van mening dat referent wel onder het jongvolwassenenbeleid valt, omdat hij uit noodzaak is gaan werken. Hiermee wordt de zelfstandigheid van referent niet aangetoond. Verder heeft referent geen zelfstandig gezin gevormd. Dat referent een relatie zou hebben (gehad), betekent niet zonder meer dat iemand niet onder het jongvolwassenenbeleid zou kunnen vallen. Eisers zijn verder van mening dat er wel sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen en referent. Verweerder heeft te weinig rekening gehouden met de speciale emotionele binding die is ontstaan door de moeilijke omstandigheden waarin eisers en referent samen hebben geleefd. Eisers stellen ook medisch afhankelijk te zijn van referent. De vader van referent (eiser) is oud en kan de zorg voor de moeder van referent (eiseres) niet meer op zich nemen. Referent ervaart daarnaast zelf depressieve episodes door de scheiding met eisers. Ten slotte stellen eisers geen banden meer te hebben met Syrië of Turkije en wel met Nederland nu referent hier woont. Nu volgens eisers sprake is van familie- en gezinsleven, heeft verweerder ten onrechte geen belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM gemaakt. Wat is het oordeel van de rechtbank?





Herhaald en ingelast 4. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eisers eerder in de procedure naar voren hebben gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eisers van mening zijn dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.Jongvolwassenenbeleid 5.Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat verweerder daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten:


het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn;


met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven;


niet in zijn eigen onderhoud voorzien; en


geen zelfstandig gezin hebben gevormd.



5.1
Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 20 november 2024 volgt dat verweerder bij het vaststellen van familie- of gezinsleven, waaronder bij het toepassen van het jongvolwassenenbeleid, alle relevante feiten en omstandigheden moet betrekken op het moment van zijn besluit.



5.2
Verweerder heeft in het bestreden besluit een individuele beoordeling gemaakt en naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd uiteengezet waarom referent niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Verweerder heeft mogen betrekken dat referent - door vanaf zijn 11e te werken en eisers en hemzelf in hun levensonderhoud te voorzien - grote mate van zelfstandigheid en onafhankelijkheid heeft laten zien. Referent erkent in meerdere verklaringen dat hij gescheiden van eisers goed voor zichzelf kan zorgen. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat referent voldoende in zijn eigen onderhoud voorziet. Nu bij het jongvolwassenenbeleid sprake is van cumulatieve vereisten waaraan moet worden voldaan en verweerder op juiste gronden heeft geoordeeld dat referent in zijn eigen onderhoud voorziet, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de andere vereisten.



Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6. Verweerder heeft ook beoordeeld of eisers en referent familie- of gezinsleven hebben op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Bij de beoordeling van de vraag of er tussen volwassen familieleden bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, moet verweerder alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard.




6.1
De bestuursrechter toetst vol of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij de beoordeling of er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.



6.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van alle relevante feiten en omstandigheden heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat er al geruime tijd niet meer wordt samengewoond door referent en eisers. Het enkele feit dat ze dit wel lange tijd hebben gedaan, maakt dit niet anders. Bovendien maakt samenwoning op zich niet dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Verweerder heeft mogen concluderen dat er geen sprake is van financiële afhankelijkheid. Hierbij kan worden opgemerkt dat referent op het moment weinig financiële steun geeft aan eisers en dat zij op dit moment financieel worden gesteund door een Turkse instantie. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat de medische omstandigheden van eisers niet maken dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij heeft verweerder mogen betrekken dat niet in de overgelegde stukken of gehoren aannemelijk is gemaakt dat het voor eisers onmogelijk is om aan medische zorg te komen. Bovendien blijkt uit de overgelegde medische stukken niet dat eisers medisch afhankelijk zijn, al dan niet van referent. Verweerder heeft dus kunnen stellen dat er geen sprake is van medische afhankelijkheid tussen referent en eisers. Verweerder heeft ook mogen concluderen dat de emotionele afhankelijkheid niet zodanig is dat deze de gebruikelijke emotionele band tussen ouders en een meerderjarig kind overstijgt. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat referent goed kan functioneren zonder eisers. Ook is van belang dat eisers en referent elkaar op afstand emotionele steun kunnen bieden. Ten aanzien van de praktische afhankelijkheid heeft verweerder mogen concluderen dat deze afwezig is. Hierbij heeft verweerder eisers mogen tegenwerpen dat zij zich al meerdere jaren redden zonder referent. Verweerder heeft ook kunnen betrekken dat er nog banden met Syrië zijn, nu eisers daar zijn geboren en de lokale taal en cultuur kennen. Dat referent in Nederland woont maakt niet dat eisers banden met Nederland daarom sterker zijn dan die met Syrië. Eisers zijn immers nooit in Nederland geweest. Dit geldt ook ten aanzien van de band met Turkije, nu eisers daar al sinds 2012 verblijven. De zorgen en bereidheid van referent om eisers te ondersteunen zijn begrijpelijk en geven blijk van een bezorgdheid en hulpbereidheid die gebruikelijk is bij een goede band tussen een meerderjarig kind en een ouder, maar de aangevoerde omstandigheden maken – ook in onderlinge samenhang bezien – niet dat de band tussen eisers en referent zo bijzonder is dat deze de gebruikelijke (emotionele) banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgt en van bijzondere afhankelijkheid sprake is.



6.3
De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder alle relevante individuele feiten en omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken. Enigszins terughoudend toetsend, heeft verweerder gelet op het voorgaande deugdelijk gemotiveerd dat er tussen eisers en referent geen familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. Dat betekent dat verweerder in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken.



Hoorplicht
7. Dat de hoorplicht is geschonden volgt de rechtbank niet. De hoogste
bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de
bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder
mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op wat in het primaire besluit is overwogen en hetgeen in bezwaar is aangevoerd, zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat van dergelijke twijfel geen sprake is.






Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.

9. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.








Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank van 21 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:11297.


Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.


ECLI:NL:RVS:2024:4630


Uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.


Uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.


Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.